vrijdag 2 november 2018

Zet die bril eens af

De beste demografische voorspellingen zeggen dat er in 2100 zo’n 11 miljard mensen op aarde zullen wonen. Slechts iets meer dan 2 miljard daarvan lopen op het Europese en Amerikaanse continent. De andere 9 miljard wonen vooral in Azië en Afrika. Vergeet het westen. De potentie van de nabije toekomst woont elders.

Afrikaanse landen groeien het snelst en India gaat China voorbij in inwonertal, zeggen de prognoses. Maar het is de Chinese economie die onstuitbaar is. Het is niet de vraag of China de grootste economie ter wereld zal gaan worden, het is de vraag wanneer. De wereld zal economisch en wie weet niet veel later cultureel en zelfs politiek onder invloed staan van een eenpartijstaat van communistisch allooi.

Winston Churchill noemde de democratie het slechtste politieke systeem op de andere na. Het ‘vrije Westen’ heeft zijn favoriete mythe van Verlichtingsidealen, democratie en het neoliberalisme veel landen door de strot geduwd, maar in Afrika hebben die idealen tot weinig stabiliteit geleid. En in China geloven ze in een andere mythe. Misschien wel de slechtste, op de andere na.

Winston Churchill
"It has been said that democracy is the worst form of government except all the others that have been tried."

Ik keek ter voorbereiding op een lessenserie over China de TED-talk ‘A tale of two political systems’ van Eric X. Li, een durfkapitalist uit Shanghai. De avond erop hield ik een pleidooi voor het politieke systeem van de Volksrepubliek China. Mijn vrienden zeiden: ‘Echt? Ben je nu China aan het verdedigen? Vertel dat al die politieke gevangen maar eens!’

Wat Li liet zien was hoe flexibel en vooruitkijkend de communistische partij in haar koers is geweest de afgelopen 70 jaar - niet star en rigide. Hij liet zien hoe de belangrijkste partijleden meestal niet uit hoge kringen voortkomen, maar promoveren op hun merites van tientallen jaren hard werken. En wat de legitimiteit van de partij betreft, die komt voort uit competentie. Steeds minder Chinezen leven in armoede - de welvaart neemt enorm snel toe. De partij lijkt zijn werk goed te doen.

Maar er worden mensenrechten geschonden. Activisten verdwijnen achter tralies. De politie heeft vrij spel. De staat weet alles. Ja, dat is ook China.

Maar zijn onze westerse leiders flexibel? Misschien, maar dan op korte termijn. Komen onze leiders door hard werken op hun positie? Ik denk vooral met geld en de juiste kruiwagens. Zijn onze leiders competent? In de Verenigde Staten regeert een clown.

Die westerse bril zit stevig op de neus. We moeten die eens loswrikken en opnieuw naar de andere continenten kijken, want ze zijn straks met veel meer.

gepubliceerd in Kleio, november 2018

vrijdag 7 september 2018

Het ging een beetje snel allemaal

‘Today Apple is going to reinvent the phone’, zei Steve Jobs in 2007 bij de presentatie van de iPhone die later dat jaar in Europa werd geïntroduceerd. Onderwijsoptimisten wezen op de enorme mogelijkheden van het apparaat. Maar al snel verschenen ook de eerste onderzoeken die waarschuwden voor de nadelige gevolgen van de smartphone in het onderwijs. Niemand die het echt wist.

Steve Jobs presenteert de eerste iPhone in 2007

Tien jaar later heeft volgens het CBS 98,6% van de Nederlandse tieners een smartphone. Je kan het ze haast niet kwalijk nemen, maar mijn leerlingen zijn verslingerd aan hun telefoon en dat knaagt aan ze. Eind vorig jaar liet een onderzoek onder 1300 Nederlandse docenten dat nog zien: smartphonegebruik gaat volgens hen ten koste van concentratie, huiswerk, fantasie en uiteindelijk van resultaten.

Er verschijnen steeds meer, vooral Amerikaanse, onderzoeksresultaten. De universiteit van Illinois toonde recentelijk een correlatie tussen smartphone-verslaving en depressie. Texaans onderzoek zegt dat alleen al de aanwezigheid van de telefoon - zichtbaar, maar ook in de broekzak - cognitieve prestaties vermindert. Een studie onder een miljoen Amerikaanse jongeren toont aan dat tieners die veel buiten zijn, anderen ‘in het echt’ treffen, die sporten en lezen, veel gelukkiger zijn dan ‘schermtieners’.

