donderdag 5 april 2018

Kijken of wijken

In januari haalde Manchester Art Gallery Waterhouse’s ‘Hylas en de nimfen’ van de muur. Het zou te seksistisch zijn. Joep van Lieshouts ‘Domestikator’ werd eind vorig jaar geweigerd in Parijs. Critici noemden het aanstootgevend. Harma Heikens’ ‘Toys in the Attic’ werd twee jaar geleden verwijderd van het Groningse Noorderzon-festival. De organisatie zei dat, na bedreigingen, de veiligheid van het festival in het geding kwam. De lijst van deze relatief nieuwe censuur wordt steeds langer.

Hylas en de Nimfen - John William Waterhouse (1896)

Met het weigeren van controversieel werk en het verdwijnen van kunstwerken in kelders lijkt het alsof de kunstwereld in de greep van burgerlijke correctheid is geraakt. Kunst wordt van de muur gehaald, omdat bepaalde groepen in de samenleving aanstoot nemen aan de inhoud ervan. Schoonheid verliest van, noem het politiek. Mankeert er iets aan een cultuur die zichzelf niet toestaat geshockeerd te worden of misschien zelfs seksueel opgewonden te raken door kunst? Ik denk het wel.

Toys in the Attic - Harma Heikens (2014)

Mijn primaire reactie is dat kunst om haar inhoud nooit achter tralies mag verdwijnen - hoe aanstootgevend ook. Laat de bezoeker zelf bepalen wat hij van het kunstwerk vindt. De keuze is aan hen: kijken of wijken. Mijn secundaire reactie fluistert dat er ergens ook een grens is. Kunst moet geen misdaad worden, kort gezegd, maar de kunstenaar moet wel altijd grenzen blijven opzoeken en mag nooit - door truttige behoudendheid gedwongen - het front terugtrekken naar werk dat op geen enkele manier mogelijk zou shockeren.

Relatief nieuw, zei ik. Natuurlijk, censuur is van alle tijden, maar meestal waren het toch overheden die bepaalden wat wel en niet verbeeld, geschreven of verfilmd mocht worden. Zij schreven de mensen hun politieke of morele smaak voor, niet andersom. Censuur in beide vormen is foute boel.

Domestikator - Joep van Lieshout (2017)

Deze nieuwe censuur is vooral een knieval uit commerciële belangen. Musea zijn gesubsidieerde instituten en bezoekersaantallen zijn cruciaal. Kunst moet de massa behagen. Als de ‘gewone man’ zich zou distantiëren van een museum door één omstreden schilderij, dan worden de targets misschien niet gehaald. Voorkomen dus: haal weg dat doek!

Overigens, ‘Hylas en de nimfen’ werd al snel weer uit de kelder gehaald en teruggehangen. Slim: alleen maar meer bezoekers. Het omstreden werk van Van Lieshout kreeg alsnog een plek in Parijs. De ‘cultural leaders’ geraken in een vermakelijke spagaat tussen de onaantastbare kunst, de tere publieksziel en de jaarlijkse cijfers. Wat betreft de Groningse kunstenares Harma Heikens: zij trok zich terug uit de wereld van ‘Kunst-met-een-grote-K’ en omzeilt nu de instanties. De kunstenares week, waar de musea toegaven aan een publiek dat had moeten wijken.

Eerder gepubliceerd in Kleio, het tijdschrift van VGN Kleio

vrijdag 16 februari 2018

Appongeluk en plofklas

Het gebeurt steeds vaker dat ik een auto inhaal op de A7 van Groningen naar Drachten en in het voorbijgaan zie dat de bestuurder de ogen niet op de weg, maar op het scherm van zijn telefoon heeft gericht. Ik voel dan soms een lichte neiging mijn Friese vlag uit de kofferbak te pakken en de weg te blokkeren, maar ik ben niet gek. Appongeluk is volgens Van Dale het woord van het jaar 2017. Vergeleken met vier jaar geleden is het aantal verkeersongelukken toegenomen met een kwart. Volwassenen zeuren graag over de mobielverslaving van kinderen, maar in hun eigen handen is de smartphone een dodelijk instrument.

Het Genootschap Onze Taal riep op zijn beurt plofklas uit tot het woord van 2017. Online werden leraren opgeroepen te stemmen. Nepnieuws en genderneutraal werden daardoor ruimschoots verslagen. Al in 2013 dook het neologisme plofklas op, maar met de stakingen van afgelopen jaar kwam het woord opnieuw in zwang. Opvallende andere kanshebber was de weigeroma: de grootmoeder die geen zin meer heeft altijd op haar kleinkinderen te moeten passen.

Een tijdsbeeld in nieuwe woorden. De ouders droppen de kleinste kinderen tegen haar zin bij de weigeroma, gaan whatsappend richting werk, terwijl hun oudere kinderen genderneutraal onderwijs genieten in een plofklas waar ze worstelen met nepnieuws.


Het woord plofklas prikkelt de fantasie: alsof het klaslokaal tot het plafond volgestouwd is met pubers, de muren bollen en de boel bijkans op springen staat. Voor zowel leerling als docent is de plofklas een crime. Met soms wel tien verschillende plofgroepen is het voor een docent onmogelijk de individuele voortgang in kaart te krijgen. Bovendien, des te groter de klassen, des te meer werk op het bureau eindigt.

