vrijdag 27 augustus 2021

Zomervlucht

Op mijn achttiende verjaardag kreeg ik van mijn vrienden de roman Zomervlucht van Jeroen Brouwers. Ze wisten dat ik dat jaar een van de bibliotheek geleend exemplaar had gelezen en dat ik in één klap fan was van Brouwers. Het paste binnen het door mij gewenste imago van de vage intellectueel, maar eerlijk is eerlijk: de roman was geschreven zoals ik een roman zou willen kunnen schrijven. De virtuoze taal rolde en golfde over de bladzijden - ze zoog me mee in het kolkende verhaal dat ze was.  

In het mondelinge verhoor door mijn docent Nederlands prees ik het boek en deed dat zo overtuigend dat de docent het boek in de collectie van de schoolbibliotheek wilde opnemen.

Uiteraard nam ik geïnspireerd ook zelf de pen ter hand en begon aan mijn eigen roman. Ik probeerde de zinnen te laten golven en rollen, zoals Brouwers ze schreef, maar na twee bladzijden gaf ik het al op. Ik wist wat ik al lang wist: schrijven zoals Jeroen Brouwers dat kunnen er maar weinig. Brouwers schreef een enorm oeuvre en won dit jaar de Libris Literatuurprijs en dat is net op tijd: hij denkt zelf dat er niks meer in zit.

Het omslag van Zomervlucht
Het omslag van Zomervlucht

Een collega Nederlands vertelde eens dat een leerling Nooit meer slapen van Hermans had geleend van de schoolbieb, omdat hem dat wel wat leek, nooit meer slapen. Zo kocht ik ooit Biljarten om half tien van Heinrich Böll. Wat mij in Zomervlucht trok, dat weet ik niet. De titel klinkt verleidelijk, dat snap ik. En ook het omslag, waarop Johann Sebastian Bach rugwaarts uit zijn eigen portret stapt, heeft me altijd gefascineerd. Maar waarom ik nu juist dát boek uit de kast trok, ik heb geen idee. Maar ik weet wel dat mijn rondstruinen in de dorpsbibliotheek resulteerde in een leven met Jeroen Brouwers.

PISA-data en inspectierapporten maken al veel langer gewag van verzwakte schrijf- en leesvaardigheid onder jongeren. Dat de toegang tot bibliotheken ons zolang is ontzegd, is daarom schandalig. De rijen voor de kledingzaken gaan de hoek om, maar de deur van de bieb blijft dicht. Noem mij een vage intellectueel, maar ik geloof nog steeds in de helende, troostende en vormende werking van het boek. En broeken slijten, boeken niet. We moeten jonge mensen zoveel mogelijk de kans geven tegen een nieuwe papieren liefde aan te lopen. Alle drempels richting de bibliotheek, maar ook het museum, de schouwburg en de concertzaal, moeten volledig geslecht worden.

Op het schutblad van mijn exemplaar van Zomervlucht hebben mijn vrienden hun namen geschreven. ‘Na je 18e zie je dingen anders’, schreef Berend en hij tekende er een ribbenkubus bij die je op twee manier kan zien. Hij had gelijk, want taal had dat jaar een ander gezicht gekregen.

zondag 16 mei 2021

Vrijheid

Ik ben in de vierde klas toegekomen aan dat verplichte schoolexamen-onderdeel waar de leerlingen doorgaans nauwelijks nog de camera voor aanzetten: de democratische rechtsstaat. Er wordt vaak niet zo geboeid geluisterd als naar een verhaal over de peri-anale fistel van Lodewijk XIV, maar met de verkiezingen nog vers in het geheugen leeft het onderwerp meer dan anders

In het oriënterende klassengesprek bleek dat vrijheid een centraal begrip is geworden. Leerlingen kunnen niet wachten op het einde van de maatregelen die hun bruisende puberleven al zo lang hebben beperkt. Ze willen weer springen in de club en meebrullen met Hazes: ‘Leef! Alsof het je laatste dag is!’ Ze staan niet alleen. Mensen organiseren zelfs fakkeltochten voor vrijheid en roepen ‘ze moeten niet aan onze vrijheid komen!

Maar vrijheid is niet een eenduidig begrip, zo besefte ik me opnieuw toen ik een Volkskrant-interview met historica Annelien de Dijn las. Ze legt in haar boek Freedom uit dat de vrijheid waarvoor de 18e-eeuwse democraten vochten een andere vrijheid is dan die van ‘blijf van mij, mijn positie en van mijn eigendom af’. De vrijheid van de revolutionairen ging over zelfbestuur, over het vrijelijk uitoefenen van natuurrechten - met die notie dat iemands vrijheid stopt waar die van een ander begint. Een vrijheid die alleen gold, als die voor de gemeenschap gold. Een elite is geneigd tot onderdrukking, dus geef de massa een stem. 

Cover van Freedom van historica Annelien de Dijn

Van die versie van de vrijheid - de versie die het socialisme later omarmde - moeten veel mensen juist niets meer hebben. Ze hebben meer met het liberale vrijheidsbegrip zoals die tijdens de Restauratie van na het Congres van Wenen opgeld maakte, inderdaad, die van een kleine staat die niet aan je privé-bezit moet komen. En sinds de jaren ‘80 van de vorige eeuw heeft het neoliberalisme die weergave van het vrijheidsbegrip alleen nog maar meer scherpte gegeven.

Het Congres van Wenen (1814-15) was een langdurig feestje

Mensen wenden zich af van het vrijheidsbeperkende program van de groene, linkse kerk en willen misschien wel een betere wereld, maar niet ten koste van onze individuele vrijheid alsjeblieft. Hoezo, niet meer vliegen? Hoezo, geen vlees meer eten? Hoezo, meer belasting betalen? Mensen willen geen betutteling, maar egoïstisch comfort en dus stemden ze op partijen die vrijheid beloofden.

‘Leef!’, zingen mijn leerlingen straks weer, ‘alsof het je laatste dag is! Leef! Alsof de morgen niet bestaat!’ Ik geloof wel dat de meesten een solidair hart hebben. Ze zijn jong. Maar ik geloof ook dat ik niet eerder zoveel urgentie voelde bij mijn lessen over de democratische rechtsstaat dan nu.

Eerder gepubliceerd in Kleio no. 3, jaargang 62

vrijdag 2 april 2021

Burgerschap

Ik geloof dat in een gezond land met een gezond onderwijsstelsel het vak geschiedenis afdoende zou zijn voor burgerschapsvorming, maar helaas, iets is niet gezond en volgens minister Slob moet de overheid dus een duidelijke ‘burgerschapsopdracht’ geven, voor het gehele onderwijsveld notabene!   

