maandag 4 november 2019

In de rij

Ik heb mijn leerlingen altijd gestimuleerd de wereld te verkennen, omdat ik - naar Confucius - meende dat het beter was een mijl te reizen dan duizend boeken te lezen. Maar anno 2019 is mijn aanmoediging niet alleen overbodig - voor veel van mijn leerlingen is een overzeese vakantie de normaalste zaak van de wereld geworden - mijn aanmoediging is vooral misplaatst, want massatoerisme bedreigt de wereld. 

Proppen is het: de toeristen passen bijna niet meer door de trechter van de branche. Het aantal reizigers wereldwijd steeg sinds 1950 van 25 miljoen naar 1.4 miljard. De meeste daarvan togen naar Frankrijk, Spanje, de Verenigde Staten en China. Massatoerisme is een plaag geworden en het merkwaardige is dit: ik hekel het fenomeen, maar sta óók in de rij voor de Sixtijnse Kapel - ik was deze zomer in Italië. 

AP: Climbers on Mount Everest 190522
Zelfs op de hoogste bergtop buitelen toeristen over elkaar
Nirmal Purja | @Nimsdai Project Possible via AP
Maar kijk. Zelfs op de hoogste bergtop buitelen toeristen over elkaar. De suppoosten van het Louvre staakten, omdat de rijen steeds langer en onfatsoenlijker werden. In Dubrovnik worden de inwoners gek van de toenemende stroom Game-Of-Thrones-fans. In Venetië woont bijna geen Venetiaan meer, omdat ze vluchtten voor de rolkoffers en cruiseschepen. Openluchtmuseum Rome kampt met zoveel overlast dat de burgemeester heeft besloten boetes uit te delen voor pootjebaden in de Trevifontein of ijs eten op de Spaanse Trappen.  

Afbeeldingsresultaat voor cruiseschip venetie
In Venetië woont bijna geen Venetiaan meer, omdat ze vluchten voor rolkoffers en cruiseschepen | Foto: EPA
Het is de paradox van het toerisme. Een mooie plek trekt veel mensen waardoor die vanzelf lelijk wordt. De souvenirwinkels, de fastfoodrestaurants en de toeristen zelf: ze zijn lelijk en niet op hun plek. Als mensen op vakantie zijn, zijn ze op hun allerlelijkst. Ze claimen de stad, werken hun to-do-lijstjes af en smelten vervolgens tot hoopjes ellende in de snikhete rij voor een kathedraal. Ze vernielen, vervuilen en overschreeuwen de plekken die ze afvinken. De ziel van de historische plek slijt onder hun voeten tot gruis.

Ach, misschien overdrijf ik een beetje. 

Maar zoals ik zei, ik was in Italië en in de gangen van de Vaticaanse musea bewoog ik me door een woud van rugtassen en selfie-sticks. Het rook er naar zweet en zonnebrandcrème en de kleverige massa trok met gebogen nek en opgeheven stick langs de mooiste kunstschatten, maar vergat te kijken. Alleen het onvermoeibare oog van de camera documenteerde. Toen ik in Florence naar Da Vinci’s eerste penseelstreken stond te gluren, werd ik wegge-psst door een ongeduldige toerist die zijn kinderen op de foto wilde zetten. 

Een woud van rugtassen en selfie-sticks | foto: JP
Ik wil er niet meer aan meedoen. En ik wil dat mijn leerlingen niet zo worden. Het is tijd om Confucius’ woorden te herschrijven, want het is anno 2019 verstandiger een boek te lezen dan duizend mijl te reizen. 

deze column verscheen in
Kleio #6 | jaargang 60 | november 2019

donderdag 12 september 2019

Vrouwen

De statistieken van de onderwijsinspectie zijn zonneklaar: de meisjes hebben de jongens achter zich gelaten. Ze halen sneller hun diploma, stromen minder vaak af, blijven minder vaak zitten en gaan vaker naar havo en vwo. Sinds 2017 is het aantal hoogopgeleiden onder vrouwen zelfs groter dan onder mannen. Maar eenmaal op de arbeidsmarkt legt de vrouw het nog steeds af tegen de man. Vrouwen werken minder, verdienen minder en maken minder snel carrière. Emancipatie is altijd een kwestie van tijd. 

Afbeeldingsresultaat voor 100 jaar vrouwenkiesrecht


Ik bezocht met mijn vierde klassen het Groninger Museum voor de expositie ‘Strijd! 100 jaar vrouwenkiesrecht’. Waar een aantal leerlingen op voorhand wat morde – hier en daar klonken geluiden dat men liever richting de supermarkt ging voor frikadelbroodjes – moesten de meesten nadien toch toegeven dat de korte excursie zeer de moeite waard was. 