Leerlingen die in 2000 geboren werden, bereiken dit jaar de volwassen leeftijd. De smartphone is onlosmakelijk verbonden met hun leven: altijd op zak, nu in het klaslokaal, straks in de auto. Het getuigt van enorme daadkracht dat de Franse president Macron een algeheel verbod van telefoons op school instelde.

Er is veel voor te zeggen zo’n verbod ook in Nederland in te voeren. In de pauzes zie je liever leerlingen praten dan appen. Er wordt getreiterd in de WhatsApp-groep. En bovenal: je wilt als docent de volle aandacht en concentratie van je klas. Van je plofklas inderdaad.

Maar krijgen we de ouders zover? Straks zul je zien dat juist zij in opstand komen tegen zo’n voorstel: ze willen de kinderen immers altijd kunnen bereiken. Zelfs vanuit de auto.

Gepubliceerd in Kleio (februari 2018)
-->

vrijdag 22 december 2017

Anonieme doden

Nieuwsgierig geworden door de uitreiking van de Sonja Barend-award voor het beste interview van het afgelopen jaar ging ik door de longlist van genomineerden. De meeste gesprekken had ik al gezien, maar het gesprek van Kefah Allush met Joost Prinsen (in een aflevering van De Kist) en de prachtige aflevering uit de serie Americanos van Stef Biemans had ik gemist.

Net zoals het winnende interview van Janine Abbringh met burgemeester Eberhart van der Laan en het veelbesproken gesprek van Wilfried de Jong met koning Willem-Alexander, gingen deze gesprekken (deels) over de dood. De dood blijkt een graag geziene gast.

De aflevering van de VPRO-serie Americanos ging over Mexicaanse vluchtelingen die in groten getale het leven laten in de zinderende hitte van de woestijn van Arizona. Waar de dode vrienden van Joost Prinsen namen hadden - Willem Wilmink, Harry Bannink, Martin van Dijk - zijn de doden aan de Mexicaans-Amerikaanse grens niet zelden anoniem. De stoffelijke overschotten liggen zij aan zij onder het pantoniem John Doe in een Amerikaans mortuarium. Gelijken in hun dodennaam.  

De geschiedenis bulkt van de anoniem gestorvenen. Meestal zijn het oorlogsdoden. In verschillende landen zijn monumenten opgericht voor deze naamlozen. Het bekendste is waarschijnlijk het Graf van de onbekende soldaat bij de Arc de Triomphe in Parijs: ‘ici repose un soldat Français mort pour la patrie’, staat erbij. Niemand weet wie hij is.

Het was aan de 19-jarige infanterist Auguste Thin om op 10 november 1920 de onbekende soldaat van Parijs te kiezen. Hij hield een boeket rode en witte anjers in zijn hand. De acht anonieme kisten, bedekt met de Franse vlag, waren tevoren geselecteerd door acht verschillende commandanten, toen nog rond geschoven om elke voorkeur uit te sluiten en stonden uiteindelijk strak opgesteld in twee rijen van vier. Toen legde de jonge soldaat het boeket anjers neer. Op kist zes. Thin kwam uit het zesde korps en de som van de cijfers van zijn regiment - regiment 123 - was ook zes. Vandaar.

Elke oorlog heeft zijn anonieme doden. Hun lichamen onidentificeerbaar door ernstige verminkingen: uiteengereten door granaatscherven, verbrand in een vuurzee of aangevreten door de natuur, omdat het zielloze lichaam in de hectiek achtergelaten moest worden. Het hoort bij oorlog.

Maar het zou niet bij vrede mogen horen. Een mens kan drie weken zonder eten. Drie dagen zonder drinken. Drie minuten zonder zuurstof. Drie seconden zonder hoop. Dat is wat de vluchtelingen uit Mexico zichzelf voorhouden. Veel van hen komen om van de dorst en uitputting, de hoop tevergeefs. Ze zijn geen soldaten. Misschien wel helden. Ze stierven anoniem in vredestijd - de woestijn het graf van de onbekende vluchteling.

Gepubliceerd in Kleio / december 2017


woensdag 8 november 2017

De werkgever en de opgebrande docent

Dit stuk verscheen in het novembernummer van het Onderwijsblad, een uitgave van de Algemene Onderwijbond.

--
Docenten ervaren inmense werkdruk en zijn tegelijkertijd enorm gemotiveerd. Een explosieve combinatie. Vandaar dat docent Jelte Posthumus schoolleiders tipt: Spreek waardering uit, stel verwachtingen bij.

Niet lang geleden toonde mijn directeur de resultaten van een personeelsenquête. Twee resultaten frappeerden me: aan de ene kant de door de docenten ervaren werkdruk (het laagste cijfer) en aan de andere de enorme werkmotivatie (het hoogste cijfer). Juist: docenten zijn gek. Zelfs als we op de knieën gedwongen zijn, blijken we bereid nóg een extra rugzak te sjouwen. Kom maar op! Gooi er maar bij!

