vrijdag 2 november 2018

Zet die bril eens af

De beste demografische voorspellingen zeggen dat er in 2100 zo’n 11 miljard mensen op aarde zullen wonen. Slechts iets meer dan 2 miljard daarvan lopen op het Europese en Amerikaanse continent. De andere 9 miljard wonen vooral in Azië en Afrika. Vergeet het westen. De potentie van de nabije toekomst woont elders.

Afrikaanse landen groeien het snelst en India gaat China voorbij in inwonertal, zeggen de prognoses. Maar het is de Chinese economie die onstuitbaar is. Het is niet de vraag of China de grootste economie ter wereld zal gaan worden, het is de vraag wanneer. De wereld zal economisch en wie weet niet veel later cultureel en zelfs politiek onder invloed staan van een eenpartijstaat van communistisch allooi.

Winston Churchill noemde de democratie het slechtste politieke systeem op de andere na. Het ‘vrije Westen’ heeft zijn favoriete mythe van Verlichtingsidealen, democratie en het neoliberalisme veel landen door de strot geduwd, maar in Afrika hebben die idealen tot weinig stabiliteit geleid. En in China geloven ze in een andere mythe. Misschien wel de slechtste, op de andere na.

Winston Churchill
"It has been said that democracy is the worst form of government except all the others that have been tried."

Ik keek ter voorbereiding op een lessenserie over China de TED-talk ‘A tale of two political systems’ van Eric X. Li, een durfkapitalist uit Shanghai. De avond erop hield ik een pleidooi voor het politieke systeem van de Volksrepubliek China. Mijn vrienden zeiden: ‘Echt? Ben je nu China aan het verdedigen? Vertel dat al die politieke gevangen maar eens!’

Wat Li liet zien was hoe flexibel en vooruitkijkend de communistische partij in haar koers is geweest de afgelopen 70 jaar - niet star en rigide. Hij liet zien hoe de belangrijkste partijleden meestal niet uit hoge kringen voortkomen, maar promoveren op hun merites van tientallen jaren hard werken. En wat de legitimiteit van de partij betreft, die komt voort uit competentie. Steeds minder Chinezen leven in armoede - de welvaart neemt enorm snel toe. De partij lijkt zijn werk goed te doen.

Maar er worden mensenrechten geschonden. Activisten verdwijnen achter tralies. De politie heeft vrij spel. De staat weet alles. Ja, dat is ook China.

Maar zijn onze westerse leiders flexibel? Misschien, maar dan op korte termijn. Komen onze leiders door hard werken op hun positie? Ik denk vooral met geld en de juiste kruiwagens. Zijn onze leiders competent? In de Verenigde Staten regeert een clown.

Die westerse bril zit stevig op de neus. We moeten die eens loswrikken en opnieuw naar de andere continenten kijken, want ze zijn straks met veel meer.

gepubliceerd in Kleio, november 2018

vrijdag 7 september 2018

Het ging een beetje snel allemaal

‘Today Apple is going to reinvent the phone’, zei Steve Jobs in 2007 bij de presentatie van de iPhone die later dat jaar in Europa werd geïntroduceerd. Onderwijsoptimisten wezen op de enorme mogelijkheden van het apparaat. Maar al snel verschenen ook de eerste onderzoeken die waarschuwden voor de nadelige gevolgen van de smartphone in het onderwijs. Niemand die het echt wist.

Steve Jobs presenteert de eerste iPhone in 2007

Tien jaar later heeft volgens het CBS 98,6% van de Nederlandse tieners een smartphone. Je kan het ze haast niet kwalijk nemen, maar mijn leerlingen zijn verslingerd aan hun telefoon en dat knaagt aan ze. Eind vorig jaar liet een onderzoek onder 1300 Nederlandse docenten dat nog zien: smartphonegebruik gaat volgens hen ten koste van concentratie, huiswerk, fantasie en uiteindelijk van resultaten.

Er verschijnen steeds meer, vooral Amerikaanse, onderzoeksresultaten. De universiteit van Illinois toonde recentelijk een correlatie tussen smartphone-verslaving en depressie. Texaans onderzoek zegt dat alleen al de aanwezigheid van de telefoon - zichtbaar, maar ook in de broekzak - cognitieve prestaties vermindert. Een studie onder een miljoen Amerikaanse jongeren toont aan dat tieners die veel buiten zijn, anderen ‘in het echt’ treffen, die sporten en lezen, veel gelukkiger zijn dan ‘schermtieners’.

Daartegenover staan maar weinig positieve geluiden. Natuurlijk, er wordt van alles ontwikkeld waar het onderwijs baat bij zou kunnen hebben - differentiëren wordt gemakkelijker, het kan de les aantrekkelijker maken, het maakt communicatie eenvoudiger - maar wat hebben we liever: een kind dat via een gepersonaliseerd traject wiskunde leert, een coole quiz-app gebruikt om Duitse woordjes te stampen en het lesrooster in de handpalm heeft, of, doodsimpel, een gelukkig, gezond en geconcentreerd kind?

Zij die aan de wieg van de nieuwe technologie stonden geven als ouders een duidelijk signaal. Bill Gates verbood zijn kinderen een telefoon tot hun veertiende. Steve Jobs verbood zijn kinderen de iPad te gebruiken. Chamath Palihapitiya (Facebook) noemde het bedrijf dat hij groot maakte ‘sociaal ontwrichtend’. Hij zei: “It is eroding the core foundations of how people behave by and between each other. I can’t control them. (...) I can control my kids’ decisions, which is that they’re not allowed to use that shit.” Als de bakkerskinderen niet van het gebak mogen eten, vind ik de taart verdacht.