Emancipatie begint met het bestuderen van de geschiedenis, zoals Yuval Harari uitlegt in Homo Deus. De ongelijkheid tussen plantage-eigenaar en slaaf, tussen fabrieksdirecteur en arbeider of tussen man en vrouw: het leek een eeuwige, zelfs natuurlijke verhouding. Maar blader je verder terug, dan blijkt dat zulke onrechtvaardigheid is ontstaan door ‘slechts’ een ketting van gebeurtenissen en dus alles behalve eeuwig en natuurlijk is. Pas door herinnering, herdenking en herijking kan de onderdrukte groep zich bevrijden van diezelfde geschiedenis. 

Ik vond dat een mooi inzicht en zo moedigde ik de vierdeklassers aan in hun gesjok door het museum. Omdat ik hen had verzekerd dat de geboden informatie zou terugkomen op de toets, luisterden ze extra aandachtig naar de gids. Gaandeweg vielen de monden open. 

Voor de meeste tieners voelt de wereld zoals die is net zo vanzelfsprekend als voor de meeste tieners van 100 jaar geleden. Het is voor hen daarom haast onvoorstelbaar dat de emancipatie van de vrouw nog maar zo’n recent verschijnsel is. Waar ze in 1919 kiesrecht kreeg, werd de vrouw pas in 1956 wettelijk ‘handelingsbekwaam’: vanaf toen mochten getrouwde vrouwen eindelijk de arbeidsmarkt op, zonder man een reis maken, een bankrekening openen en contracten ondertekenen. 

Afbeeldingsresultaat voor aletta jacobs
Aletta Jacobs
Niets is natuurlijk, want altijd het gevolg van een kettingreactie van gebeurtenissen. En niets is eeuwig, want alles is eeuwig in verandering. De pioniers van emancipatie zijn daarom helden: vrouwen als Aletta Jacobs en Wilhelmina Drucker, vooral omdat ze durfden los te komen van die onbetwistbare vanzelfsprekendheid. Het vereist buitengewoon veel inzicht, maar vooral heel veel lef om je te ontworstelen aan een gegeven, statische werkelijkheid. 

In de laatste ruimte van de tentoonstelling was slechts één object, mooi uitgelicht in het midden van de zaal. Het was de wetswijziging van 1919. Eén van mijn leerlingen stond ernaast. Pas toen zag ik wat op haar T-shirt stond: ‘Girls, the future’. Toevallig, zei ze. Geheel niet, dacht ik. 

zondag 7 juli 2019

Einstein

Het verhaal wil dat Marilyn Monroe Einstein eens voorgelegd zou hebben samen een kind te maken, want, zo legde zij het genie uit, stel je nu eens voor: een kind met jouw genialiteit en mijn schoonheid! 

Gerelateerde afbeelding
Albert Einstein

Monroe was inderdaad een prachtige vrouw en Einstein een geniaal natuurkundige. Hij kwam in mijn les ter sprake, omdat de ESO op 10 april een foto van het zwarte gat van sterrenstelsel Messier 87 publiceerde. Ik liet de afbeelding bij aanvang van een les zien, maar mijn leerlingen reageerden teleurgesteld: is deze onscherpe kiek nou echt een mijlpaal?

Afbeeldingsresultaat voor black hole picture
De foto van het zwarte gat
En zo dwaalde ik van de lesstof af. Ik legde uit dat deze foto de inzichten van Einstein bevestigde, zoals Galileo het heliocentrische wereldbeeld van Copernicus met zijn telescoop bevestigde. Al ruim honderd jaar geleden voorspelde Einstein hoe de ‘event horizon’ van een zwart gat - de lijn waarachter alles zich onttrekt aan onze waarneming - er uit zou zien. Zo dus.

Het is niet de eerste keer dat de inzichten van het Duitse genie jaren na publicatie empirisch bewezen werden. Vier jaar geleden nog werden zwaartekrachtgolven waargenomen - dat had Einstein ook al voorzien. 

Het mooiste voorbeeld is dat van Arthur Eddington, die in 1919 naar het West-Afrikaanse eiland Principe afreisde om de zonsverduistering waar te nemen. Hij deed dat doelbewust om Einsteins algemene relativiteitstheorie van vier jaar eerder te toetsen. Pas bij een verduistering zou zichtbaar worden dat het licht van sterren rond de zon door de massa van diezelfde zon gebogen wordt. Eddington zag inderdaad dat sterren rond de verduisterde schijf nét op een andere plek verschenen dan waar ze hoorden. 