Daartegenover staan maar weinig positieve geluiden. Natuurlijk, er wordt van alles ontwikkeld waar het onderwijs baat bij zou kunnen hebben - differentiëren wordt gemakkelijker, het kan de les aantrekkelijker maken, het maakt communicatie eenvoudiger - maar wat hebben we liever: een kind dat via een gepersonaliseerd traject wiskunde leert, een coole quiz-app gebruikt om Duitse woordjes te stampen en het lesrooster in de handpalm heeft, of, doodsimpel, een gelukkig, gezond en geconcentreerd kind?

Zij die aan de wieg van de nieuwe technologie stonden geven als ouders een duidelijk signaal. Bill Gates verbood zijn kinderen een telefoon tot hun veertiende. Steve Jobs verbood zijn kinderen de iPad te gebruiken. Chamath Palihapitiya (Facebook) noemde het bedrijf dat hij groot maakte ‘sociaal ontwrichtend’. Hij zei: “It is eroding the core foundations of how people behave by and between each other. I can’t control them. (...) I can control my kids’ decisions, which is that they’re not allowed to use that shit.” Als de bakkerskinderen niet van het gebak mogen eten, vind ik de taart verdacht.

Het is zoeken naar een nieuwe balans. De smartphone is een handig ding, maar de generatie die er mee opgroeide is er niet altijd ten goede mee verweven geraakt. Afgelopen decennium overkwam ons - het ging een beetje snel allemaal, maar de onderzoeken liegen niet. Laten we dus het telefoonbeleid op school nog eens nader bekijken.

Deze column verscheen in Kleio, september 2018

Bekijk ook een de site van Center for Humane Technology, opgericht door belangrijke personen in de Amerikaanse technologiesector - een groep die zich serieus zorgen maakt.

donderdag 6 september 2018

Slecht beleid vernielt het onderwijs


Deze recensie verscheen in het septembernummer van het Onderwijsblad, een uitgave van de AOb

Ton van Haperen toont in zijn jongste boek waar het onderwijs faalt, complimenteert geschiedenisleraar en collega-publicist Jelte Posthumus. Maar een beetje zelfreflectie was wel op zijn plaats geweest.

De vader die rector was, de onderwijscommissies Rinnooy Kan en Dijsselbloem, het bildungsideaal, het begrip praktijkkennis: de proloog van Het bezwaar van de leraar, het tweede boek van Ton van Haperen, is een wilde aaneenschakeling van geschiedenis, theorie en persoonlijke anekdotes. In de hem zo kenmerkende staccato stijl vergelijkt de leraar economie en Onderwijsblad-columnist het Nederlandse onderwijs op onnavolgbare wijze met Congo en gebruikt hij de econooom Lans Bovenberg om het bestuurlijk falen in het Nederlandse onderwijs te duiden. Tussendoor ontmoeten we de jonge Van Haperen voor de klas, in de kroeg en tot laat in de avond achter zijn typemachine. Op wat schoonheidsfoutjes na, blijkt hij geknipt voor het vak. Dertig jaar later beheerst Van Haperen het kunstje. ‘Tot in de puntjes’, schrijft hij later.

Pas na enig doorlezen wordt de insteek van het boek helder. De schrijver heeft genoeg van de valse beeldvorming rond het onderwijsvak en wil praten over ‘zaken rond het beroep leraar die echt misgaan’. Zijn bezwaar is drieledig en betreft de rol van schoolbesturen, de uitstroom van academici en de cijfercultuur. Van Haperen heeft gelijk: dat het Nederlandse onderwijs de laatste decennia zo aan kwaliteit heeft ingeboet, vindt vooral in die drie fenomenen zijn oorsprong.

Hij zet de schoolbesturen in het eerste hoofdstuk neer als middeleeuwse organisaties van ‘roof en medelijden’. De functiemix is een terecht voorbeeld. Besturen hebben een zak geld, maar halen de gestelde schalingsquota niet - ze roven en delen uit naar welgevallen. De moderne schooldirecteur komt uit een ‘sekte van leidinggevenden’ die onderling de baantjes verdelen en elkaar in rap tempo opvolgen. Van Haperen concludeert: ‘borderline en narcisme vertegenwoordigen het repeterend bederf’. Zulke krasse uitspraken verbazen niet uit de pen van deze schrijver. Vooral aan het einde van het hoofdstuk is Van Haperen op dreef en krijgt het boek eindelijk tempo. Hij pleit voor terugkeer van ‘governance’ naar ‘government’. De overheid moet weer gaan over het geld, niet de schoolbesturen.