Burn-out is niet epidemisch volgens specialisten, maar één op de vier lesgevenden kampt wel met klachten. NRC Handelsblad wijdde in september enkele artikelen en een enquête aan burn-out: de definitie verschilt, maar volgens wetenschappers aan de KU Leuven is uitputting het belangrijkste symptoom. Cognitief en emotioneel controleverlies en mentale distantie komen daaruit voort: zeg maar concentratieproblemen, huilbuien en cynisme. In de praktijk blijkt burn-out een container vol verschijnselen.

Een burn-out sluimert vaak jaren, maar de trots (ik kan dit), de angstcultuur (ik ben niet zwak) en het verantwoordelijkheidsgevoel (ik moet er zijn voor de leerlingen) staan erkenning in de weg. Symptomen - lichtgeraaktheid, emotionele buien, bitterheid, een licht hoofd, tintelingen, hartkloppingen - worden weggewuifd als kleine ongemakken die er nou eenmaal bij horen. Dat is toch absurd?

Terwijl het leerlingenpeloton de symptomen voedt - ze zijn een spiegel van het gemoed - sleept de kwetsbare docent zich van vakantie tot vakantie. Maar een eindstreep bestaat niet in onderwijsland, behalve dan de mentale finish. Als die eenmaal is bereikt, als de burn-out wordt erkend, openbaart die zich in alle volledigheid. Dan volgt een traject volgens de Wet verbetering poortwachter: er wordt snel ingegrepen om het verzuim zo kort mogelijk te maken. Burn-out is een zogenaamde ‘beroepsziekte’, net als de paprikalong, kapperseczeem en bakkersastma. Het is geen officiële psychische aandoening, de werkgever betaalt en dus is haast geboden.

Beeld: TYPETANK
(overgenomen uit Onderwijsblad)

Niet iedereen is kwetsbaar, sommige docenten gaan fluitend richting hun pensioen. De vatbaarheid hangt af van iemands persoonlijkheid, de privé-omstandigheden en niet in de laatste plaats van de werkomgeving. Qua karakter zijn het vooral de perfectionisten en zij die geen ‘nee’ kunnen zeggen die omvallen. Wat betreft de thuissituatie: eventuele zorgen aldaar versterken de problemen op school en andersom. Als het thuisfront energie kost, zou de school een veilige omgeving moeten zijn waarin je kan bijtanken. Maar school is een pretpark in het zomerseizoen.
Dus het schoolgebouw is helaas vaak geen oplaadpunt, maar juist een energievreter. Het is aan de werkgevers zorgvuldig om te gaan met de kwetsbare werknemers. Docenten die opeens boos uit een vergadering weglopen, die in de pauze uithuilen in de personeelskamer, of juist alleen in hun lokaal achterblijven met hun boterhamtrommel: neem hun in bescherming. Nodig ze spontaan uit in je kamer. Geef ze eens een fles wijn. Of stuur ze eens naar huis.

Maak korte metten met een eventuele cultuur van angst waarin docenten niet durven toe te geven aan hun vermoeidheid. Het Zilveren Kruis liet eerder dit jaar zien dat de belangrijkste oorzaken van burn-out, naast privé-omstandigheden, de werkdruk, gebrekkige ondersteuning, te weinig erkenning en te hoge verwachtingen zijn. Het is aan werkgevers de burn-out voor te zijn, want de weg van re-integratie kent hoge drempels, diepe valkuilen en onverwachte terugvallen. De NRC-enquête laat zien dat liefdevolle aandacht cruciaal is. En: creëer ruimte voor docenten om het werk op de werkvloer af te ronden en niet in de tas mee naar huis te nemen.

Loopt een docent tóch tegen de muur, zorg er dan voor dat een gezonde terugkeer mogelijk is. In de praktijk valt dat vaak tegen. De druk om weer te beginnen is groot. De bedrijfsarts komt al snel met een werkhervattingsschema, er is telkens dat knagende gevoel van trots en verantwoordelijkheid, maar tegelijkertijd ook de angst tegen dezelfde dingen aan te lopen. Bij terugkeer, zo blijkt, is de werksituatie zelden veranderd en een terugval is soms moeilijk bespreekbaar.

Kortom: weg met de angstcultuur, stimuleer ‘nee’ zeggen, vraag niet te veel en geef vertrouwen en ruimte. Spreek waardering uit, stel verwachtingen bij en geef aandacht. Natuurlijk is er het Haagse beleid. Natuurlijk is er te weinig geld. Maar deze ruimte is er en die moet je gewoon pakken. Als leraren dan nog omvallen, dan ligt het in elk geval niet aan de werkgever.
--

zaterdag 29 juli 2017

Opgebrand

Het einde van het schooljaar nadert. Op de parkeerplaats van school staan drie docenten met gebogen hoofd bijeen. Twee van hen roken, de derde zou juist nu heel graag een sigaret willen opsteken, maar is al jaren gestopt. Hij vertelt de collega’s dat hij na de vakantie voorlopig niet meer op school komt. Hij is opgebrand. Het vuur is eruit.

Het cliché wil dat clichés niet voor niets clichés zijn. Een bekende riedel is die van de docent die erkent dat het al jaren in de lucht hing. Ja, vertelt de niet-roker, een tijd geleden al wel drie weken thuis gezeten, maar te snel weer begonnen hè? In het onderwijs is burn-out epidemisch. Daar kampt één op de vijf personeelsleden en maar liefst één op de vier lesgevenden met klachten.