Toen in 2006 wettelijk werd vastgelegd dat scholen zich moeten inspannen om ‘burgerschap en integratie’ te bevorderen, was dat weinig concreet. Scholen werden belast met het ontwikkelen van een visie om die uiteindelijk in het schoolplan te verantwoorden. Een lege huls, kortom, en uiteraard, niet duidelijk genoeg.

In 2018 pakte minister Slob echter de handschoen weer op met als resultaat dat de burgerschapsopdracht een stuk minder vrijblijvend is geworden. Waarschijnlijk per 1 augustus – vertraagd door de coronacrisis – wordt de nieuwe wet ‘verduidelijking burgerschap’ (is het nu wel duidelijk?) ingevoerd. Scholen moeten nu serieus aan de bak, want het alziend oog van de inspectie loert mee. Een eerste resultaat van de aanstaande wet vind je als je ‘cursus burgerschapsonderwijs’ googelt: de scholingsbureaus zijn er natuurlijk weer als eerste mee aan de haal gegaan.  

Met de multi-interpretabele term burgerschap wordt getracht kinderen te kleien tot burgers die zich raad weten met de wereld om hen heen. In 2006 vond men de Nederlandse samenleving zodanig veranderd – multicultureler, individualistischer, terroristischer – dat jongeren bij de hand genomen moesten worden. Omdat ouders het blijkbaar nalieten, was het aan de scholen om daar een visie over te vormen.

In de nieuwste wetsversie staat dat leerlingen respect en kennis bijgebracht moeten worden wat betreft de ‘basiswaarden van de democratische rechtstaat’. Scholen moeten die basiswaarden in het eigen gebouw laten echoën en ze moeten daartoe (opnieuw) een visie ontwikkelen, maar ditmaal door meerdere leerjaren heen, met vastomlijnde leerdoelen. Op mijn school zijn we al begonnen met brainstormen. En zoals na elke storm is het resultaat nogal chaotisch, een ratjetoe aan invalshoeken en ideeën. Dat krijg je, als je een containerbegrip als burgerschap loslaat op álle vakken.

Met een schuin oog – want het doet pijn aan de ogen – kijk ik ook naar Curriculum.nu. Daar is burgerschap ook een centraal thema. Hun vernieuwingen laten nog even op zich wachten (vanwege corona-perikelen en een demissionair kabinet), maar zullen te zijner tijd terugkomen in de kerndoelen van de SLO, dan in de schoolmethodes en tegen die tijd, tja, dan is de wereld intussen al weer veranderd.

Overigens, de burgerschapsopdracht smaakt ook wat vies, uit de koker van een regering die individualistische zelfredzaamheid propageert, geen oog heeft voor sociaaleconomische factoren, dealtjes sluit over vluchtelingenkinderen en visie een vies woord vindt.  

Maak de verzorgingsstaat eerst weer gezond, zorg dat de basisvoorwaarden voor goed onderwijs in orde zijn, dan leggen wij bij geschiedenis wel uit hoe de democratische rechtsstaat werkt, zoals we dat altijd al gedaan hebben.

 --

Deze column verscheen eerder in Kleio no 2 jaargang 62 (maart 2021)

 

 

donderdag 4 februari 2021

Mat

‘In de opening verraste u me eigenlijk wel eerlijk gezegd, ik had gehoopt op e4 c5 a3 Nc6’, zegt Ghosthumus via de chat. En later: ‘ik dacht dat u misschien 13.Qa5 had kunnen spelen en dan op c7 pakken met de loper. Misschien zou dat beter hebben gewerkt, maar ik weet het niet zeker.’

Schaken is mij met de paplepel ingegoten. Ik speelde het als kleuter al en ook al ben ik nooit heel goed geworden, ik hou van het spel. Het is een feest om zelf te spelen - elke partij is een haast literair avontuur - maar het is een even groot genoegen om online de wereldtop te volgen: de buitenaardse snelheid van Hikaru Nakamura, de branie van Daniil Dubov, het door de goden gegeven instinct van Magnus Carlsen.

Schaken heeft momentum met het verschijnen van de Netflix-serie The Queen’s Gambit. Ik las dat de verkoop van schaaksets vervijfvoudigd is! Dat stemt optimistisch, want schakende kinderen slijpen hun brein. Ze kunnen zich beter concentreren, verbeteren hun logisch denkvermogen, rekenkunde, ruimtelijk inzicht en oefenen empathie.

Still uit The Queen's Gambit (Netflix)

Bovendien, je blijft er slank bij. Grootmeesters verbranden met hun denkwerk zo’n 6000 calorieën per dag op een toernooi - we eten dagelijks gemiddeld een derde daarvan.

De hausse brengt onvrijwillig het jaar 1972 in de herinnering, toen de Amerikaan Bobby Fischer het in Reykjavik opnam tegen de Rus Boris Spassky. De hele wereld keek mee hoe Bobby de eerste partij verloor, vervolgens eiste dat de camera’s weggehaald werden, toen niet op kwam dagen, daarna een telegram van Kissinger ontving en uiteindelijk tóch zijn zin kreeg. De wedstrijd werd voortgezet in een benauwd achterafkamertje en Fischer werd wereldkampioen. De schaaksets waren niet aan te slepen in die dagen.

Fischer vs. Spassky, Reykjavik, 1972

Een aantal van mijn leerlingen is enthousiast schaker. Met de beste speelde ik een tijdlang elke les één zet. Ik hield thuis de stelling op een bord bij, geholpen door mijn vader en broer - hij deed alles uit zijn hoofd (grotendeels tijdens de geschiedenisles, vermoed ik) en won. Later organiseerde ik een simultaandemonstratie waarbij hij het in de aula opnam tegen leerlingen én docenten. Hij verloor één partij, speelde één gelijk en won de overige twaalf. Een andere jongen komt regelmatig aan het eind van de les met zijn telefoon naar me toe waarop een bord klaar staat. Dan spelen we een potje snelschaak tussen de lessen door. Met weer een andere leerling speel ik correspondentieschaak, de langzaamste vorm, waarbij partijen over weken, zo niet maanden kunnen worden uitgesmeerd.

Ghosthumus zit in de vijfde klas, heeft een nogal intimiderende schaaknaam aangenomen en hij had gelijk. Ik had inderdaad de dame naar a5 moeten spelen en dan moeten pakken met de loper op c7. Hij won het potje met schwung. 

Deze column verscheen in Kleio no. 1, jaargang 62 (februari 2021)

woensdag 30 december 2020

Aandacht

Voor deze column putte ik onder meer uit het gesprek tussen Joe Rogan en Tristan Harris het gesprek dat ik had met filosoof Thijs Lijster over zijn pamflet 'Verenigt U! 