Het is zoeken naar een nieuwe balans. De smartphone is een handig ding, maar de generatie die er mee opgroeide is er niet altijd ten goede mee verweven geraakt. Afgelopen decennium overkwam ons - het ging een beetje snel allemaal, maar de onderzoeken liegen niet. Laten we dus het telefoonbeleid op school nog eens nader bekijken.

Deze column verscheen in Kleio, september 2018

Bekijk ook een de site van Center for Humane Technology, opgericht door belangrijke personen in de Amerikaanse technologiesector - een groep die zich serieus zorgen maakt.

donderdag 6 september 2018

Slecht beleid vernielt het onderwijs


Deze recensie verscheen in het septembernummer van het Onderwijsblad, een uitgave van de AOb

Ton van Haperen toont in zijn jongste boek waar het onderwijs faalt, complimenteert geschiedenisleraar en collega-publicist Jelte Posthumus. Maar een beetje zelfreflectie was wel op zijn plaats geweest.

De vader die rector was, de onderwijscommissies Rinnooy Kan en Dijsselbloem, het bildungsideaal, het begrip praktijkkennis: de proloog van Het bezwaar van de leraar, het tweede boek van Ton van Haperen, is een wilde aaneenschakeling van geschiedenis, theorie en persoonlijke anekdotes. In de hem zo kenmerkende staccato stijl vergelijkt de leraar economie en Onderwijsblad-columnist het Nederlandse onderwijs op onnavolgbare wijze met Congo en gebruikt hij de econooom Lans Bovenberg om het bestuurlijk falen in het Nederlandse onderwijs te duiden. Tussendoor ontmoeten we de jonge Van Haperen voor de klas, in de kroeg en tot laat in de avond achter zijn typemachine. Op wat schoonheidsfoutjes na, blijkt hij geknipt voor het vak. Dertig jaar later beheerst Van Haperen het kunstje. ‘Tot in de puntjes’, schrijft hij later.

Pas na enig doorlezen wordt de insteek van het boek helder. De schrijver heeft genoeg van de valse beeldvorming rond het onderwijsvak en wil praten over ‘zaken rond het beroep leraar die echt misgaan’. Zijn bezwaar is drieledig en betreft de rol van schoolbesturen, de uitstroom van academici en de cijfercultuur. Van Haperen heeft gelijk: dat het Nederlandse onderwijs de laatste decennia zo aan kwaliteit heeft ingeboet, vindt vooral in die drie fenomenen zijn oorsprong.

Hij zet de schoolbesturen in het eerste hoofdstuk neer als middeleeuwse organisaties van ‘roof en medelijden’. De functiemix is een terecht voorbeeld. Besturen hebben een zak geld, maar halen de gestelde schalingsquota niet - ze roven en delen uit naar welgevallen. De moderne schooldirecteur komt uit een ‘sekte van leidinggevenden’ die onderling de baantjes verdelen en elkaar in rap tempo opvolgen. Van Haperen concludeert: ‘borderline en narcisme vertegenwoordigen het repeterend bederf’. Zulke krasse uitspraken verbazen niet uit de pen van deze schrijver. Vooral aan het einde van het hoofdstuk is Van Haperen op dreef en krijgt het boek eindelijk tempo. Hij pleit voor terugkeer van ‘governance’ naar ‘government’. De overheid moet weer gaan over het geld, niet de schoolbesturen.

Tweedegraads docenten, of ‘jeugdwerkers’, zoals Van Haperen de niet-academici noemt, doen er verstandig aan het boek niet open te slaan. Soms nuanceert hij, maar vaker klinkt Van Haperen denigrerend, bijvoorbeeld als hij spreekt van ‘kenniskabouters’. Zelf is de schrijver natuurlijk ‘geen kabouter, maar een erudiete man’. Hij constateert: ‘mijn type leraar schuifelt richting nooduitgang’. Natuurlijk heeft Van Haperen een punt. Alexander Rinnooy Kan pleitte in 2008 al voor meer academici voor de klas. Ronald Plasterk maakte daarvoor 1 miljard euro vrij. Het bleek tevergeefs: een kwart van de academici zwaait al na vijf jaar af. Van Haperen legt uit wat de oorzaak is van deze uitstroom via de term ‘averechtse selectie’: slecht is normaal geworden en daardoor zien steeds minder universitair opgeleide docenten het onderwijs zitten.



Aan het einde van het boek richt Van Haperen zijn pijlen op de cijfercultuur. Hij beschrijft het verschijnsel 'teaching to the test': leraren bereiden hun leerlingen voor op gestandaardiseerde toetsen. Niettemin worden de resultaten aantoonbaar minder, ook op de centrale examens. Van Haperen weet hoe het zit: het idee van meten is weten, is doorgedrongen tot in de poriën van het onderwijs. Het heeft geresulteerd in een dichtgetimmerd geheel van PTA’s, studiewijzers, taal- en rekentoetsen en leerlingvolgsystemen. Kwantiteit staat boven kwaliteit in deze afrekencultuur - het is het bekende verhaal.