Bron: aob.nl
De tweede docent vertelt hoe ze gister hyperventilerend en huilend het gebouw ontvluchtte. Er was een project voor de derde klassen gaande - er was geen ontkomen aan. Je gaat de symptomen herkennen. Tintelingen. Een licht hoofd. Kortademigheid. Eenmaal geveld geweest sluimert de burn-out nog lang.

Een schoolgebouw is een bijennest. Zit je lekker in je vel, dan is onderwijs geweldig, maar kamp je op persoonlijk vlak met tegenslag dan is lesgeven een hele opgave. Leerlingen zijn een spiegel van je gemoed: je krijgt terug wat je uitstraalt. Op school loopt het hoofd van de kwetsbaren snel om, want in het gebouw ontkom je niet aan mensen, tenzij je in de pauze zielig en alleen in een klaslokaal je broodtrommel leeg eet.

De derde docent zit al sinds oktober thuis, hij is pas gescheiden, maar kampt al drie jaar met klachten. ‘Eerst dacht ik dat het fysiek was’, zegt hij. ‘Ik heb mijn bloed al twee keer laten onderzoeken, maar dat was goed. Het is dus écht mijn hoofd, dat moet ik nu erkennen.’ Alledrie weten ze dat het heel moeilijk is toe te geven aan een burn-out.

Bron: aob.nl
Het kenmerkt de Nederlandse docent: ondanks een enorme werkdruk - er wordt steeds meer gedaan met steeds minder mensen - zet de onderwijzer stug door. Hij stroopt de mouwen nog eens op en schraapt de motivatie van de panbodem om er maar weer een mooie schooldag van te maken. Er is het verantwoordelijkheidsgevoel en de trots: je wilt niet te licht bevonden worden, dus je recht de rug tot het niet meer gaat en het eigenlijk al veel te laat is.

De oplossing voor de klachten wordt nog vaak gezocht bij het individu: rust, mindfulness, meditatie, sport - de adviezen zijn bekend. De bedrijfsarts komt al snel met een zogenaamd ‘werkhervattingsschema’, maar vaak beginnen docenten te vroeg. Je bent zo weer tien stappen terug, als je ondanks de fysieke vermoeidheid en emotionele uitputting tóch weer voor de klas gaat staan. Dat is inherent aan het beroep. Het is daarom aan werkgevers zorgvuldig met de opgebrande docenten om te gaan en - nog belangrijker - een vangnet te bieden voor de onvrijwillig kwetsbaren.

Dit artikel verscheen eerder in Kleio.

woensdag 26 juli 2017

Suzanne en Stijn

Suzanne was een buitengewone onderbouwleerling. Ze zat vooraan in het lokaal, bij mijn bureau, stelde goede vragen, werkte hard en bovenal: ze had een piekfijn schrift waar ieder een puntje aan kon zuigen. Haar ogen twinkelden van levensvreugde, maar er schemerde ook iets ongrijpbaars door in die flonkering.

Stijn is een stuk ouder dan Suzanne. Hij is een creatieve en ontzettend vriendelijke jongen. Volwassen voor zijn leeftijd. De beste acteur van school ook. Hij rondde afgelopen jaar vwo 6 af met een prachtige cijferlijst.

Ik becijfer de schriften in de onderbouw - Suzanne maakte daar een sport van. In haar nette schrift nam ze alles over wat ze eerder in haar vlugschrift had geschreven. Ik gaf haar een tien, want echt, beter kon niet.

Suzanne's schrift in klas 2

Toen ik tegen het einde van het schooljaar mijn postvak opende vond ik een kaart van Stijn. Hij had genoten van mijn lessen en bedankte me voor ‘de geschiedenisverhalen, maar ook de persoonlijke verhalen en grappige anekdotes. U bent een voorbeeld!’ Ik bloosde haast - een collega die de kaart zag, zei terecht: ‘Kijk, daar doe je het voor.’ Ik geef geen les om complimenten te ontvangen, maar als ik een inspiratiebron ben geweest voor een leerling, dan glunder ik van trots.

Fragment van Stijn's kaart

Ik gaf Suzanne les in de tweede en derde klas. Haar schriften heb ik van kaft tot kaft gekopieerd en bewaard: nog steeds raadpleeg ik ze. Een nettere archivering van mijn lessen had ik niet kunnen wensen. Eerlijk, ik had het zelf niet beter kunnen doen.

‘Ik had het zelf niet beter kunnen doen’, dat zei ook mijn collega van filosofie. Stijn haalde een 9.6 op het examen en gaat komend jaar filosofie studeren. ‘Maar het had net zo goed geschiedenis kunnen worden’, verzekerde zijn moeder me.

Vorig jaar nam Suzanne me apart. Ze wilde me iets vertellen. ‘Misschien is het u al opgevallen, maar mijn vrienden noemen me Stijn.’ Die twinkeling in de ogen. Vanaf toen was Suzanne Stijn. Hij had zich altijd al een jongen gevoeld en ging daar nu naar leven. De kracht die hij bij de mededeling uitstraalde voelde ik in mijn hele lijf.  