‘Jongens, mag ik even jullie aandacht?’. Ik zie hoe mijn LIO de klas tot stilte maant. Telefoons verdwijnen schoorvoetend in broekzak en tas. Achterin het lokaal overzie ik het tafereel en ik besef dat we ons ook wel voor een flinke opgave gesteld zien: je moet van goeden huize komen om die gevraagde aandacht van pubers te krijgen. Hoe goed je uitleg ook is, hoe prachtig je verhalen, hoe vernuftig ook je didactiek, er brandt immers iets in die broekzakken. Het piept, trilt en licht op, het trekt alsmaar aan hen, het vreet aandacht en het heet smartphone - een shot dopamine binnen handbereik. De algoritmes van Big Tech doen niets anders dan telkens een nieuwe wortel voorhouden en de ezels sjokken er haast blindelings achteraan. Leerlingen zijn slachtoffers in de oorlog om aandacht.

Joe Rogan in gesprek met Tristan Harris die ook een prominent rol speelt in de Netflix-serie 'The Social Dilemma'
Nu is het de tiener eigen dat de gedachten gaan spoken tijdens een stoffige les - het hoofd dwaalt af naar dat ene mooie meisje of naar de dansuitvoering van komende zaterdag, dat is prima - maar het zijn nu de grote bedrijven aan de westkust van de Verenigde Staten die de aandacht trekken. En dat doen ze niet per definitie met betekenisvolle of betrouwbare informatie. De aandacht gaat immers eerder uit naar extreme, opmerkelijke en discutabele content.

Niet alleen is hiermee de aandacht zoek, ook allerlei persoonlijke gegevens worden te grabbel gegooid. Gebruikers maken accounts bij de Grote Vier, die vervolgens weer gebruikt worden om in te loggen op andere platforms. We scrollen naar beneden en klikken op ‘akkoord’ zonder te lezen. Nee, voor grote stukken tekst hebben we juist weer géén aandacht. Intussen weet de grote broer heel veel van ons - wat we willen kijken, wat we willen kopen, of we zwanger zijn - soms nog eerder dan dat we dat zelf weten. Data wordt niet onterecht de nieuwe olie genoemd en een belangrijke vraag is nu: van wie is die data?

Toen in de 19e eeuw de Industriële Revolutie zich ontvouwde ontstond er een gapend gat tussen de haves en de have nots, tussen de bezittende klasse en de bezitloze klasse. Dat bezit, dat waren de productiemiddelen: land, grondstoffen, machines, gebouwen. Maar het industriële tijdperk is verdwenen en heeft plaatsgemaakt voor de information age. Kennis en data, dat zijn de nieuwe productiemiddelen en het lijkt erop dat het grootkapitaal (opnieuw) aan het langste eind trekt.

Kunnen we de productiemiddelen weer terug in eigen handen krijgen? Wat is daarvoor nodig? Misschien moeten we beginnen weg te kijken van onze schermen, want elke keer als we daaraan aandacht schenken, schenken we data en daarmee verworden we vanzelf tot de have nots van deze tijd.

--

Deze column verscheen in de Kleio nummer 7 (december 2020)

maandag 29 juni 2020

Papiertje met een bijsmaak


Het is als een legpuzzel met een missend stukje, een onaf jaar, zo zonder de centrale examens. Ik ben gaan houden van die haast tastbare spanning die gedurende enkele weken het ontspannen geouwehoer van alledag vervangt. Van de tot examen-academie omgetoverde gymzaal, met de genummerde tafels in strenge rijen. Van het binnenschuifelen van de leerlingen, de armen onhandig vol met waterflesjes, energydrinks, mueslirepen en extra pennen. Iedereen staat op scherp, je voelt het aan alles. Het gedoe met de verzegelde enveloppen, het proces-verbaal, de controle van het eerste exemplaar, het uitdelen. En dan, als de klok het toestaat: jullie mogen beginnen!

Waren de centrale examens écht onmogelijk dit jaar?

Vijf dagen na de sluiting van de scholen riep de vakbond Leraren In Actie (LIA) dat de examens geschrapt zouden moeten worden. Het was hun zonneklaar: leerlingen zouden ongeacht hun cijferlijst het diploma moeten ontvangen. Ik vond het overdreven aandachttrekkerij. De kleine bond had door de recente, nogal onhandige tafelmanieren van de AOb momentum en wilde meer. 

Op 24 maart werden de centrale examens definitief geschrapt, maar leerlingen kregen gelukkig niet zomaar hun diploma. Schoolexamens en de nieuwe resultaatverbeteringstoetsen werden doorslaggevend. Dat was tenminste nog iets, zou je kunnen zeggen.

LIA noemde de situatie een ‘noodsituatie’, zoals die ook bestond in 1945. Toen werd per Koninklijk Besluit besloten dat de eindexamens niet door zouden gaan. Mede door de hongerwinter en de Arbeitseinsatz was het eindexamen een onmogelijkheid geworden. De motivatie voor het ‘gratis’ uitdelen van de diploma’s in juni 1945 luidde ‘dat tegenover het tekort aan examenkennis een grotere levenservaring van de betrokkenen staat’.

Het Vrije Volk (12/06/1945) - bron: Delpher

Niet álle leerlingen kregen toen hun diploma. De kanttekening luidde, dat zij die zich tijdens de bezetting niet goed hadden gedragen de akte niet zouden ontvangen. Dat hadden we nu ook kunnen doen. Examenkandidaten die tóch knuffelden, niet in hun elleboog hoestten, nooit hun handen wasten, te vaak onnodig de trein namen: helaas pindakaas, het diploma gaat aan je loopneus voorbij.

Maar nee, de situatie nu is onvergelijkbaar met die van toen. Ik denk in retrospectief dat er te snel een besluit genomen is en de mogelijkheid tot centraal examineren langer onderzocht had moeten worden. Het lukte toch ook om de schoolexamens te organiseren, vaak ook ‘gewoon’, fysiek in het gebouw? De weg die nu is ingeslagen is weliswaar de meest veilige, maar ook onbevredigend, paniekerig en ontzettend fraudegevoelig. Door scholen de nu allesbepalende schoolexamens zelf te laten organiseren - terwijl ze risico’s erkent - trekt het ministerie haar handen af van het gedoe.

En kijk, het Amersfoortse gymnasium Johan van Oldebarnevelt werd terecht teruggefloten door de minister, maar hoeveel andere scholen hebben ongezien eigenhandig de cijfers en daarmee het slagingspercentage opgekrikt? Hoe je het ook wendt of keert, een schooldiploma uit 2020 is toch een papiertje met een bijsmaak.

Deze column verscheen in de Kleio van juni 2019

woensdag 13 mei 2020

Rampspoedlessen

Meermaals heeft rampspoed de sociale verhoudingen opgeschud, omdat de catastrofe nieuwe inzichten in de hoofden verankerde die met geen dogma, wetgeving of leger daar weer uit te verdrijven waren. 