Bombarderen
Van Haperen zet in zijn epiloog in enkele pagina’s zijn oplossingen uiteen. Hij is resoluut en pleit voor ‘bombarderen en opnieuw beginnen’. Het lege gebouw moet gevuld met goede docenten, beloond naar opleiding. En natuurlijk moet de overbetaalde bestuurder wegwezen, de werkdruk omlaag door docenten geen ‘maatschappelijke opdrachten’ te geven, de klassengrootte beperkt, en de schoolleiding bemand door goede leraren. Het is een snelle opsomming. De oplossing ‘bombarderen en opnieuw beginnen’ is onrealistisch. Van Haperen had wat mij betreft nog enkele hoofdstukken aan een meer haalbare visie mogen wijden.

Dat is misschien ook mijn bezwaar tegen Het bezwaar. Van Haperen weet heel goed aan te wijzen wat er mankeert aan het onderwijs, maar het blijft ergens steken. Hij maakt zichzelf als connaisseur minder geloofwaardig door enerzijds vol bravoure op te geven over zijn eigen prestaties als docent (‘Ik geef mijn vijftien lessen in drie dagen, doe dat met groot gemak en erg veel plezier.’), maar anderzijds zichzelf neer te zetten als iemand die maar niet wil passen, ruziemaakt, vergaderingen overslaat, geen studiewijzers gebruikt en toetst wanneer het hem schikt. Ook al schrijft hij dat ‘alleen door het koesteren van wederkerigheid van die relaties’ de organisatie functioneert, Van Haperen wil zelf maar niet deugen. De guerrilla-stand waarin de schrijver al decennia zegt te staan is dan ook het onderliggende thema van het boek. Zijn ‘kutstukjes’ zorgen er zelfs voor dat zijn dochter naar een andere school moet.

Halverwege het boek benoemt Van Haperen dat persoonlijke thema: ‘Die wederkerigheid, of liever, het gebrek daaraan in de onderlinge relatie in de organisatie, is overigens ook het probleem waar dit boek over gaat.’ Het bezwaar van de leraar laat goed zien hoe het onderwijssysteem faalt, maar gaat ook over de persoonlijke oorlog die de rebel Ton van Haperen al jaren voert.

Het Onderwijsblad verloot vijf exemplaren van Het bezwaar van de leraar (Amsterdam University Press, ISBN 9789462988637, € 14,99) onder lezers. Stuur voor 16 september een mailtje met je naam en adres naar onderwijsblad@aob.nl, onder vermelding van ‘Boek Ton van Haperen’.

zaterdag 23 juni 2018

Misschien is het prachtig

Ik las het boekenweekessay van Jan Terlouw. Daarin zegt hij dat onze emoties nauwelijks verschillen met die van mensen duizenden jaren geleden. We zijn nog ‘even moedig en laf, even genereus en hebzuchtig’. Historische figuren, tja, het zijn nét mensen. Terlouw constateert bovendien dat, terwijl onze emoties nog dezelfde zijn, de technologie ons voorbij is geraasd. Onze ‘ouderwetse’ emotionele gereedschapskist is niet toereikend in de wereld van nieuwerwetse technologie.

Misschien bedoelt Terlouw dat de mens uit is op directe behoeftebevrediging en lak heeft aan de uitputting van de aarde. De wereld was tientallen duizenden jaren min of meer statisch, maar technologische innovatie bracht ons in anderhalve eeuw de fabrieken, de auto, de atoombom, de televisie, het internet en de smartphone - maar wat vraagt dat van ons? Hoe moeten wij ons verhouden tot technologie?

Het boekenweekessay
Jack Ma, de oprichter van het Chinese miljardenbedrijf Alibaba, biedt een inzicht. Hij zegt dat we dát moeten leren en onderwijzen wat machines nooit zullen kunnen. Hij noemt onafhankelijk denken, sporten, schilderen, musiceren en het leren van waarden als voorbeeld. We moeten, kortom, de technologie voorblijven op die vlakken waarop we ons als mens altijd zullen onderscheiden.
Jack Ma

Prima, maar machines musiceren, sporten en schilderen toch al? En bovendien, ze lijken juist steeds meer onafhankelijk te kunnen denken. Kunstmatige intelligentie behoort tot de meest opzienbarende ontwikkelingen van de afgelopen decennia. In 1997 versloeg
Deep Blue de wereldkampioen schaken, Gary Kasparov. Daarna richtten de technologen zich op Go, een Aziatisch spel dat, vanwege de variaties, ‘schaken in het kwadraat’ genoemd mag worden. In 2015 nam AlphaGo het op tegen Lee Sedol, op dat moment de beste Go-speler op aarde. Ik zal de uitslag niet weggeven, maar raad bij deze de prachtige documentaire AlphaGo aan, waarin de tweekamp wordt getoond.

Lee Sedol
Het verhaal bevestigt wat Jack Ma zei: we willen de technologie voorblijven. De honderden miljoenen kijkers wilden niets liever dan dat Lee Sedol zou winnen. De mens mocht en zou niet het onderspit delven tegen de machine. Ook liet de documentaire zien dat we het geen probleem vinden als de kunstmatige intelligentie ons iets leert. De buitengewone zetten waar AlphaGo mee op de proppen kwam verbaasden iedereen, maar boden prachtige inzichten in het spel.

En dat is wat we mogen hopen. Dat is wat Terlouw mag hopen. Dat technologie ons inzichten gaat bieden en schoonheid gaat brengen. De documentaire sluit af met de woorden ‘Misschien ontdekt het wat wij niet konden. En misschien is het prachtig.'