Stijn overtrof zijn docenten. Niet alleen in zijn werk, maar ook in zijn moed. Suzanne en Stijn zijn geweldige mensen. Je kan als docent je leerlingen inspireren, maar andersom kan dat ook. Ik pak zijn kaart er nog eens bij en lees ‘Ik zal mijn schriften voor altijd bewaren’. Ik glimlach. Stijn is een voorbeeld voor mij. En ik denk voor iedereen.

--
Dit schrijven verschijnt in september in Kleio

woensdag 26 april 2017

Pleidooi voor de kunsten

Creatieve vaardigheden zullen onontbeerlijk zijn in de eeuw die nog grotendeels voor ons ligt. Dat is geen nieuws. Toch zijn de kunsten een Haagse sluitpost of überhaupt geen thema. In het onderwijs merk je dat: de creatieve vakken hebben geen prioriteit, want de nadruk ligt op economisch ‘nuttige’ vakken. En breder: in een verzakelijkte cultuur - waarin het draait om cijfers en minder om mensen - komt kunst sowieso in het gedrang.

De schrijver Guus Kuijer zei eens op Twitter: ‘Hoe kun je slechte bestuurders onmiddellijk herkennen? Kunst interesseert ze niet. Waarom niet? De mens interesseert ze niet.' Ik moest aan deze tweet denken toen ik een leidinggevende onlangs hoorde zeggen dat hij niets met beeldende kunst heeft. Ik geloof wel dat hij zich interesseert in mensen. Toch is hij ook een representant van het verzakelijkte onderwijs - de opmerking paste hem wel.
Het was niet voor niets dat Barack Obama zei dat hij vaker meer leerde van literatuur dan van het nieuws. Wat hij bedoelde is dat nieuws zegt te pogen de objectieve waarheid te tonen, maar daarin per definitie niet slaagt. Kunst beweert zoiets niet, maar geeft per definitie wel een eerlijk, wáár beeld (tenzij het staatspropaganda betreft, uiteraard). Kunst is menselijk. Kwetsbaar. Het relativeert. Het biedt troost. En het maakt je daarom gelukkig. Ja!

-- Kijk hier voor Obama's boeken top 10.


Johannes Vermeers 'Gezicht Op Delft' met die zachte bries over de Schie
In kunst tref je anderen, maar vooral jezelf. In plaats van alleen op prestaties gericht te zijn, zouden jongeren daarom vaker met kunst geconfronteerd moeten worden om zichzelf te leren kennen. Van zelfinzicht - het calibreren van je kompas - wordt de wereld vaak mooier.

Hoewel muziek, tekenen, handvaardigheid, drama en dans onderaan in de vakkenhiërarchie staan, zijn er altijd bevlogen docenten te vinden die hun vak verrijken met opdrachten die de creativiteit aanspreken. Je kan ook overdrijven in je enthousiasme: mij schoten de tranen in de ogen toen ik Gezicht op Delft van Vermeer weer zag, maar wel in het bijzijn van tien vwo-5-leerlingen. Ik zag dat ook zij onder de indruk waren - vermoedelijk niet zozeer van de zachte bries over de Schie, zo mooi geschilderd door Vermeer, maar eerder van mijn wat dramatische reactie.

We móeten zoveel: doelen halen, de portfolio spekken, een schaal hoger of een vast contract. Kunst trekt je even uit die malle prestatiemolen en zet je oog in oog met jezelf en de ander. Kunst gaat over mensen, niet over de getallen onder de streep. Menselijkheid en gezond zelfinzicht, daar is altijd behoefte aan - niet in de laatste plaats in het onderwijs.

zondag 12 maart 2017

Wat is de kans?


Hoewel neurowetenschappers er van uitgaan dat onze wiskunde-instincten al 30 miljoen jaar oud zijn - baby's worden zelfs geboren met een numerieke intuïtie - zitten we er als mens toch best vaak naast als het gaat om wiskunde, met name bij grote getallen, kansberekening en exponentiële groei. Daar hebben we de grootste moeite mee. 

Sissa Ibn Dahir, de uitvinder van het schaakspel, leek om een schijnbaar bescheiden beloning te vragen toen hij graankorrels wenste volgens de volgende formule: één korrel op het eerste van 64 schaakvelden, twee op het tweede, vier op het volgende en zo verder. De Indiase koning voelde zich beledigd door de bescheiden vraag, maar de wereldproductie graan volstond niet om aan deze te kunnen voldoen.

Onze intuïtie krijgt doorgaans geen vat op exponentiële groei. De kloof tussen arm en rijk, de opwarming van de aarde, de groei van de wereldbevolking: het zijn enkele voorbeelden die aantonen dat exponentiële groei ons vooral overkomt en dat we dat soms beseffen als het al te laat is.


De wereldproductie graan volstond niet 


Zo snappen we ook niet veel van een heelal dat 13,8 miljard jaar oud is, van de zeeën van tijd waarin we als jagers rondtrokken, of zelfs van de enorme uitgestrektheid van de Middeleeuwen in de twintig eeuwen sinds onze jaartelling. We kunnen niet groot denken - daar zijn we niet voor in de wieg gelegd.


Toch vergissen we ons ook op kleiner niveau als het gaat om wiskunde en instinct - met name als het gaat om kansberekening. In een klas van 25 leerlingen is de kans dat twee van hen op dezelfde dag jarig zijn bijna 50%. Inderdaad, als je je klassen langs loopt, het komt vaak voor, maar ons instinct fluistert dat het onmogelijk is. Ook zijn we geneigd te denken dat wanneer ons iets heftigs is overkomen - een auto-ongeluk, het winnen van de loterij - dat de kans dat het nog eens gebeurt is afgenomen, terwijl die even groot blijft.

