Deze recensie verscheen in het septembernummer van het Onderwijsblad, een uitgave van de AOb
Ton van Haperen toont in
zijn jongste boek waar het onderwijs faalt, complimenteert geschiedenisleraar
en collega-publicist Jelte Posthumus. Maar een beetje zelfreflectie was wel op
zijn plaats geweest.
De vader die rector was,
de onderwijscommissies Rinnooy Kan en Dijsselbloem, het bildungsideaal, het begrip
praktijkkennis: de proloog van Het bezwaar van de leraar, het
tweede boek van Ton van Haperen, is een wilde aaneenschakeling van
geschiedenis, theorie en persoonlijke anekdotes. In de hem zo kenmerkende
staccato stijl vergelijkt de leraar economie en Onderwijsblad-columnist
het Nederlandse onderwijs op onnavolgbare wijze met Congo en gebruikt hij de
econooom Lans Bovenberg om het bestuurlijk falen in het Nederlandse onderwijs te
duiden. Tussendoor ontmoeten we de jonge Van Haperen voor de klas, in de kroeg
en tot laat in de avond achter zijn typemachine. Op wat schoonheidsfoutjes na,
blijkt hij geknipt voor het vak. Dertig jaar later beheerst Van Haperen het
kunstje. ‘Tot in de puntjes’, schrijft hij later.
Pas na enig doorlezen wordt
de insteek van het boek helder. De schrijver heeft genoeg van de valse
beeldvorming rond het onderwijsvak en wil praten over ‘zaken rond het beroep
leraar die echt misgaan’. Zijn bezwaar is drieledig en betreft de rol van
schoolbesturen, de uitstroom van academici en de cijfercultuur. Van Haperen
heeft gelijk: dat het Nederlandse onderwijs de laatste decennia zo aan
kwaliteit heeft ingeboet, vindt vooral in die drie fenomenen zijn oorsprong.
Hij zet de schoolbesturen in
het eerste hoofdstuk neer als middeleeuwse organisaties van ‘roof en medelijden’.
De functiemix is een terecht voorbeeld. Besturen hebben een zak geld, maar
halen de gestelde schalingsquota niet - ze roven en delen uit naar
welgevallen. De moderne schooldirecteur komt uit een ‘sekte van
leidinggevenden’ die onderling de baantjes verdelen en elkaar in rap tempo
opvolgen. Van Haperen concludeert: ‘borderline en narcisme vertegenwoordigen
het repeterend bederf’. Zulke krasse uitspraken verbazen niet uit de pen van
deze schrijver. Vooral aan het einde van het hoofdstuk is Van Haperen op dreef
en krijgt het boek eindelijk tempo. Hij pleit voor terugkeer van ‘governance’
naar ‘government’. De overheid moet weer gaan over het geld, niet de
schoolbesturen.
Tweedegraads docenten, of
‘jeugdwerkers’, zoals Van Haperen de niet-academici noemt, doen er verstandig
aan het boek niet open te slaan. Soms nuanceert hij, maar vaker klinkt Van
Haperen denigrerend, bijvoorbeeld als hij spreekt van ‘kenniskabouters’. Zelf
is de schrijver natuurlijk ‘geen kabouter, maar een erudiete man’. Hij
constateert: ‘mijn type leraar schuifelt richting nooduitgang’. Natuurlijk
heeft Van Haperen een punt. Alexander Rinnooy Kan pleitte in 2008 al voor meer
academici voor de klas. Ronald Plasterk maakte daarvoor 1 miljard euro vrij.
Het bleek tevergeefs: een kwart van de academici zwaait al na vijf jaar af. Van
Haperen legt uit wat de oorzaak is van deze uitstroom via de term ‘averechtse
selectie’: slecht is normaal geworden en daardoor zien steeds minder
universitair opgeleide docenten het onderwijs zitten.

Aan het einde van het boek
richt Van Haperen zijn pijlen op de cijfercultuur. Hij beschrijft het
verschijnsel 'teaching to the test': leraren bereiden hun
leerlingen voor op gestandaardiseerde toetsen. Niettemin worden de resultaten
aantoonbaar minder, ook op de centrale examens. Van Haperen weet hoe het zit:
het idee van meten is weten, is doorgedrongen tot in de poriën van het
onderwijs. Het heeft geresulteerd in een dichtgetimmerd geheel van PTA’s,
studiewijzers, taal- en rekentoetsen en leerlingvolgsystemen. Kwantiteit staat
boven kwaliteit in deze afrekencultuur - het is het bekende verhaal.
Bombarderen
Van Haperen zet in zijn
epiloog in enkele pagina’s zijn oplossingen uiteen. Hij is resoluut en pleit
voor ‘bombarderen en opnieuw beginnen’. Het lege gebouw moet gevuld met goede
docenten, beloond naar opleiding. En natuurlijk moet de overbetaalde bestuurder
wegwezen, de werkdruk omlaag door docenten geen ‘maatschappelijke opdrachten’
te geven, de klassengrootte beperkt, en de schoolleiding bemand door goede
leraren. Het is een snelle opsomming. De oplossing ‘bombarderen en opnieuw
beginnen’ is onrealistisch. Van Haperen had wat mij betreft nog enkele
hoofdstukken aan een meer haalbare visie mogen wijden.
Dat is misschien ook mijn
bezwaar tegen Het bezwaar. Van Haperen weet heel goed aan te
wijzen wat er mankeert aan het onderwijs, maar het blijft ergens steken. Hij
maakt zichzelf als connaisseur minder geloofwaardig door enerzijds vol bravoure
op te geven over zijn eigen prestaties als docent (‘Ik geef mijn vijftien
lessen in drie dagen, doe dat met groot gemak en erg veel plezier.’), maar
anderzijds zichzelf neer te zetten als iemand die maar niet wil passen, ruziemaakt,
vergaderingen overslaat, geen studiewijzers gebruikt en toetst wanneer het hem
schikt. Ook al schrijft hij dat ‘alleen door het koesteren van wederkerigheid
van die relaties’ de organisatie functioneert, Van Haperen wil zelf maar niet
deugen. De guerrilla-stand waarin de schrijver al decennia zegt te staan is dan
ook het onderliggende thema van het boek. Zijn ‘kutstukjes’ zorgen er zelfs
voor dat zijn dochter naar een andere school moet.
Halverwege het boek benoemt
Van Haperen dat persoonlijke thema: ‘Die wederkerigheid, of liever, het gebrek
daaraan in de onderlinge relatie in de organisatie, is overigens ook het
probleem waar dit boek over gaat.’ Het bezwaar van de leraar laat goed zien hoe
het onderwijssysteem faalt, maar gaat ook over de persoonlijke oorlog die de
rebel Ton van Haperen al jaren voert.
Het Onderwijsblad
verloot vijf exemplaren van Het bezwaar van de leraar (Amsterdam University Press, ISBN 9789462988637, € 14,99) onder lezers. Stuur
voor 16 september een mailtje met je naam en adres naar onderwijsblad@aob.nl,
onder vermelding van ‘Boek Ton van Haperen’.