Deze column werd eerder gepubliceerd in Kleio, het tijdschrift van VGN Kleio, de vereniging van de docenten geschiedenis en staatsinrichting

donderdag 5 april 2018

Kijken of wijken

In januari haalde Manchester Art Gallery Waterhouse’s ‘Hylas en de nimfen’ van de muur. Het zou te seksistisch zijn. Joep van Lieshouts ‘Domestikator’ werd eind vorig jaar geweigerd in Parijs. Critici noemden het aanstootgevend. Harma Heikens’ ‘Toys in the Attic’ werd twee jaar geleden verwijderd van het Groningse Noorderzon-festival. De organisatie zei dat, na bedreigingen, de veiligheid van het festival in het geding kwam. De lijst van deze relatief nieuwe censuur wordt steeds langer.

Hylas en de Nimfen - John William Waterhouse (1896)

Met het weigeren van controversieel werk en het verdwijnen van kunstwerken in kelders lijkt het alsof de kunstwereld in de greep van burgerlijke correctheid is geraakt. Kunst wordt van de muur gehaald, omdat bepaalde groepen in de samenleving aanstoot nemen aan de inhoud ervan. Schoonheid verliest van, noem het politiek. Mankeert er iets aan een cultuur die zichzelf niet toestaat geshockeerd te worden of misschien zelfs seksueel opgewonden te raken door kunst? Ik denk het wel.

Toys in the Attic - Harma Heikens (2014)

Mijn primaire reactie is dat kunst om haar inhoud nooit achter tralies mag verdwijnen - hoe aanstootgevend ook. Laat de bezoeker zelf bepalen wat hij van het kunstwerk vindt. De keuze is aan hen: kijken of wijken. Mijn secundaire reactie fluistert dat er ergens ook een grens is. Kunst moet geen misdaad worden, kort gezegd, maar de kunstenaar moet wel altijd grenzen blijven opzoeken en mag nooit - door truttige behoudendheid gedwongen - het front terugtrekken naar werk dat op geen enkele manier mogelijk zou shockeren.

Relatief nieuw, zei ik. Natuurlijk, censuur is van alle tijden, maar meestal waren het toch overheden die bepaalden wat wel en niet verbeeld, geschreven of verfilmd mocht worden. Zij schreven de mensen hun politieke of morele smaak voor, niet andersom. Censuur in beide vormen is foute boel.

Domestikator - Joep van Lieshout (2017)

Deze nieuwe censuur is vooral een knieval uit commerciële belangen. Musea zijn gesubsidieerde instituten en bezoekersaantallen zijn cruciaal. Kunst moet de massa behagen. Als de ‘gewone man’ zich zou distantiëren van een museum door één omstreden schilderij, dan worden de targets misschien niet gehaald. Voorkomen dus: haal weg dat doek!

Overigens, ‘Hylas en de nimfen’ werd al snel weer uit de kelder gehaald en teruggehangen. Slim: alleen maar meer bezoekers. Het omstreden werk van Van Lieshout kreeg alsnog een plek in Parijs. De ‘cultural leaders’ geraken in een vermakelijke spagaat tussen de onaantastbare kunst, de tere publieksziel en de jaarlijkse cijfers. Wat betreft de Groningse kunstenares Harma Heikens: zij trok zich terug uit de wereld van ‘Kunst-met-een-grote-K’ en omzeilt nu de instanties. De kunstenares week, waar de musea toegaven aan een publiek dat had moeten wijken.

Eerder gepubliceerd in Kleio, het tijdschrift van VGN Kleio

vrijdag 16 februari 2018

Appongeluk en plofklas

Het gebeurt steeds vaker dat ik een auto inhaal op de A7 van Groningen naar Drachten en in het voorbijgaan zie dat de bestuurder de ogen niet op de weg, maar op het scherm van zijn telefoon heeft gericht. Ik voel dan soms een lichte neiging mijn Friese vlag uit de kofferbak te pakken en de weg te blokkeren, maar ik ben niet gek. Appongeluk is volgens Van Dale het woord van het jaar 2017. Vergeleken met vier jaar geleden is het aantal verkeersongelukken toegenomen met een kwart. Volwassenen zeuren graag over de mobielverslaving van kinderen, maar in hun eigen handen is de smartphone een dodelijk instrument.

Het Genootschap Onze Taal riep op zijn beurt plofklas uit tot het woord van 2017. Online werden leraren opgeroepen te stemmen. Nepnieuws en genderneutraal werden daardoor ruimschoots verslagen. Al in 2013 dook het neologisme plofklas op, maar met de stakingen van afgelopen jaar kwam het woord opnieuw in zwang. Opvallende andere kanshebber was de weigeroma: de grootmoeder die geen zin meer heeft altijd op haar kleinkinderen te moeten passen.

Een tijdsbeeld in nieuwe woorden. De ouders droppen de kleinste kinderen tegen haar zin bij de weigeroma, gaan whatsappend richting werk, terwijl hun oudere kinderen genderneutraal onderwijs genieten in een plofklas waar ze worstelen met nepnieuws.


Het woord plofklas prikkelt de fantasie: alsof het klaslokaal tot het plafond volgestouwd is met pubers, de muren bollen en de boel bijkans op springen staat. Voor zowel leerling als docent is de plofklas een crime. Met soms wel tien verschillende plofgroepen is het voor een docent onmogelijk de individuele voortgang in kaart te krijgen. Bovendien, des te groter de klassen, des te meer werk op het bureau eindigt.