Hoe vaak zullen politieke leiders zich in het verleden niet hebben vergist in groei, kansen en grote getallen? Hoe snel kan de weerstand van een volk tegen een oorlog groeien als die groei niet lineair, maar exponentieel is? Hoe berekende Napoleon zijn kansen toen hij richting Moskou trok? Wat grote getallen betreft, leek Stalin te begrijpen dat men daar toch geen benul van had, toen hij zei: één dode is een tragedie, maar een miljoen doden is statistiek. Cijfers voelen we niet, ook al zijn onze wiskunde-instincten nog zo oud.

Eerder gepubliceerd in Kleio 

donderdag 23 februari 2017

Nuanceren

Nooit eerder in de geschiedenis hadden we toegang tot zoveel informatie als nu. De logische consequentie van die enorme berg data is dat we met de handen in het haar staan: de wereld blijkt zoveel ingewikkelder dan we al dachten! We kunnen er met ons hoofd niet meer bij. En als de werkelijkheid zo gecompliceerd is dat we er tureluurs van worden, wat is het dan verleidelijk om terug te vallen op een wat eenvoudigere, ongenuanceerde waarheid, ook al komt die niet helemaal of helemaal niet overeen met de werkelijkheid. We denken dan ergens iets van af te weten, we kunnen ergens in geloven, maar zijn natuurlijk nog steeds onwetend.


We hebben geen grip meer op de wereld, juist omdat er online zoveel ‘experts’ opereren. Ik schrijf experts bewust tussen aanhalingstekens, omdat er zowel meer betrouwbare als minder betrouwbare actoren in het spel zijn. Maar wie is wie? Wie van hen spreekt nu eigenlijk de waarheid? Welk artikel moet ik lezen om echt te weten hoe het gaat met het klimaat? Waar moet ik te rade gaan om de mechanismen van de bankensector echt te begrijpen? Wie vertelt me echt wat moslims denken? Voor elk geluid is een tegengeluid. Tegenover elke politieke uitleg staat een samenzweringstheorie.


Ik ben misschien wat ouderwets. ik geloof nog in de onderzoeksjournalist, de geniale wetenschapper en de integere politicus. Ik geloof in het objectieve verslag, de keiharde feiten en de weloverwogen nuancering, maar ik heb de indruk dat ik tot een minderheid behoor. En op internet bepaalt de meerderheid wat er boven komt drijven, want daar regeert de macht van de exponentiële viraliteit.


En wat boven komt drijven zijn natuurlijk de poezenvideo’s, de scheldpartijen, treiterijen, hap-snapnieuws, discutabele, maar ‘sexy’ studieresultaten en ongenuanceerde politieke uitspraken. Hashtag, like, deel, mention en de versimpelde werkelijkheid krijgen we zo in de schoot geworpen. Bankencrisis? Klimaatverandering? Vluchtelingenstromen? Het conflict in Syrië? Hoe het écht zit, is immers ook veel te ingewikkeld.


Het is de kunst om onze leerlingen te leren in die stroom informatie de juiste bronnen te vinden. Het beoordelen van de bruikbaarheid van bronnen is altijd een van de belangrijkste vaardigheden bij geschiedenis geweest. Op dit moment is er een generatie volwassenen die zich steeds minder de moeite getroosten op zoek te gaan naar de nuance, het achtergrondartikel, de wetenschappelijke studies. Laten we ons best doen de jonge generatie - via taal, door onderzoek, met discussie - te laten nuanceren.

Eerder gepubliceerde in Kleio







Doelloos

Ik was in een slecht humeur, dus ik pakte dat knotsgekke rapport van de commissie-Schnabel er nog eens bij met de onderwijsdoelen voor 2032, om even flink te lachen.

Had ik in de werkgroep gezeten, dan had ik maar één doel geopperd, maar dan, vlug een beetje, al voor 2025: maximaal 20 lesuren in de week voor maximaal 25 leerlingen per klas. Ik zie het al voor me: #2025. Maar nee, zulke heldere, praktische doelen biedt het rapport helaas niet.
Het is een vergaarbak van open deuren en holle retoriek, zoals al door menigeen is opgemerkt. Dat is nogal wiedes, want too many cooks spoil the broth. Jan en alleman kookte mee, maar uiteindelijk heeft niemand in het onderwijs ook maar iets aan deze nietszeggende toekomstvisie.

En hoe komt het vak geschiedenis er in het rapport van af? Als het aan Schnabel ligt, dan gaat het vak geschiedenis met aardrijkskunde en economie op in het kennisdomein Mens & Maatschappij. Kennis moet worden gekoppeld aan 'het aanleren van vakoverstijgende vaardigheden' volgens Schnabel.