Tweedegraads docenten, of ‘jeugdwerkers’, zoals Van Haperen de niet-academici noemt, doen er verstandig aan het boek niet open te slaan. Soms nuanceert hij, maar vaker klinkt Van Haperen denigrerend, bijvoorbeeld als hij spreekt van ‘kenniskabouters’. Zelf is de schrijver natuurlijk ‘geen kabouter, maar een erudiete man’. Hij constateert: ‘mijn type leraar schuifelt richting nooduitgang’. Natuurlijk heeft Van Haperen een punt. Alexander Rinnooy Kan pleitte in 2008 al voor meer academici voor de klas. Ronald Plasterk maakte daarvoor 1 miljard euro vrij. Het bleek tevergeefs: een kwart van de academici zwaait al na vijf jaar af. Van Haperen legt uit wat de oorzaak is van deze uitstroom via de term ‘averechtse selectie’: slecht is normaal geworden en daardoor zien steeds minder universitair opgeleide docenten het onderwijs zitten.



Aan het einde van het boek richt Van Haperen zijn pijlen op de cijfercultuur. Hij beschrijft het verschijnsel 'teaching to the test': leraren bereiden hun leerlingen voor op gestandaardiseerde toetsen. Niettemin worden de resultaten aantoonbaar minder, ook op de centrale examens. Van Haperen weet hoe het zit: het idee van meten is weten, is doorgedrongen tot in de poriën van het onderwijs. Het heeft geresulteerd in een dichtgetimmerd geheel van PTA’s, studiewijzers, taal- en rekentoetsen en leerlingvolgsystemen. Kwantiteit staat boven kwaliteit in deze afrekencultuur - het is het bekende verhaal.

Bombarderen
Van Haperen zet in zijn epiloog in enkele pagina’s zijn oplossingen uiteen. Hij is resoluut en pleit voor ‘bombarderen en opnieuw beginnen’. Het lege gebouw moet gevuld met goede docenten, beloond naar opleiding. En natuurlijk moet de overbetaalde bestuurder wegwezen, de werkdruk omlaag door docenten geen ‘maatschappelijke opdrachten’ te geven, de klassengrootte beperkt, en de schoolleiding bemand door goede leraren. Het is een snelle opsomming. De oplossing ‘bombarderen en opnieuw beginnen’ is onrealistisch. Van Haperen had wat mij betreft nog enkele hoofdstukken aan een meer haalbare visie mogen wijden.

Dat is misschien ook mijn bezwaar tegen Het bezwaar. Van Haperen weet heel goed aan te wijzen wat er mankeert aan het onderwijs, maar het blijft ergens steken. Hij maakt zichzelf als connaisseur minder geloofwaardig door enerzijds vol bravoure op te geven over zijn eigen prestaties als docent (‘Ik geef mijn vijftien lessen in drie dagen, doe dat met groot gemak en erg veel plezier.’), maar anderzijds zichzelf neer te zetten als iemand die maar niet wil passen, ruziemaakt, vergaderingen overslaat, geen studiewijzers gebruikt en toetst wanneer het hem schikt. Ook al schrijft hij dat ‘alleen door het koesteren van wederkerigheid van die relaties’ de organisatie functioneert, Van Haperen wil zelf maar niet deugen. De guerrilla-stand waarin de schrijver al decennia zegt te staan is dan ook het onderliggende thema van het boek. Zijn ‘kutstukjes’ zorgen er zelfs voor dat zijn dochter naar een andere school moet.

Halverwege het boek benoemt Van Haperen dat persoonlijke thema: ‘Die wederkerigheid, of liever, het gebrek daaraan in de onderlinge relatie in de organisatie, is overigens ook het probleem waar dit boek over gaat.’ Het bezwaar van de leraar laat goed zien hoe het onderwijssysteem faalt, maar gaat ook over de persoonlijke oorlog die de rebel Ton van Haperen al jaren voert.

Het Onderwijsblad verloot vijf exemplaren van Het bezwaar van de leraar (Amsterdam University Press, ISBN 9789462988637, € 14,99) onder lezers. Stuur voor 16 september een mailtje met je naam en adres naar onderwijsblad@aob.nl, onder vermelding van ‘Boek Ton van Haperen’.

zaterdag 23 juni 2018

Misschien is het prachtig

Ik las het boekenweekessay van Jan Terlouw. Daarin zegt hij dat onze emoties nauwelijks verschillen met die van mensen duizenden jaren geleden. We zijn nog ‘even moedig en laf, even genereus en hebzuchtig’. Historische figuren, tja, het zijn nét mensen. Terlouw constateert bovendien dat, terwijl onze emoties nog dezelfde zijn, de technologie ons voorbij is geraasd. Onze ‘ouderwetse’ emotionele gereedschapskist is niet toereikend in de wereld van nieuwerwetse technologie.