Leerlingen die in 2000 geboren werden, bereiken dit jaar de volwassen leeftijd. De smartphone is onlosmakelijk verbonden met hun leven: altijd op zak, nu in het klaslokaal, straks in de auto. Het getuigt van enorme daadkracht dat de Franse president Macron een algeheel verbod van telefoons op school instelde.

Er is veel voor te zeggen zo’n verbod ook in Nederland in te voeren. In de pauzes zie je liever leerlingen praten dan appen. Er wordt getreiterd in de WhatsApp-groep. En bovenal: je wilt als docent de volle aandacht en concentratie van je klas. Van je plofklas inderdaad.

Maar krijgen we de ouders zover? Straks zul je zien dat juist zij in opstand komen tegen zo’n voorstel: ze willen de kinderen immers altijd kunnen bereiken. Zelfs vanuit de auto.

Gepubliceerd in Kleio (februari 2018)
-->

vrijdag 22 december 2017

Anonieme doden

Nieuwsgierig geworden door de uitreiking van de Sonja Barend-award voor het beste interview van het afgelopen jaar ging ik door de longlist van genomineerden. De meeste gesprekken had ik al gezien, maar het gesprek van Kefah Allush met Joost Prinsen (in een aflevering van De Kist) en de prachtige aflevering uit de serie Americanos van Stef Biemans had ik gemist.

Net zoals het winnende interview van Janine Abbringh met burgemeester Eberhart van der Laan en het veelbesproken gesprek van Wilfried de Jong met koning Willem-Alexander, gingen deze gesprekken (deels) over de dood. De dood blijkt een graag geziene gast.

De aflevering van de VPRO-serie Americanos ging over Mexicaanse vluchtelingen die in groten getale het leven laten in de zinderende hitte van de woestijn van Arizona. Waar de dode vrienden van Joost Prinsen namen hadden - Willem Wilmink, Harry Bannink, Martin van Dijk - zijn de doden aan de Mexicaans-Amerikaanse grens niet zelden anoniem. De stoffelijke overschotten liggen zij aan zij onder het pantoniem John Doe in een Amerikaans mortuarium. Gelijken in hun dodennaam.  

De geschiedenis bulkt van de anoniem gestorvenen. Meestal zijn het oorlogsdoden. In verschillende landen zijn monumenten opgericht voor deze naamlozen. Het bekendste is waarschijnlijk het Graf van de onbekende soldaat bij de Arc de Triomphe in Parijs: ‘ici repose un soldat Français mort pour la patrie’, staat erbij. Niemand weet wie hij is.

Het was aan de 19-jarige infanterist Auguste Thin om op 10 november 1920 de onbekende soldaat van Parijs te kiezen. Hij hield een boeket rode en witte anjers in zijn hand. De acht anonieme kisten, bedekt met de Franse vlag, waren tevoren geselecteerd door acht verschillende commandanten, toen nog rond geschoven om elke voorkeur uit te sluiten en stonden uiteindelijk strak opgesteld in twee rijen van vier. Toen legde de jonge soldaat het boeket anjers neer. Op kist zes. Thin kwam uit het zesde korps en de som van de cijfers van zijn regiment - regiment 123 - was ook zes. Vandaar.

Elke oorlog heeft zijn anonieme doden. Hun lichamen onidentificeerbaar door ernstige verminkingen: uiteengereten door granaatscherven, verbrand in een vuurzee of aangevreten door de natuur, omdat het zielloze lichaam in de hectiek achtergelaten moest worden. Het hoort bij oorlog.

Maar het zou niet bij vrede mogen horen. Een mens kan drie weken zonder eten. Drie dagen zonder drinken. Drie minuten zonder zuurstof. Drie seconden zonder hoop. Dat is wat de vluchtelingen uit Mexico zichzelf voorhouden. Veel van hen komen om van de dorst en uitputting, de hoop tevergeefs. Ze zijn geen soldaten. Misschien wel helden. Ze stierven anoniem in vredestijd - de woestijn het graf van de onbekende vluchteling.

Gepubliceerd in Kleio / december 2017


woensdag 8 november 2017

De werkgever en de opgebrande docent

Dit stuk verscheen in het novembernummer van het Onderwijsblad, een uitgave van de Algemene Onderwijbond.

--
Docenten ervaren inmense werkdruk en zijn tegelijkertijd enorm gemotiveerd. Een explosieve combinatie. Vandaar dat docent Jelte Posthumus schoolleiders tipt: Spreek waardering uit, stel verwachtingen bij.

Niet lang geleden toonde mijn directeur de resultaten van een personeelsenquête. Twee resultaten frappeerden me: aan de ene kant de door de docenten ervaren werkdruk (het laagste cijfer) en aan de andere de enorme werkmotivatie (het hoogste cijfer). Juist: docenten zijn gek. Zelfs als we op de knieën gedwongen zijn, blijken we bereid nóg een extra rugzak te sjouwen. Kom maar op! Gooi er maar bij!

Burn-out is niet epidemisch volgens specialisten, maar één op de vier lesgevenden kampt wel met klachten. NRC Handelsblad wijdde in september enkele artikelen en een enquête aan burn-out: de definitie verschilt, maar volgens wetenschappers aan de KU Leuven is uitputting het belangrijkste symptoom. Cognitief en emotioneel controleverlies en mentale distantie komen daaruit voort: zeg maar concentratieproblemen, huilbuien en cynisme. In de praktijk blijkt burn-out een container vol verschijnselen.