In het rapport winnen de vaardigheden het van de kennis. Het hoofd hoeft geen encyclopedie meer te zijn, want de Google-god levert de kennis anno 2032. Het rapport leunt sterk op de ontzettend gehypete 21st Century Skills zoals probleemoplossend vermogen, kritisch denken, samenwerken, creativiteit, sociale vaardigheden, culturele sensitiviteit en digitale geletterdheid. Alsof we leerlingen niet altijd tot kritische, creatieve, sociaal vaardige en cultureel gevoelige burgers hebben opgeleid.
Het behoeft overigens geen betoog dat Engels de grote cultuurdragers Frans en Duits knock-out slaat in het rapport. Ook dat nog.

Dat de staatssecretaris parate kennis ontbeert, betekent niet dat de nieuwe generatie die mag missen. Zonder flinke feitenkennis sla je de plank mis in discussies, zie je geen verbanden en kom je niet tot nieuwe inzichten. Nieuwe kennis plakt in het hoofd aan oude kennis en verwordt tot een bruisend geheel van nieuwe ideeën. Hoe kan een leerling kritisch, creatief of cultureel sensitief worden als het geen gedegen kennis heeft van literatuur, kunst, geschiedenis en de wereld om hem heen?

Kennis wordt in het rapport wel genoemd, maar de 'skills' hebben duidelijk een streepje voor. Google eens 21st Century Skills en zie hoeveel bureaus er al mee aan de haal zijn gegaan.

Het rapport herbergt stagnatie in plaats van visie. Door feitenkennis, de humanities en de grote Europese talen op het tweede plan te laten komen, sluiten we de deuren naar het Europese verleden waar we in de toekomst niet zonder kunnen.  
(Eerder gepubliceerd in Kleio)

woensdag 28 december 2016

De schermgeneratie

‘Meneer, gaan we vandaag eindelijk eens een film kijken?’ Ik zucht. Aan het woord is de schermgeneratie. Ze swipen ‘s ochtends WhatsApp open, komen met over hun mobiel gebogen hoofden het lokaal binnen sjokken en vallen ‘s avonds te laat in slaap met het vaalblauwe licht van hun mobieltje op het gezicht. Als ik een documentaire over het Ardennenoffensief laat zien, terwijl het boek openligt bij de ontdekkingsreizen, ze slikken het voor zoete koek. Wát je ook opzet, de monden vallen open en ze kijken, kijken, kijken. Want dat doet de schermgeneratie: kijken naar de schermen van hun tv’s, telefoontjes, tablets, laptops en pc’s.

Het scherm als opium voor het volk. De smartphone de nieuwe afgod. En als de suffe zwart-wit-beelden afgelopen zijn, roept iemand: ‘Meneer, mag ik nu iets cools laten zien?’

En juist daarom laat ik nog nauwelijks video’s zien. Ik doe het alleen als de beelden écht iets toevoegen en ik er een zinnige opdracht bij heb. Als de leerlingen vragen waarom ik niet zo vaak filmpjes laat zien, leg ik uit dat er een film in ons hoofd afgespeeld dient te worden. En dat noemen we fantasie. Laten we fantaseren. Creatief zijn. Verbanden leggen. Diepzinnig worden. In het hooooofd! Maar ik roei tegen de stroom in, want schermonderwijs is hot. Denk alleen maar aan de iPadscholen.

In het hoger onderwijs zijn de zogenaamde MOOCs - de ‘massive online open course’ - een nieuwe verschijnsel. Vooralsnog vooral toegankelijk voor de rijke, hoog opgeleide elite, bieden deze online cursussen via het computerscherm de mogelijkheid te slagen voor een vak zonder je bed uit te komen.

En dan is er ook nog Flipping the Classsroom - op zichzelf geen gek idee. Als geschiedenisdocenten hebben we te maken met het fenomeen Joost van Oort. Ik neem mijn pet af voor de keurige presentaties van deze YouTube-goeroe met een zachte g, maar te vaak hoor ik dat mijn examenleerlingen liever onderuitgezakt zijn filmpjes kijken dan de historische context werkelijk zelf bestuderen. Als ik hoor ‘ik kijk nog wel even Jort voor de toets’ word ik daar eerlijk gezegd strontchagrijnig van. Hun schermvriend Jort die niet eens Jort heet.

Een beeldscherm is wat het is: de verbeelding vervlakt. Het is het consumeren van een kant-en-klaar-maaltijd, terwijl de keuken volstaat met overheerlijke ingrediënten waar je mee aan de slag kan. Probeer! Experimenteer! Onderzoek!

Natuurlijk zie ik de mogelijkheden van de nieuwe technologie ook wel. Dat is niet zo moeilijk. Het is veel moeilijker om deze schermgeneratie van de schoonheid van de verbeelding te doordringen. De mooiste film speelt zich af in het hoofd van de fantast.