Afbeeldingsresultaat voor arthur eddington
De eclips van 1919

Al veel eerder, in 1905, publiceerde Einstein zijn speciale relativiteitstheorie. Daaruit volgt de zogenaamde tweelingparadox. Het is een gedachte-experiment waarin één broer op hoge snelheid een ruimtereis maakt. Teruggekomen op aarde is hij jonger dan zijn tweelingbroer die thuis bleef.

Toevallig publiceerde NASA twee dagen na de foto van het zwarte gat de resultaten van hun ‘twins study’. Scott Kelly cirkelde bijna een jaar in het International Space Station rond de aarde. Zijn eeneiige tweelingbroer Mark - ook astronaut - bleef thuis. Maar Scott was er allesbehalve jonger op geworden. De onfrisse lucht, het ontbreken van zwaartekracht, maar vooral de ruimtestraling had nogal een slechte invloed op Scotts DNA en cognitie. Hij was eerder ouder geworden.

Afbeeldingsresultaat voor nasa twins study
Mark en Scott Kelly
Had Einstein dan ongelijk? Nee, met de speciale relativiteitstheorie heeft de tweelingstudie natuurlijk niets te maken, maar het maakt de paradox toch wat paradoxaal. 

Overigens, wat betreft het verzoek van Marilyn Monroe: nadat Einstein even na had gedacht, zou hij geantwoord hebben dat hij bang was dat het kind juist háár hersenen en zíjn uiterlijk zou erven. Dat was theoretisch inderdaad goed mogelijk.

vrijdag 10 mei 2019

Stippen

Er bestond ooit een aarde waarop talloze kleine mensengroepen langs elkaar heen bewogen. Het waren nomadische stammen - ronddolende stippen van verschillende kleuren in een immense ruimte. Het grootste deel werd sedentair in de millennia na de landbouwrevolutie. Dat was de eerste keer dat groepen van andere genetische en culturele komaf gingen samenwonen - stippen klonterden samen met andere kleuren. Sindsdien kruipen we in steeds grotere aantallen bijeen, binnen kaders van stadsmuren, natiestaten, uniformering, wetgeving, belastingen, rijken, pacten, federaties en unies.

Het leven werd er met de samenklontering doorgaans niet beter op. In de landbouwsamenlevingen ging de volksgezondheid er aantoonbaar op achteruit door bijvoorbeeld infectieziekten, afgenomen hygiëne of het mislukken van cruciale oogsten. Laatmiddeleeuwse steden, maar ook de industriële steden van de negentiende eeuw laten een soortgelijk patroon zien.

Het was de illusie van meer bestaanszekerheid, dan wel dwang, die ons samenbracht binnen die telkens veranderende, maar steeds groter wordende kaders. De wetmatigheid leert evenwel dat, als dan de bevolking toeneemt, de afhankelijkheid van de nieuwe werkelijkheid óók toeneemt. Je kan niet terug. Althans, niet zonder pijn. Stadsmuren, rijken, pacten en unies brokkelen af door oorlog of pandemieën.

Feit blijft dat we in steeds grotere verbanden zijn gaan samenwerken. En globalisering is daar per definitie de laatste stap in. De wereldeconomie draait in de 21ste eeuw op volle toeren en politieke eenheden zijn continenten groot. Veel grenzen zijn open: mensen migreren voor werk, liefde en een beter bestaan. De stippenklonters zijn enorm rijk geschakeerd geworden en optimisten zijn gaan geloven in de multiculturele samenleving.

Maar hoewel we ons wel laten kaderen binnen grenzen en wetten, onze genetische en culturele komaf slepen we altijd mee. De geschiedenis toont dat minderheden vaak gebukt gingen onder de dominante cultuur. Ze dienden zich aan te passen, ze werden onderdrukt of zelfs uitgeroeid. Het overkwam de indianen en de zwarte bevolking van Amerika, de Slaven in de Donaumonarchie, de Armeniërs in het Ottomaanse Rijk, maar ook de historische vreemdelingen in Nederland - hoe tolerant we ons ook voordeden, alleen als ze nuttig waren, vraten we ze.

Sommige mensen zijn cynisch over de multiculturele samenleving en de ‘global village’: de multiculturele samenleving is gedoemd te mislukken, omdat bepaald gedrag en culturele uitingen ‘hier gewoon niet thuishoren’. Het is altijd ons-kent-ons versus de vreemdeling en we zullen er nooit aan wennen, aan je gekke gedoe. Verdragen is dragen. Tolereren is dulden. Maar eigenlijk motten we je niet.