Een burn-out sluimert vaak jaren, maar de trots (ik kan dit), de angstcultuur (ik ben niet zwak) en het verantwoordelijkheidsgevoel (ik moet er zijn voor de leerlingen) staan erkenning in de weg. Symptomen - lichtgeraaktheid, emotionele buien, bitterheid, een licht hoofd, tintelingen, hartkloppingen - worden weggewuifd als kleine ongemakken die er nou eenmaal bij horen. Dat is toch absurd?

Terwijl het leerlingenpeloton de symptomen voedt - ze zijn een spiegel van het gemoed - sleept de kwetsbare docent zich van vakantie tot vakantie. Maar een eindstreep bestaat niet in onderwijsland, behalve dan de mentale finish. Als die eenmaal is bereikt, als de burn-out wordt erkend, openbaart die zich in alle volledigheid. Dan volgt een traject volgens de Wet verbetering poortwachter: er wordt snel ingegrepen om het verzuim zo kort mogelijk te maken. Burn-out is een zogenaamde ‘beroepsziekte’, net als de paprikalong, kapperseczeem en bakkersastma. Het is geen officiële psychische aandoening, de werkgever betaalt en dus is haast geboden.

Beeld: TYPETANK
(overgenomen uit Onderwijsblad)

Niet iedereen is kwetsbaar, sommige docenten gaan fluitend richting hun pensioen. De vatbaarheid hangt af van iemands persoonlijkheid, de privé-omstandigheden en niet in de laatste plaats van de werkomgeving. Qua karakter zijn het vooral de perfectionisten en zij die geen ‘nee’ kunnen zeggen die omvallen. Wat betreft de thuissituatie: eventuele zorgen aldaar versterken de problemen op school en andersom. Als het thuisfront energie kost, zou de school een veilige omgeving moeten zijn waarin je kan bijtanken. Maar school is een pretpark in het zomerseizoen.
Dus het schoolgebouw is helaas vaak geen oplaadpunt, maar juist een energievreter. Het is aan de werkgevers zorgvuldig om te gaan met de kwetsbare werknemers. Docenten die opeens boos uit een vergadering weglopen, die in de pauze uithuilen in de personeelskamer, of juist alleen in hun lokaal achterblijven met hun boterhamtrommel: neem hun in bescherming. Nodig ze spontaan uit in je kamer. Geef ze eens een fles wijn. Of stuur ze eens naar huis.

Maak korte metten met een eventuele cultuur van angst waarin docenten niet durven toe te geven aan hun vermoeidheid. Het Zilveren Kruis liet eerder dit jaar zien dat de belangrijkste oorzaken van burn-out, naast privé-omstandigheden, de werkdruk, gebrekkige ondersteuning, te weinig erkenning en te hoge verwachtingen zijn. Het is aan werkgevers de burn-out voor te zijn, want de weg van re-integratie kent hoge drempels, diepe valkuilen en onverwachte terugvallen. De NRC-enquête laat zien dat liefdevolle aandacht cruciaal is. En: creëer ruimte voor docenten om het werk op de werkvloer af te ronden en niet in de tas mee naar huis te nemen.

Loopt een docent tóch tegen de muur, zorg er dan voor dat een gezonde terugkeer mogelijk is. In de praktijk valt dat vaak tegen. De druk om weer te beginnen is groot. De bedrijfsarts komt al snel met een werkhervattingsschema, er is telkens dat knagende gevoel van trots en verantwoordelijkheid, maar tegelijkertijd ook de angst tegen dezelfde dingen aan te lopen. Bij terugkeer, zo blijkt, is de werksituatie zelden veranderd en een terugval is soms moeilijk bespreekbaar.

Kortom: weg met de angstcultuur, stimuleer ‘nee’ zeggen, vraag niet te veel en geef vertrouwen en ruimte. Spreek waardering uit, stel verwachtingen bij en geef aandacht. Natuurlijk is er het Haagse beleid. Natuurlijk is er te weinig geld. Maar deze ruimte is er en die moet je gewoon pakken. Als leraren dan nog omvallen, dan ligt het in elk geval niet aan de werkgever.
--

zaterdag 29 juli 2017

Opgebrand

Het einde van het schooljaar nadert. Op de parkeerplaats van school staan drie docenten met gebogen hoofd bijeen. Twee van hen roken, de derde zou juist nu heel graag een sigaret willen opsteken, maar is al jaren gestopt. Hij vertelt de collega’s dat hij na de vakantie voorlopig niet meer op school komt. Hij is opgebrand. Het vuur is eruit.

Het cliché wil dat clichés niet voor niets clichés zijn. Een bekende riedel is die van de docent die erkent dat het al jaren in de lucht hing. Ja, vertelt de niet-roker, een tijd geleden al wel drie weken thuis gezeten, maar te snel weer begonnen hè? In het onderwijs is burn-out epidemisch. Daar kampt één op de vijf personeelsleden en maar liefst één op de vier lesgevenden met klachten.

Bron: aob.nl
De tweede docent vertelt hoe ze gister hyperventilerend en huilend het gebouw ontvluchtte. Er was een project voor de derde klassen gaande - er was geen ontkomen aan. Je gaat de symptomen herkennen. Tintelingen. Een licht hoofd. Kortademigheid. Eenmaal geveld geweest sluimert de burn-out nog lang.