De coronacrisis doet dat ook. De quarantaine dwingt ons tot interessante manieren van werken (zoals online lesgeven) waar we anders decennia over zouden discussiëren. We hebben nieuwe waardering voor betrouwbare politici, wetenschappers en journalisten; fake news werkt ons vooral tegen. Onze volksaard toont zich als een januskop (we hamsteren toiletpapier, maar applaudisseren voor de zorgmedewerkers) en onze regeringsleiders strooien plots met geld, doekoes die daarvoor met geen Groningse aardbeving uit de kluis te schuiven waren. En oh ja, we weten weer wat de vitale beroepen zijn. 

Je zou misschien verwachten dat na de pestepidemie van de veertiende eeuw de mensen hun plaats wel kenden. Dat een zekere nederigheid of deugdzaamheid ten aanzien van het leven onvermijdelijk was, nu de dood zich op nietsontziende wijze had getoond aan de wereld. Maar niets is minder waar. Het achtergelaten kapitaal kwam ter beschikking voor de overlevenden en men werd inhalig: armen betrokken leegstaande landerijen en zagen zichzelf plotseling aan tafel gezeten met zilveren bestek. Simpele boeren betaalden minder pacht en eigenden zich overgebleven werktuigen toe en jonge wezen gehuwd voor rijke bruidsschatten.  

The Triumph Of Death
Pieter Bruegel's weergave van de sociale effecten van de Zwarte Dood

En toch veranderde er volgens de historica Barbara Tuchman iets in het sociale weefsel van de samenleving. De gevestigde orde, de verhoudingen tussen landheer en boer, maar vooral die tussen kerk en gelovige, waren voorgoed veranderd. Volgens Tuchman ‘kwam het einde van een tijdperk van onderworpenheid in zicht; de ommekeer naar individueel bewustzijn lag in het verschiet.’ Als de geest zich uit de fles heeft gewrongen, krijg je die vaak moeilijk terug.

Volgens Tuchman ‘kwam het einde van een tijdperk
van onderworpenheid in zicht; de ommekeer naar individueel
bewustzijn lag in het verschiet.’

Rampspoed dwingt de geschiedenis een richting op en daar moet je gebruik van maken. Zoals volgens Tuchman de Zwarte Dood wellicht de moderne mens schiep, zo stimuleerde de Eerste Wereldoorlog (en in zijn kielzog de Spaanse Griep) technologische ontwikkelingen, de emancipatie van de vrouw en toenemende gelijkheid. De Tweede Wereldoorlog bracht de dekolonisatie teweeg en leidde tot de oprichting van de Verenigde Naties.

Maar op welke manier gaan we de coronacrisis ‘benutten’? De Israëlische historicus Harari stelt dat we ons straks voor twee keuzes zien. Allereerst die tussen nationalistisch isolationisme en globale solidariteit, oftewel: houden we kennis en mondkapjes voor onszelf of delen we die? Ten tweede die tussen totalitaire surveillance of burger-empowerment. Gaan we mensen hardhandig dwingen tot quarantaine (en gaan we ze dan nauwlettend monitoren met moderne technologie) of gaan we uit van goed gedrag door goed geïnformeerde, vrije burgers? 

'Never let a good crisis go to waste' - Winston Churchill

‘Never let a good crisis go to waste’, zei Winston Churchill in de nadagen van de Tweede Wereldoorlog. Dat sommige zaken flink op de schop gaan door de huidige crisis is niet de vraag. Maar
hoe de wereld er straks uit zal zien, dat hangt af van onze politici en de lering die zij hieruit trekken. Men mag bijvoorbeeld aannemen dat sommige beroepen in hun achting zijn gestegen, niet waar?

dinsdag 31 maart 2020

Wannsee

Ik zal het hier maar eerlijk zeggen. Toen ik mij in het vijfde jaar van het vwo inschreef voor de excursie naar Berlijn, deed ik dat niet omdat de geschiedenis van de stad me trok, maar toch vooral omdat we samen gingen, mijn vrienden en ik. 

De Tweede Wereldoorlog was vijftig jaar afgelopen. De Muur was zes jaar daarvoor gevallen. We gingen naar de stad die het centrum van de 20ste-eeuwse geschiedenis was geweest. Wij léken jonge intellectuelen misschien, met ons halflange haar en kekke sjaals, maar we waren nauwelijks bezig met ons reisdoel, alleen met elkaar en de meisjes in de busstoelen om ons heen. 

In Berlijn betrokken we ‘Hotel Vier Jahreszeiten’, in Kreuzberg, een hotel waarvan de pui was afgebladderd. Mijn vier vrienden en ik hadden bij de kamerverdeling een jongen onder ons hoede genomen die we niet goed kenden. Enkele dagen later zat hij huilend op de bedrand, omdat we ons misdroegen: we rookten op de kamer, iemand verkocht wiet en in de douchekabine verfden we iemands haar paars. 

Villa Marlier (Wikipedia)
Het is niet gek dat ons bezoek aan Villa Marlier mij nauwelijks is bijgebleven. Villa Marlier, beter bekend als Haus Wannsee, is het neo-barokke landhuis aan de Großen Wannsee, tussen Berlijn en Potsdam, waar in 1942 vijftien mannen over het lot van 11 miljoen Europese joden besloten. Wij trapten er lol. We rookten filtersigaretten en staken een peuk in de mond van een gebeeldhouwde jongen. Ik heb er nog foto’s van. Het is een plek die normaal gesproken een zware indruk achterlaat, maar wij lagen ‘s avonds op de stapelbedden van de meisjes en ons hoofd was high, maar niet van die Endlösung der Judenfrage

Inventarisatielijst van Joden in Europa zoals gebruikt bij de Wannsee-conferentie (Wikipedia)

Ik ben nu veertig en ik vraag me af hoe het in hemelsnaam mogelijk was dat ik die dag flierefluitend door de wieg van de holocaust stuiterde. Menselijke tragedies zijn mij met het vorderen van de jaren steeds meer aan gaan grijpen en ik herken dat puberhoofd van toen niet meer. Als ik nu over de holocaust lees of vertel, krijg ik soms tranen in de ogen. Mijn moeder zei destijds al, wijzend naar mijn haar: ‘Later zul je wel denken…’ 

Niet lang geleden kwam de Wannsee-conferentie langs in een les. Het is immers een van de verplichte voorbeelden van het eindexamen. Onwillekeurig moest ik tijdens de uitleg aan de excursie van toen denken. Ik noemde het. Ik vertelde van het roken, de meisjes en het paarse haar, maar niet van die jongen die we niet kenden en die huilend op de bedrand zat. 