Misschien bedoelt Terlouw dat de mens uit is op directe behoeftebevrediging en lak heeft aan de uitputting van de aarde. De wereld was tientallen duizenden jaren min of meer statisch, maar technologische innovatie bracht ons in anderhalve eeuw de fabrieken, de auto, de atoombom, de televisie, het internet en de smartphone - maar wat vraagt dat van ons? Hoe moeten wij ons verhouden tot technologie?

Het boekenweekessay
Jack Ma, de oprichter van het Chinese miljardenbedrijf Alibaba, biedt een inzicht. Hij zegt dat we dát moeten leren en onderwijzen wat machines nooit zullen kunnen. Hij noemt onafhankelijk denken, sporten, schilderen, musiceren en het leren van waarden als voorbeeld. We moeten, kortom, de technologie voorblijven op die vlakken waarop we ons als mens altijd zullen onderscheiden.
Jack Ma

Prima, maar machines musiceren, sporten en schilderen toch al? En bovendien, ze lijken juist steeds meer onafhankelijk te kunnen denken. Kunstmatige intelligentie behoort tot de meest opzienbarende ontwikkelingen van de afgelopen decennia. In 1997 versloeg
Deep Blue de wereldkampioen schaken, Gary Kasparov. Daarna richtten de technologen zich op Go, een Aziatisch spel dat, vanwege de variaties, ‘schaken in het kwadraat’ genoemd mag worden. In 2015 nam AlphaGo het op tegen Lee Sedol, op dat moment de beste Go-speler op aarde. Ik zal de uitslag niet weggeven, maar raad bij deze de prachtige documentaire AlphaGo aan, waarin de tweekamp wordt getoond.

Lee Sedol
Het verhaal bevestigt wat Jack Ma zei: we willen de technologie voorblijven. De honderden miljoenen kijkers wilden niets liever dan dat Lee Sedol zou winnen. De mens mocht en zou niet het onderspit delven tegen de machine. Ook liet de documentaire zien dat we het geen probleem vinden als de kunstmatige intelligentie ons iets leert. De buitengewone zetten waar AlphaGo mee op de proppen kwam verbaasden iedereen, maar boden prachtige inzichten in het spel.

En dat is wat we mogen hopen. Dat is wat Terlouw mag hopen. Dat technologie ons inzichten gaat bieden en schoonheid gaat brengen. De documentaire sluit af met de woorden ‘Misschien ontdekt het wat wij niet konden. En misschien is het prachtig.'

Deze column werd eerder gepubliceerd in Kleio, het tijdschrift van VGN Kleio, de vereniging van de docenten geschiedenis en staatsinrichting

donderdag 5 april 2018

Kijken of wijken

In januari haalde Manchester Art Gallery Waterhouse’s ‘Hylas en de nimfen’ van de muur. Het zou te seksistisch zijn. Joep van Lieshouts ‘Domestikator’ werd eind vorig jaar geweigerd in Parijs. Critici noemden het aanstootgevend. Harma Heikens’ ‘Toys in the Attic’ werd twee jaar geleden verwijderd van het Groningse Noorderzon-festival. De organisatie zei dat, na bedreigingen, de veiligheid van het festival in het geding kwam. De lijst van deze relatief nieuwe censuur wordt steeds langer.

Hylas en de Nimfen - John William Waterhouse (1896)

Met het weigeren van controversieel werk en het verdwijnen van kunstwerken in kelders lijkt het alsof de kunstwereld in de greep van burgerlijke correctheid is geraakt. Kunst wordt van de muur gehaald, omdat bepaalde groepen in de samenleving aanstoot nemen aan de inhoud ervan. Schoonheid verliest van, noem het politiek. Mankeert er iets aan een cultuur die zichzelf niet toestaat geshockeerd te worden of misschien zelfs seksueel opgewonden te raken door kunst? Ik denk het wel.

Toys in the Attic - Harma Heikens (2014)

Mijn primaire reactie is dat kunst om haar inhoud nooit achter tralies mag verdwijnen - hoe aanstootgevend ook. Laat de bezoeker zelf bepalen wat hij van het kunstwerk vindt. De keuze is aan hen: kijken of wijken. Mijn secundaire reactie fluistert dat er ergens ook een grens is. Kunst moet geen misdaad worden, kort gezegd, maar de kunstenaar moet wel altijd grenzen blijven opzoeken en mag nooit - door truttige behoudendheid gedwongen - het front terugtrekken naar werk dat op geen enkele manier mogelijk zou shockeren.