Een schoolgebouw is een bijennest. Zit je lekker in je vel, dan is onderwijs geweldig, maar kamp je op persoonlijk vlak met tegenslag dan is lesgeven een hele opgave. Leerlingen zijn een spiegel van je gemoed: je krijgt terug wat je uitstraalt. Op school loopt het hoofd van de kwetsbaren snel om, want in het gebouw ontkom je niet aan mensen, tenzij je in de pauze zielig en alleen in een klaslokaal je broodtrommel leeg eet.

De derde docent zit al sinds oktober thuis, hij is pas gescheiden, maar kampt al drie jaar met klachten. ‘Eerst dacht ik dat het fysiek was’, zegt hij. ‘Ik heb mijn bloed al twee keer laten onderzoeken, maar dat was goed. Het is dus écht mijn hoofd, dat moet ik nu erkennen.’ Alledrie weten ze dat het heel moeilijk is toe te geven aan een burn-out.

Bron: aob.nl
Het kenmerkt de Nederlandse docent: ondanks een enorme werkdruk - er wordt steeds meer gedaan met steeds minder mensen - zet de onderwijzer stug door. Hij stroopt de mouwen nog eens op en schraapt de motivatie van de panbodem om er maar weer een mooie schooldag van te maken. Er is het verantwoordelijkheidsgevoel en de trots: je wilt niet te licht bevonden worden, dus je recht de rug tot het niet meer gaat en het eigenlijk al veel te laat is.

De oplossing voor de klachten wordt nog vaak gezocht bij het individu: rust, mindfulness, meditatie, sport - de adviezen zijn bekend. De bedrijfsarts komt al snel met een zogenaamd ‘werkhervattingsschema’, maar vaak beginnen docenten te vroeg. Je bent zo weer tien stappen terug, als je ondanks de fysieke vermoeidheid en emotionele uitputting tóch weer voor de klas gaat staan. Dat is inherent aan het beroep. Het is daarom aan werkgevers zorgvuldig met de opgebrande docenten om te gaan en - nog belangrijker - een vangnet te bieden voor de onvrijwillig kwetsbaren.

Dit artikel verscheen eerder in Kleio.

woensdag 26 juli 2017

Suzanne en Stijn

Suzanne was een buitengewone onderbouwleerling. Ze zat vooraan in het lokaal, bij mijn bureau, stelde goede vragen, werkte hard en bovenal: ze had een piekfijn schrift waar ieder een puntje aan kon zuigen. Haar ogen twinkelden van levensvreugde, maar er schemerde ook iets ongrijpbaars door in die flonkering.

Stijn is een stuk ouder dan Suzanne. Hij is een creatieve en ontzettend vriendelijke jongen. Volwassen voor zijn leeftijd. De beste acteur van school ook. Hij rondde afgelopen jaar vwo 6 af met een prachtige cijferlijst.

Ik becijfer de schriften in de onderbouw - Suzanne maakte daar een sport van. In haar nette schrift nam ze alles over wat ze eerder in haar vlugschrift had geschreven. Ik gaf haar een tien, want echt, beter kon niet.

Suzanne's schrift in klas 2

Toen ik tegen het einde van het schooljaar mijn postvak opende vond ik een kaart van Stijn. Hij had genoten van mijn lessen en bedankte me voor ‘de geschiedenisverhalen, maar ook de persoonlijke verhalen en grappige anekdotes. U bent een voorbeeld!’ Ik bloosde haast - een collega die de kaart zag, zei terecht: ‘Kijk, daar doe je het voor.’ Ik geef geen les om complimenten te ontvangen, maar als ik een inspiratiebron ben geweest voor een leerling, dan glunder ik van trots.

Fragment van Stijn's kaart

Ik gaf Suzanne les in de tweede en derde klas. Haar schriften heb ik van kaft tot kaft gekopieerd en bewaard: nog steeds raadpleeg ik ze. Een nettere archivering van mijn lessen had ik niet kunnen wensen. Eerlijk, ik had het zelf niet beter kunnen doen.

‘Ik had het zelf niet beter kunnen doen’, dat zei ook mijn collega van filosofie. Stijn haalde een 9.6 op het examen en gaat komend jaar filosofie studeren. ‘Maar het had net zo goed geschiedenis kunnen worden’, verzekerde zijn moeder me.

Vorig jaar nam Suzanne me apart. Ze wilde me iets vertellen. ‘Misschien is het u al opgevallen, maar mijn vrienden noemen me Stijn.’ Die twinkeling in de ogen. Vanaf toen was Suzanne Stijn. Hij had zich altijd al een jongen gevoeld en ging daar nu naar leven. De kracht die hij bij de mededeling uitstraalde voelde ik in mijn hele lijf.  

Stijn overtrof zijn docenten. Niet alleen in zijn werk, maar ook in zijn moed. Suzanne en Stijn zijn geweldige mensen. Je kan als docent je leerlingen inspireren, maar andersom kan dat ook. Ik pak zijn kaart er nog eens bij en lees ‘Ik zal mijn schriften voor altijd bewaren’. Ik glimlach. Stijn is een voorbeeld voor mij. En ik denk voor iedereen.

--
Dit schrijven verschijnt in september in Kleio

woensdag 26 april 2017

Pleidooi voor de kunsten

Creatieve vaardigheden zullen onontbeerlijk zijn in de eeuw die nog grotendeels voor ons ligt. Dat is geen nieuws. Toch zijn de kunsten een Haagse sluitpost of überhaupt geen thema. In het onderwijs merk je dat: de creatieve vakken hebben geen prioriteit, want de nadruk ligt op economisch ‘nuttige’ vakken. En breder: in een verzakelijkte cultuur - waarin het draait om cijfers en minder om mensen - komt kunst sowieso in het gedrang.