Misschien was het wel de avond van het bezoek aan Villa Marlier en had hij als enige de tragiek van de plek wél begrepen.

--
Deze column verscheen in de Kleio van maart 2020, jaargang 61. 

zaterdag 8 februari 2020

Schipperswoning


Niet lang geleden struinden mijn leerlingen door de Groninger archieven, alwaar ze de oprichtingsakte van de school bestudeerden. Het wekte in mij de drang om zélf weer eens het archief in te duiken en ik besloot de geschiedenis van mijn eigen huis te onderzoeken. 

Het is een schipperswoning in een buurt die verrees in de decennia na de Vestingwet van 1874 die het einde betekende van de oude bastions die de stad in toom hadden gehouden als een nauw zittend korset. Eindelijk kon de stad weer ademhalen en groeien.

Handige timmerlieden bedachten zich niet en vroegen bouwvergunningen aan. Een zekere Derk Eisses deed dat in 1882 voor de plek waar ik nu zit. De oorspronkelijke tekening is eenvoudig van opzet: ik herken mijn huis en dat van de buren, hoewel de indeling ietwat veranderd is.

De oorspronkelijke tekening is eenvoudig van opzet


Eén van de eerste bewoners was Lolke Langman. Ik kom hem op het spoor, omdat hij op 16 december 1894 bij de gevonden voorwerpen in het Nieuwsblad van het Noorden een ‘katoenen zakje’ aanbiedt op dit adres. Tot de andere vondsten die dag behoren een gouden oorbelletje, een militaire medaille, een geel, gladharig hondje, een mud haver en een varken. Men verloor nog eens wat in de 19e eeuw.

Dat blijkt eens te meer uit het levensverhaal van Lolke Langman. Hij verliest zijn vrouw Sybrigje als ze nog maar 24 is, maar hertrouwt kort daarop met de 39-jarige Gesina die pas gescheiden was van Gerard die haar mishandelde. Het enige kind waarvan akte is gemaakt, wordt levenloos geboren en blijft zonder naam. Enkele jaren later vertrekt Lolke als sergeant naar de noordelijke kazerne in Groningen.

Het huis wordt daarna gekocht door Wiendelt Drenth en Hendrica Pietersen, die de jaren daarvoor op hun schip woonden en als binnenschippers door heel het land voeren, getuige de geboorteaktes van hun kroost. De kinderen komen overal en nergens ter wereld.

In het voorjaar 1899 treft het noodlot ook deze familie. Twee dochters zwaaien vader, moeder en twee broers uit; het viertal vertrekt per schip naar Rotterdam en kapitein Drenth stuurt de tjalk daarna richting Koningsbergen, het huidige Kaliningrad. Daar nemen Hendrica en de jongste zoon afscheid om per trein terug te reizen naar Groningen. Wiendelt en zijn oudste zoon kiezen opnieuw het ruime sop, ‘met zijn schip beladen met steenen en met bestemming naar Danzig’, maar van het tweetal wordt nooit meer iets vernomen. Het schip vergaat ‘met man en muis’.

Hendrica overleeft haar man meer dan 40 jaar en overlijdt begin 1940 op 82-jarige leeftijd in mijn huis. De rouwadvertentie laat lezen: ‘de teraardebestelling zal plaatshebben a.s. donderdag. Vertrek van huis 10½ uur.’

Ik vond het een tragisch en aangrijpend verhaal. Altijd geldt dat geschiedenis tastbaar wordt als het verhaal van individuen verteld wordt. Gewone mensen worden bijzonder en alledaagse plekken krijgen kleur. We moeten vaker de archieven induiken. En ik neem de leerlingen mee.

Deze column verscheen in Kleio 1, jaargang 61, februari 2020. 

maandag 4 november 2019

In de rij

Ik heb mijn leerlingen altijd gestimuleerd de wereld te verkennen, omdat ik - naar Confucius - meende dat het beter was een mijl te reizen dan duizend boeken te lezen. Maar anno 2019 is mijn aanmoediging niet alleen overbodig - voor veel van mijn leerlingen is een overzeese vakantie de normaalste zaak van de wereld geworden - mijn aanmoediging is vooral misplaatst, want massatoerisme bedreigt de wereld. 

Proppen is het: de toeristen passen bijna niet meer door de trechter van de branche. Het aantal reizigers wereldwijd steeg sinds 1950 van 25 miljoen naar 1.4 miljard. De meeste daarvan togen naar Frankrijk, Spanje, de Verenigde Staten en China. Massatoerisme is een plaag geworden en het merkwaardige is dit: ik hekel het fenomeen, maar sta óók in de rij voor de Sixtijnse Kapel - ik was deze zomer in Italië. 

AP: Climbers on Mount Everest 190522
Zelfs op de hoogste bergtop buitelen toeristen over elkaar
Nirmal Purja | @Nimsdai Project Possible via AP
Maar kijk. Zelfs op de hoogste bergtop buitelen toeristen over elkaar. De suppoosten van het Louvre staakten, omdat de rijen steeds langer en onfatsoenlijker werden. In Dubrovnik worden de inwoners gek van de toenemende stroom Game-Of-Thrones-fans. In Venetië woont bijna geen Venetiaan meer, omdat ze vluchtten voor de rolkoffers en cruiseschepen. Openluchtmuseum Rome kampt met zoveel overlast dat de burgemeester heeft besloten boetes uit te delen voor pootjebaden in de Trevifontein of ijs eten op de Spaanse Trappen.  

Afbeeldingsresultaat voor cruiseschip venetie
In Venetië woont bijna geen Venetiaan meer, omdat ze vluchten voor rolkoffers en cruiseschepen | Foto: EPA
Het is de paradox van het toerisme. Een mooie plek trekt veel mensen waardoor die vanzelf lelijk wordt. De souvenirwinkels, de fastfoodrestaurants en de toeristen zelf: ze zijn lelijk en niet op hun plek. Als mensen op vakantie zijn, zijn ze op hun allerlelijkst. Ze claimen de stad, werken hun to-do-lijstjes af en smelten vervolgens tot hoopjes ellende in de snikhete rij voor een kathedraal. Ze vernielen, vervuilen en overschreeuwen de plekken die ze afvinken. De ziel van de historische plek slijt onder hun voeten tot gruis.

Ach, misschien overdrijf ik een beetje. 

Maar zoals ik zei, ik was in Italië en in de gangen van de Vaticaanse musea bewoog ik me door een woud van rugtassen en selfie-sticks. Het rook er naar zweet en zonnebrandcrème en de kleverige massa trok met gebogen nek en opgeheven stick langs de mooiste kunstschatten, maar vergat te kijken. Alleen het onvermoeibare oog van de camera documenteerde. Toen ik in Florence naar Da Vinci’s eerste penseelstreken stond te gluren, werd ik wegge-psst door een ongeduldige toerist die zijn kinderen op de foto wilde zetten. 