Relatief nieuw, zei ik. Natuurlijk, censuur is van alle tijden, maar meestal waren het toch overheden die bepaalden wat wel en niet verbeeld, geschreven of verfilmd mocht worden. Zij schreven de mensen hun politieke of morele smaak voor, niet andersom. Censuur in beide vormen is foute boel.

Domestikator - Joep van Lieshout (2017)

Deze nieuwe censuur is vooral een knieval uit commerciële belangen. Musea zijn gesubsidieerde instituten en bezoekersaantallen zijn cruciaal. Kunst moet de massa behagen. Als de ‘gewone man’ zich zou distantiëren van een museum door één omstreden schilderij, dan worden de targets misschien niet gehaald. Voorkomen dus: haal weg dat doek!

Overigens, ‘Hylas en de nimfen’ werd al snel weer uit de kelder gehaald en teruggehangen. Slim: alleen maar meer bezoekers. Het omstreden werk van Van Lieshout kreeg alsnog een plek in Parijs. De ‘cultural leaders’ geraken in een vermakelijke spagaat tussen de onaantastbare kunst, de tere publieksziel en de jaarlijkse cijfers. Wat betreft de Groningse kunstenares Harma Heikens: zij trok zich terug uit de wereld van ‘Kunst-met-een-grote-K’ en omzeilt nu de instanties. De kunstenares week, waar de musea toegaven aan een publiek dat had moeten wijken.

Eerder gepubliceerd in Kleio, het tijdschrift van VGN Kleio

vrijdag 16 februari 2018

Appongeluk en plofklas

Het gebeurt steeds vaker dat ik een auto inhaal op de A7 van Groningen naar Drachten en in het voorbijgaan zie dat de bestuurder de ogen niet op de weg, maar op het scherm van zijn telefoon heeft gericht. Ik voel dan soms een lichte neiging mijn Friese vlag uit de kofferbak te pakken en de weg te blokkeren, maar ik ben niet gek. Appongeluk is volgens Van Dale het woord van het jaar 2017. Vergeleken met vier jaar geleden is het aantal verkeersongelukken toegenomen met een kwart. Volwassenen zeuren graag over de mobielverslaving van kinderen, maar in hun eigen handen is de smartphone een dodelijk instrument.

Het Genootschap Onze Taal riep op zijn beurt plofklas uit tot het woord van 2017. Online werden leraren opgeroepen te stemmen. Nepnieuws en genderneutraal werden daardoor ruimschoots verslagen. Al in 2013 dook het neologisme plofklas op, maar met de stakingen van afgelopen jaar kwam het woord opnieuw in zwang. Opvallende andere kanshebber was de weigeroma: de grootmoeder die geen zin meer heeft altijd op haar kleinkinderen te moeten passen.

Een tijdsbeeld in nieuwe woorden. De ouders droppen de kleinste kinderen tegen haar zin bij de weigeroma, gaan whatsappend richting werk, terwijl hun oudere kinderen genderneutraal onderwijs genieten in een plofklas waar ze worstelen met nepnieuws.


Het woord plofklas prikkelt de fantasie: alsof het klaslokaal tot het plafond volgestouwd is met pubers, de muren bollen en de boel bijkans op springen staat. Voor zowel leerling als docent is de plofklas een crime. Met soms wel tien verschillende plofgroepen is het voor een docent onmogelijk de individuele voortgang in kaart te krijgen. Bovendien, des te groter de klassen, des te meer werk op het bureau eindigt.

Leerlingen die in 2000 geboren werden, bereiken dit jaar de volwassen leeftijd. De smartphone is onlosmakelijk verbonden met hun leven: altijd op zak, nu in het klaslokaal, straks in de auto. Het getuigt van enorme daadkracht dat de Franse president Macron een algeheel verbod van telefoons op school instelde.

Er is veel voor te zeggen zo’n verbod ook in Nederland in te voeren. In de pauzes zie je liever leerlingen praten dan appen. Er wordt getreiterd in de WhatsApp-groep. En bovenal: je wilt als docent de volle aandacht en concentratie van je klas. Van je plofklas inderdaad.

Maar krijgen we de ouders zover? Straks zul je zien dat juist zij in opstand komen tegen zo’n voorstel: ze willen de kinderen immers altijd kunnen bereiken. Zelfs vanuit de auto.

Gepubliceerd in Kleio (februari 2018)
-->