De schrijver Guus Kuijer zei eens op Twitter: ‘Hoe kun je slechte bestuurders onmiddellijk herkennen? Kunst interesseert ze niet. Waarom niet? De mens interesseert ze niet.' Ik moest aan deze tweet denken toen ik een leidinggevende onlangs hoorde zeggen dat hij niets met beeldende kunst heeft. Ik geloof wel dat hij zich interesseert in mensen. Toch is hij ook een representant van het verzakelijkte onderwijs - de opmerking paste hem wel.
Het was niet voor niets dat Barack Obama zei dat hij vaker meer leerde van literatuur dan van het nieuws. Wat hij bedoelde is dat nieuws zegt te pogen de objectieve waarheid te tonen, maar daarin per definitie niet slaagt. Kunst beweert zoiets niet, maar geeft per definitie wel een eerlijk, wáár beeld (tenzij het staatspropaganda betreft, uiteraard). Kunst is menselijk. Kwetsbaar. Het relativeert. Het biedt troost. En het maakt je daarom gelukkig. Ja!

-- Kijk hier voor Obama's boeken top 10.


Johannes Vermeers 'Gezicht Op Delft' met die zachte bries over de Schie
In kunst tref je anderen, maar vooral jezelf. In plaats van alleen op prestaties gericht te zijn, zouden jongeren daarom vaker met kunst geconfronteerd moeten worden om zichzelf te leren kennen. Van zelfinzicht - het calibreren van je kompas - wordt de wereld vaak mooier.

Hoewel muziek, tekenen, handvaardigheid, drama en dans onderaan in de vakkenhiërarchie staan, zijn er altijd bevlogen docenten te vinden die hun vak verrijken met opdrachten die de creativiteit aanspreken. Je kan ook overdrijven in je enthousiasme: mij schoten de tranen in de ogen toen ik Gezicht op Delft van Vermeer weer zag, maar wel in het bijzijn van tien vwo-5-leerlingen. Ik zag dat ook zij onder de indruk waren - vermoedelijk niet zozeer van de zachte bries over de Schie, zo mooi geschilderd door Vermeer, maar eerder van mijn wat dramatische reactie.

We móeten zoveel: doelen halen, de portfolio spekken, een schaal hoger of een vast contract. Kunst trekt je even uit die malle prestatiemolen en zet je oog in oog met jezelf en de ander. Kunst gaat over mensen, niet over de getallen onder de streep. Menselijkheid en gezond zelfinzicht, daar is altijd behoefte aan - niet in de laatste plaats in het onderwijs.

zondag 12 maart 2017

Wat is de kans?


Hoewel neurowetenschappers er van uitgaan dat onze wiskunde-instincten al 30 miljoen jaar oud zijn - baby's worden zelfs geboren met een numerieke intuïtie - zitten we er als mens toch best vaak naast als het gaat om wiskunde, met name bij grote getallen, kansberekening en exponentiële groei. Daar hebben we de grootste moeite mee. 

Sissa Ibn Dahir, de uitvinder van het schaakspel, leek om een schijnbaar bescheiden beloning te vragen toen hij graankorrels wenste volgens de volgende formule: één korrel op het eerste van 64 schaakvelden, twee op het tweede, vier op het volgende en zo verder. De Indiase koning voelde zich beledigd door de bescheiden vraag, maar de wereldproductie graan volstond niet om aan deze te kunnen voldoen.

Onze intuïtie krijgt doorgaans geen vat op exponentiële groei. De kloof tussen arm en rijk, de opwarming van de aarde, de groei van de wereldbevolking: het zijn enkele voorbeelden die aantonen dat exponentiële groei ons vooral overkomt en dat we dat soms beseffen als het al te laat is.


De wereldproductie graan volstond niet 


Zo snappen we ook niet veel van een heelal dat 13,8 miljard jaar oud is, van de zeeën van tijd waarin we als jagers rondtrokken, of zelfs van de enorme uitgestrektheid van de Middeleeuwen in de twintig eeuwen sinds onze jaartelling. We kunnen niet groot denken - daar zijn we niet voor in de wieg gelegd.


Toch vergissen we ons ook op kleiner niveau als het gaat om wiskunde en instinct - met name als het gaat om kansberekening. In een klas van 25 leerlingen is de kans dat twee van hen op dezelfde dag jarig zijn bijna 50%. Inderdaad, als je je klassen langs loopt, het komt vaak voor, maar ons instinct fluistert dat het onmogelijk is. Ook zijn we geneigd te denken dat wanneer ons iets heftigs is overkomen - een auto-ongeluk, het winnen van de loterij - dat de kans dat het nog eens gebeurt is afgenomen, terwijl die even groot blijft.

Hoe vaak zullen politieke leiders zich in het verleden niet hebben vergist in groei, kansen en grote getallen? Hoe snel kan de weerstand van een volk tegen een oorlog groeien als die groei niet lineair, maar exponentieel is? Hoe berekende Napoleon zijn kansen toen hij richting Moskou trok? Wat grote getallen betreft, leek Stalin te begrijpen dat men daar toch geen benul van had, toen hij zei: één dode is een tragedie, maar een miljoen doden is statistiek. Cijfers voelen we niet, ook al zijn onze wiskunde-instincten nog zo oud.

Eerder gepubliceerd in Kleio