Een woud van rugtassen en selfie-sticks | foto: JP
Ik wil er niet meer aan meedoen. En ik wil dat mijn leerlingen niet zo worden. Het is tijd om Confucius’ woorden te herschrijven, want het is anno 2019 verstandiger een boek te lezen dan duizend mijl te reizen. 

deze column verscheen in
Kleio #6 | jaargang 60 | november 2019

donderdag 12 september 2019

Vrouwen

De statistieken van de onderwijsinspectie zijn zonneklaar: de meisjes hebben de jongens achter zich gelaten. Ze halen sneller hun diploma, stromen minder vaak af, blijven minder vaak zitten en gaan vaker naar havo en vwo. Sinds 2017 is het aantal hoogopgeleiden onder vrouwen zelfs groter dan onder mannen. Maar eenmaal op de arbeidsmarkt legt de vrouw het nog steeds af tegen de man. Vrouwen werken minder, verdienen minder en maken minder snel carrière. Emancipatie is altijd een kwestie van tijd. 

Afbeeldingsresultaat voor 100 jaar vrouwenkiesrecht


Ik bezocht met mijn vierde klassen het Groninger Museum voor de expositie ‘Strijd! 100 jaar vrouwenkiesrecht’. Waar een aantal leerlingen op voorhand wat morde – hier en daar klonken geluiden dat men liever richting de supermarkt ging voor frikadelbroodjes – moesten de meesten nadien toch toegeven dat de korte excursie zeer de moeite waard was. 

Emancipatie begint met het bestuderen van de geschiedenis, zoals Yuval Harari uitlegt in Homo Deus. De ongelijkheid tussen plantage-eigenaar en slaaf, tussen fabrieksdirecteur en arbeider of tussen man en vrouw: het leek een eeuwige, zelfs natuurlijke verhouding. Maar blader je verder terug, dan blijkt dat zulke onrechtvaardigheid is ontstaan door ‘slechts’ een ketting van gebeurtenissen en dus alles behalve eeuwig en natuurlijk is. Pas door herinnering, herdenking en herijking kan de onderdrukte groep zich bevrijden van diezelfde geschiedenis. 

Ik vond dat een mooi inzicht en zo moedigde ik de vierdeklassers aan in hun gesjok door het museum. Omdat ik hen had verzekerd dat de geboden informatie zou terugkomen op de toets, luisterden ze extra aandachtig naar de gids. Gaandeweg vielen de monden open. 

Voor de meeste tieners voelt de wereld zoals die is net zo vanzelfsprekend als voor de meeste tieners van 100 jaar geleden. Het is voor hen daarom haast onvoorstelbaar dat de emancipatie van de vrouw nog maar zo’n recent verschijnsel is. Waar ze in 1919 kiesrecht kreeg, werd de vrouw pas in 1956 wettelijk ‘handelingsbekwaam’: vanaf toen mochten getrouwde vrouwen eindelijk de arbeidsmarkt op, zonder man een reis maken, een bankrekening openen en contracten ondertekenen. 

Afbeeldingsresultaat voor aletta jacobs
Aletta Jacobs
Niets is natuurlijk, want altijd het gevolg van een kettingreactie van gebeurtenissen. En niets is eeuwig, want alles is eeuwig in verandering. De pioniers van emancipatie zijn daarom helden: vrouwen als Aletta Jacobs en Wilhelmina Drucker, vooral omdat ze durfden los te komen van die onbetwistbare vanzelfsprekendheid. Het vereist buitengewoon veel inzicht, maar vooral heel veel lef om je te ontworstelen aan een gegeven, statische werkelijkheid. 

In de laatste ruimte van de tentoonstelling was slechts één object, mooi uitgelicht in het midden van de zaal. Het was de wetswijziging van 1919. Eén van mijn leerlingen stond ernaast. Pas toen zag ik wat op haar T-shirt stond: ‘Girls, the future’. Toevallig, zei ze. Geheel niet, dacht ik. 

zondag 7 juli 2019

Einstein

Het verhaal wil dat Marilyn Monroe Einstein eens voorgelegd zou hebben samen een kind te maken, want, zo legde zij het genie uit, stel je nu eens voor: een kind met jouw genialiteit en mijn schoonheid! 

Gerelateerde afbeelding
Albert Einstein

Monroe was inderdaad een prachtige vrouw en Einstein een geniaal natuurkundige. Hij kwam in mijn les ter sprake, omdat de ESO op 10 april een foto van het zwarte gat van sterrenstelsel Messier 87 publiceerde. Ik liet de afbeelding bij aanvang van een les zien, maar mijn leerlingen reageerden teleurgesteld: is deze onscherpe kiek nou echt een mijlpaal?

Afbeeldingsresultaat voor black hole picture
De foto van het zwarte gat
En zo dwaalde ik van de lesstof af. Ik legde uit dat deze foto de inzichten van Einstein bevestigde, zoals Galileo het heliocentrische wereldbeeld van Copernicus met zijn telescoop bevestigde. Al ruim honderd jaar geleden voorspelde Einstein hoe de ‘event horizon’ van een zwart gat - de lijn waarachter alles zich onttrekt aan onze waarneming - er uit zou zien. Zo dus.

Het is niet de eerste keer dat de inzichten van het Duitse genie jaren na publicatie empirisch bewezen werden. Vier jaar geleden nog werden zwaartekrachtgolven waargenomen - dat had Einstein ook al voorzien. 

Het mooiste voorbeeld is dat van Arthur Eddington, die in 1919 naar het West-Afrikaanse eiland Principe afreisde om de zonsverduistering waar te nemen. Hij deed dat doelbewust om Einsteins algemene relativiteitstheorie van vier jaar eerder te toetsen. Pas bij een verduistering zou zichtbaar worden dat het licht van sterren rond de zon door de massa van diezelfde zon gebogen wordt. Eddington zag inderdaad dat sterren rond de verduisterde schijf nét op een andere plek verschenen dan waar ze hoorden. 

Afbeeldingsresultaat voor arthur eddington
De eclips van 1919

Al veel eerder, in 1905, publiceerde Einstein zijn speciale relativiteitstheorie. Daaruit volgt de zogenaamde tweelingparadox. Het is een gedachte-experiment waarin één broer op hoge snelheid een ruimtereis maakt. Teruggekomen op aarde is hij jonger dan zijn tweelingbroer die thuis bleef.

Toevallig publiceerde NASA twee dagen na de foto van het zwarte gat de resultaten van hun ‘twins study’. Scott Kelly cirkelde bijna een jaar in het International Space Station rond de aarde. Zijn eeneiige tweelingbroer Mark - ook astronaut - bleef thuis. Maar Scott was er allesbehalve jonger op geworden. De onfrisse lucht, het ontbreken van zwaartekracht, maar vooral de ruimtestraling had nogal een slechte invloed op Scotts DNA en cognitie. Hij was eerder ouder geworden.