maandag 16 mei 2016

Uitgerangeerde Dwarsliggers

De stencilgeneratie babyboomers die al jaren fronsend, zuchtend en nee-schuddend de vergaderingen bijwonen, die roepen ‘wat een ontzettend stom idee is dit!’ en dan weglopen, die elk managementsinitiatief aanvechten; zij die de dwarse bladen lezen, die soms zelf schrijven, zij die vanuit de opleiding als vanzelfsprekend links georiënteerd en politiek actief zijn – die generatie verdwijnt van het toneel. De dwarse, mondige geschiedenisdocent behoort straks zelf tot de geschiedenis.
De nieuwe generatie – de twintigers, de dertigers, sommige veertigers – die met haar academische opleiding in lage schalen terechtkwam, de lichting die van tijdelijk contract naar tijdelijk contract gebonjourd wordt – die generatie wordt de rol van dwarsligger onmogelijk gemaakt, althans, als carrière maken de ambitie is. En dat ís de ambitie van de meesten: een vast contract in een hogere schaal geeft het leven immers wat zekerheid.
Ik heb de leraar geschiedenis leren kennen als eigenzinnig; eerder gevoelsmens dan berekenend. Eerder het hart op de tong dan de zaken met de mantel der liefde bedekkend. Ik heb mijzelf na acht jaar onderwijs ook zo leren kennen. Ik zucht tijdens de teamvergadering. Ik zeg gemakkelijk nee tegen werk waarvan ik het nut niet inzie. Ik dans uit de maat op de pijpen van de locatieleiding. Ik maak niet gemakkelijk vrienden in het middenmanagement. Ik ben een luis in de pels, hoor ik wel eens zeggen.
Ik was er trots op balsturig te zijn, maar nu loop ik vast, want ik heb ambities.
Mij valt naïviteit te verwijten, dat begrijp ik, maar het onderwijs wordt ‘geprofessionaliseerd’. Dat betekent dat als een vast contract of een schaalverhoging aspireert, je de gekozen protocollen en procedures moet omarmen, dat je veranderingen veranderkundig moet benaderen, dat je daarbij jargon hanteert dat je niet eigen is, dat projecten vanuit betwistbare theorieën en concepten opgezet moeten worden. Je doet er kortom verstandig aan er niet met gestrekt been in te gaan, want dan verpest je je dossier.
Mijn vrouw zegt dat ik niet zo moeilijk moet doen, dat ik slim genoeg ben om door de hoepel te springen en dat ik mezelf daarmee niet verloochen. Dat zegt mijn leidinggevende ook. Het is een kwestie van ‘omschakelen’, zoals een cursusleider dat zou zeggen, daarbij de handen aan weerszijden van het hoofd om daarmee de denkbeeldige knoppen om te schakelen. Omschakelen dus. Ok. Als mijn vrouw het zegt, dan ga ik ervoor. Ik moet per slot van rekening haar nieuwe schoenen betalen, maar feit is: de dwarsligger lijkt uitgerangeerd.
Eerder gepubliceerd in Kleio




dinsdag 5 april 2016

Piemels op tafels

Inmiddels heb ik geleerd dat je eerst boosheid moet spelen, voordat de echte woede een waas voor je ogen tovert. Nog maar net voor de klas, beheerste ik dat allerminst: ik reageerde meestal nogal impulsief. Toen ik in het werkboek van een derdeklasser een hakenkruis ontdekte, bedacht ik me niet. Ik pakte het boek en wierp het ongenadig hard tegen de achterwand van het lokaal: de doffe knal werd gevolgd door een tirade van weet je wel en hoe kun je en je moest eens beseffen en van dit en van dat. De klas leek onder de indruk, want niemand zei nog iets.

​Nog steeds ontdek ik af en toe een hakenkruis in een schrift, op een tafel of op de muur. Meestal zijn ze haastig getekend, in de helft van de gevallen ook nog eens linksom draaiend in plaats van rechtsom. Het onderwijs ondersteunend personeel heeft er een taak aan. Toen vorig jaar een conciërge afscheid nam, werd hij bedankt voor zijn inzet. Specifiek werd tussen neus en lippen door het verwijderen van de hakenkruizen van tafels genoemd. Dat verdiende een pluim! Ik mompelde: en de piemels dan?

​Want ook eenvoudig getekend en o zo ongehoorzaam zijn de piemels op tafels. Zonder uitzondering haastig getekend met als resultaat piemels in alle soorten en maten. Mét ballen, zonder ballen, met of zonder haar. Als je ze opspoort vind je ze overal: op stoelen, muren, in de toiletten, op posters. Slechts zelden nadert de tekening een realistische weergave. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat het getekend is terwijl de kunstenaar onschuldig naar de docent knikte die de wortels en breuken uitlegde.

​Piemels en hakenkruizen. Appels en peren, maar je hebt ze liever niet op tafel. De bedoelingen zijn evenwel niet kwaad. Ok, het zijn wel pubers met piemelzorgen, maar het zijn geen jonge neonazi’s natuurlijk. Het is in beide gevallen een simpele manier om rebels te doen en het is de taak van de docenten uit te leggen dat het stompzinnig is. Vooral de hakenkruizen. Die zijn heel dom. Kappen daarmee. En piemels, ach, alleen bij meneer De Vries van Nederlands dan.

Toen ik onlangs in VWO6 mijn fascinatie voor de schoolbankkunst voorlegde, maar uit professionele overwegingen het tegelijk afkeurde, herinnerde ik mij het voorval van het hakenkruis in het werkboek van de derdeklasser. Ik vertelde hoe ik het boek tegen de muur gooide, hoe de klas stil werd en… Toen ineens besefte ik dat we drie jaar verder waren en dat de bewuste jongen, nu een lange jongvolwassene, rechts vooraan in het lokaal zat. Hij keek me aan. ‘Weet je het nog?’, vroeg ik. Hij richtte zijn ogen op zijn tafel en knikte beschaamd. Hij wist het nog.