Afbeeldingsresultaat voor nasa twins study
Mark en Scott Kelly
Had Einstein dan ongelijk? Nee, met de speciale relativiteitstheorie heeft de tweelingstudie natuurlijk niets te maken, maar het maakt de paradox toch wat paradoxaal. 

Overigens, wat betreft het verzoek van Marilyn Monroe: nadat Einstein even na had gedacht, zou hij geantwoord hebben dat hij bang was dat het kind juist háár hersenen en zíjn uiterlijk zou erven. Dat was theoretisch inderdaad goed mogelijk.

vrijdag 10 mei 2019

Stippen

Er bestond ooit een aarde waarop talloze kleine mensengroepen langs elkaar heen bewogen. Het waren nomadische stammen - ronddolende stippen van verschillende kleuren in een immense ruimte. Het grootste deel werd sedentair in de millennia na de landbouwrevolutie. Dat was de eerste keer dat groepen van andere genetische en culturele komaf gingen samenwonen - stippen klonterden samen met andere kleuren. Sindsdien kruipen we in steeds grotere aantallen bijeen, binnen kaders van stadsmuren, natiestaten, uniformering, wetgeving, belastingen, rijken, pacten, federaties en unies.

Het leven werd er met de samenklontering doorgaans niet beter op. In de landbouwsamenlevingen ging de volksgezondheid er aantoonbaar op achteruit door bijvoorbeeld infectieziekten, afgenomen hygiëne of het mislukken van cruciale oogsten. Laatmiddeleeuwse steden, maar ook de industriële steden van de negentiende eeuw laten een soortgelijk patroon zien.

Het was de illusie van meer bestaanszekerheid, dan wel dwang, die ons samenbracht binnen die telkens veranderende, maar steeds groter wordende kaders. De wetmatigheid leert evenwel dat, als dan de bevolking toeneemt, de afhankelijkheid van de nieuwe werkelijkheid óók toeneemt. Je kan niet terug. Althans, niet zonder pijn. Stadsmuren, rijken, pacten en unies brokkelen af door oorlog of pandemieën.

Feit blijft dat we in steeds grotere verbanden zijn gaan samenwerken. En globalisering is daar per definitie de laatste stap in. De wereldeconomie draait in de 21ste eeuw op volle toeren en politieke eenheden zijn continenten groot. Veel grenzen zijn open: mensen migreren voor werk, liefde en een beter bestaan. De stippenklonters zijn enorm rijk geschakeerd geworden en optimisten zijn gaan geloven in de multiculturele samenleving.

Maar hoewel we ons wel laten kaderen binnen grenzen en wetten, onze genetische en culturele komaf slepen we altijd mee. De geschiedenis toont dat minderheden vaak gebukt gingen onder de dominante cultuur. Ze dienden zich aan te passen, ze werden onderdrukt of zelfs uitgeroeid. Het overkwam de indianen en de zwarte bevolking van Amerika, de Slaven in de Donaumonarchie, de Armeniërs in het Ottomaanse Rijk, maar ook de historische vreemdelingen in Nederland - hoe tolerant we ons ook voordeden, alleen als ze nuttig waren, vraten we ze.

Sommige mensen zijn cynisch over de multiculturele samenleving en de ‘global village’: de multiculturele samenleving is gedoemd te mislukken, omdat bepaald gedrag en culturele uitingen ‘hier gewoon niet thuishoren’. Het is altijd ons-kent-ons versus de vreemdeling en we zullen er nooit aan wennen, aan je gekke gedoe. Verdragen is dragen. Tolereren is dulden. Maar eigenlijk motten we je niet.

En toch. De constatering dat het historische pad ons sinds het ontstaan van de mens alleen maar in grotere verbanden bijeenbracht - de pijnlijke, incidentele ontwrichtingen ten spijt - suggereert dat er geen andere weg is dan die naar het mondiale dorp: een bal van aaneengesloten stippen waarop alles thuishoort.

Deze column verscheen in het meinummer van Kleio, jaargang 60, 2019

vrijdag 29 maart 2019

Zinkgat

Wat een onthutsende constatering van Oxfam Novib afgelopen januari: de rijkste 26 bezitten evenveel vermogen als de armste 3,8 miljard mensen. En de kloof groeit. Want vermogen groeit. De Franse econoom Thomas Piketty schreef het al in zijn bestseller Kapitaal van de 21ste eeuw uit 2014: het rendement op vermogen is groter dan de economische groei. Daarom drijven arm en rijk steeds verder uiteen. Jeff Bezos van Amazon, de allerrijkste, zou 4 miljoen door vermogensgroei verdienen. Per uur!

Piketty had de focus ook kunnen leggen op globalisering of automatisering: steeds meer banen zullen verdwijnen - nog een reden dat het zinkgat zal groeien.

Kapitaal brengt als vanzelf Das Kapital van Karl Marx in de herinnering. In Marx’ 19e-eeuwse theorie laat de accumulatietheorie hetzelfde zien: kapitaal zal zich uiteindelijk in handen van een steeds kleinere groep rijken concentreren. Marx voorspelde de revolutie (en inderdaad, revoluties en oorlogen verkleinden de kloof vanaf 1945 tijdelijk), maar Piketty meent pessimistischer te zijn als hij zegt dat de concentratie van rijkdom eeuwig kan doorgaan.

Genoeg theoretici wijzen erop dat egalitaire samenlevingen niet alleen een gezondere populatie, minder criminaliteit en meer geluk (zie: Scandinavië), maar vooral meer groei produceren. Welvaartsgroei ontstaat immers pas als de kwetsbaren geld te besteden hebben, onderwijs kunnen genieten en deel kunnen nemen aan het politieke proces.

Amerika dient zich aan als historische case-study. Toen Columbus in 1492 land in zicht kreeg, floreerden de dichtbevolkte beschavingen van Zuid-Amerika - het dunbevolkte Noord-Amerika was minder ontwikkeld en welvarend. In de eeuwen die erop volgden kantelde dat beeld. De egalitaire kolonisten-samenleving van Noord-Amerika kreeg de wind in de zeilen. Het uitgebuite zuiden kreeg economisch zwaar weer, inderdaad, door de politieke en economische ongelijkheid.  

Nivelleren dus, want het gat moet stoppen met groeien, nog liever: kleiner gemaakt. In lijn met Oxfam Novib had historicus Rutger Bregman de ballen om op het World Economic Forum in Davos het verboden woord ‘belastingen’ te benoemen. Zijn punt: hun filantropie ten spijt, de allerrijksten en de multinationals moeten over de brug komen. De werkelijkheid is deze: internationaal neemt de belastingdruk voor de rijken de laatste decennia alleen maar af en bedrijven als Apple en Starbucks vluchten naar schimmige belastingparadijzen als Bermuda, de Kaaimaneilanden en Nederland.

Maar er bestaat geen stinkend geld voor de verkoper. En de politiek is passief, want de geldelijke banden zijn te sterk. Moeten we dan vrezen dat pas als het kapitaal (opnieuw) aangewend moet worden om tóch een opstand of oorlog te bezweren, het tijd is voor een (opnieuw tijdelijke) meer gelijke wereld? Of is het dit keer erger en groeit het gat eeuwig door?

Gepubliceerd in Kleio, het tijdschrift voor docenten geschiedenis

zaterdag 16 februari 2019

Brioche

"Qu'ils mangent de la brioche!", zou Marie Antoinette gezegd hebben toen ze hoorde dat de Fransen geen brood meer hadden: laat ze dan brioche (luxe wittebrood) eten. De vorstin sprak ze waarschijnlijk nooit, maar de woorden illustreren niettemin een van de voornaamste grieven van de Franse revolutionairen: de decadente elite in Versailles stond mijlenver af van de massa van de Derde Stand.


'Wat is de Derde Stand?', politiek pamflet uit januari 1789
Qu’est-ce que le Tiers-État? Tout.

We zijn tweehonderd jaar verder. De liberale geest rekende af met absolutistische en conservatieve vorstenhuizen, later met fascistische en communistische dictaturen. Dertig jaar geleden kondigde Francis Fukuyama daarom het einde van de geschiedenis aan: de liberale democratie was na het uiteenvallen van de Sovjetunie als overwinnaar uit de bus gekomen.

Maar zo definitief lijkt de liberale victorie niet. De ooit zo zwaar bevochten constitutionele democratie is de afgelopen tijd steeds meer gaan wankelen door de populistische anti-establishment-bewegingen. Mensen roepen almaar luider om een sterke man (of vrouw) om het bestel eens flink op te schudden. Ze zijn de gevestigde elite beu.

En waarom? Eenvoudigweg omdat de liberale democratie haar belofte niet nakomt: welvaart voor iedereen. Politici wordt bovendien verweten losgezongen te zijn geraakt van de massa - het is een geprivilegieerde club van hoogopgeleide, stedelijke lieden die hun oor laten hangen naar die andere elites, die van Europa en het bank- en bedrijfsleven.

Die massa noemde Guy Standing in 2011 het precariaat. Volgens hem een ‘nieuwe, gevaarlijke klasse’, die genoeg zou hebben van een ‘absurd rijke elite’. Precariaat is een portmanteau van precair en proletariaat: het is een groeiende groep, kwetsbaar door tanende sociale zekerheid, slecht betaalde, tijdelijke banen en weinig politieke zeggingskracht.



Boven: bestorming van de Bastille, 1789 / Onder: 'gele hesjes' in Parijs, 2018 © AFP

Zoals de 18e-eeuwse Derde Stand een pluriforme club was van boeren, stedelijke werklieden en de bourgeoisie, zo is het precariaat dat ook. De klachten van de Franse ‘gele hesjes’ waren zeer divers, zoals de wensen van de Derde Stand aan de vooravond van de Franse Revolutie - bewaard gebleven in de Cahiers des Doléances, de klaagbrieven van 1789 - dat ook waren. Die liepen uiteen van het slopen van duiventorens (omdat adellijke duiven de zaden en granen van de velden pikten), het afschaffen van de financiële privileges van de elite, tot simpelweg, meer politieke invloed.

Dat klinkt bekend. Bestaansonzekerheid, belastingvoordelen voor de rijken, het gevoel hebben dat je niet gehoord wordt, een afstandelijke bovenlaag: het is wat de massa grieft. Toen Macron afgelopen jaar voor een half miljoen een servies aanschafte voor zijn Élysée-paleis was het alsof hij zei: laat ze maar brioche eten!

Eerder gepubliceerd in Kleio no. 2, 2019

maandag 24 december 2018

Dylan


De albumhoes van Blonde on Blonde (1966)
Blonde on Blonde van Bob Dylan behoort al meer dan twintig jaar tot mijn favoriete albums. Ik kopieerde de muziek van cd op een TDK-cassette en speelde die op mijn walkman als ik folders langs bracht in het dorp. Het verlichtte de helse klus.

Mijn leerlingen luisteren nauwelijks nog cd’s, cassettebandjes zijn in onbruik geraakt, maar ze houden wel van muziek - de oordopjes gaan soms maar moeilijk uit. Tot mijn grote geluk is mijn lokaalcomputer aangesloten op een ouderwetse stereotoren met in elke hoek van de ruimte een prima speaker. Ik maak daar dankbaar gebruik van. De lesstof hoeft maar een zijdelingse aanleiding te geven tot het draaien van muziek of ik zoek een passend nummer op YouTube of Spotify. Soms draai ik ook mijn eigen playlists als de leerlingen aan het werk zijn.

Blonde on Blonde heb ik nog niet opgezet. Misschien omdat het te persoonlijk is. Nog steeds weet ik precies bij welke woorden in het nummer Just Like A Woman de A-kant afliep en ik het cassettebandje moest omdraaien. Ik wilde lijken op de Dylan van de magische hoes en liet mijn krullen langer groeien. Ik speelde met mijn band nummers van die plaat en mocht zelfs het surrealistische I Want You op de bruiloft van een vriend spelen. Nog steeds draai ik het album, meestal in de auto, want het verveelt nooit.

Dylans album werd een levensgezel. Zet ik het album op, dan ruik ik een fruitschaal vol herinneringen. Ik fiets weer door die nieuwbouwwijk van het dorp, de folders aan het stuur. Ik raak even uit balans door een flard van die ene avond met een geliefde. Ik zit weer in de auto op die lange brug naar Zweden.

In het lokaal is de sfeer ontspannen - mijn Spotify als behang. Af en toe draai ik aan de volumeknop, vertel dan een anekdote met de stiekeme hoop de leerlingen op een spoor te zetten. Ze laten mij ook hun muziek horen - hun smaakt loopt uiteen van Billy Joel tot K-pop. Ik snap niet alles en dat hoort zo: zelf leende ik ook eens een cd uit aan mijn eigen leraar geschiedenis. Die cd snapte je alleen als je wiet rookte. Hij gaf mij ook een cd uit zijn collectie te leen.

‘Dit moet je eens luisteren’, zei hij toen hij de cd tevoorschijn haalde uit zijn tas. Het was Blonde on Blonde van Bob Dylan. Eigenlijk zei hij: ‘Hier, ga maar herinneringen maken.’