En toch. De constatering dat het historische pad ons sinds het ontstaan van de mens alleen maar in grotere verbanden bijeenbracht - de pijnlijke, incidentele ontwrichtingen ten spijt - suggereert dat er geen andere weg is dan die naar het mondiale dorp: een bal van aaneengesloten stippen waarop alles thuishoort.

Deze column verscheen in het meinummer van Kleio, jaargang 60, 2019

vrijdag 29 maart 2019

Zinkgat

Wat een onthutsende constatering van Oxfam Novib afgelopen januari: de rijkste 26 bezitten evenveel vermogen als de armste 3,8 miljard mensen. En de kloof groeit. Want vermogen groeit. De Franse econoom Thomas Piketty schreef het al in zijn bestseller Kapitaal van de 21ste eeuw uit 2014: het rendement op vermogen is groter dan de economische groei. Daarom drijven arm en rijk steeds verder uiteen. Jeff Bezos van Amazon, de allerrijkste, zou 4 miljoen door vermogensgroei verdienen. Per uur!

Piketty had de focus ook kunnen leggen op globalisering of automatisering: steeds meer banen zullen verdwijnen - nog een reden dat het zinkgat zal groeien.

Kapitaal brengt als vanzelf Das Kapital van Karl Marx in de herinnering. In Marx’ 19e-eeuwse theorie laat de accumulatietheorie hetzelfde zien: kapitaal zal zich uiteindelijk in handen van een steeds kleinere groep rijken concentreren. Marx voorspelde de revolutie (en inderdaad, revoluties en oorlogen verkleinden de kloof vanaf 1945 tijdelijk), maar Piketty meent pessimistischer te zijn als hij zegt dat de concentratie van rijkdom eeuwig kan doorgaan.

Genoeg theoretici wijzen erop dat egalitaire samenlevingen niet alleen een gezondere populatie, minder criminaliteit en meer geluk (zie: Scandinavië), maar vooral meer groei produceren. Welvaartsgroei ontstaat immers pas als de kwetsbaren geld te besteden hebben, onderwijs kunnen genieten en deel kunnen nemen aan het politieke proces.

Amerika dient zich aan als historische case-study. Toen Columbus in 1492 land in zicht kreeg, floreerden de dichtbevolkte beschavingen van Zuid-Amerika - het dunbevolkte Noord-Amerika was minder ontwikkeld en welvarend. In de eeuwen die erop volgden kantelde dat beeld. De egalitaire kolonisten-samenleving van Noord-Amerika kreeg de wind in de zeilen. Het uitgebuite zuiden kreeg economisch zwaar weer, inderdaad, door de politieke en economische ongelijkheid.  

Nivelleren dus, want het gat moet stoppen met groeien, nog liever: kleiner gemaakt. In lijn met Oxfam Novib had historicus Rutger Bregman de ballen om op het World Economic Forum in Davos het verboden woord ‘belastingen’ te benoemen. Zijn punt: hun filantropie ten spijt, de allerrijksten en de multinationals moeten over de brug komen. De werkelijkheid is deze: internationaal neemt de belastingdruk voor de rijken de laatste decennia alleen maar af en bedrijven als Apple en Starbucks vluchten naar schimmige belastingparadijzen als Bermuda, de Kaaimaneilanden en Nederland.

Maar er bestaat geen stinkend geld voor de verkoper. En de politiek is passief, want de geldelijke banden zijn te sterk. Moeten we dan vrezen dat pas als het kapitaal (opnieuw) aangewend moet worden om tóch een opstand of oorlog te bezweren, het tijd is voor een (opnieuw tijdelijke) meer gelijke wereld? Of is het dit keer erger en groeit het gat eeuwig door?

Gepubliceerd in Kleio, het tijdschrift voor docenten geschiedenis

zaterdag 16 februari 2019

Brioche

"Qu'ils mangent de la brioche!", zou Marie Antoinette gezegd hebben toen ze hoorde dat de Fransen geen brood meer hadden: laat ze dan brioche (luxe wittebrood) eten. De vorstin sprak ze waarschijnlijk nooit, maar de woorden illustreren niettemin een van de voornaamste grieven van de Franse revolutionairen: de decadente elite in Versailles stond mijlenver af van de massa van de Derde Stand.


'Wat is de Derde Stand?', politiek pamflet uit januari 1789
Qu’est-ce que le Tiers-État? Tout.

We zijn tweehonderd jaar verder. De liberale geest rekende af met absolutistische en conservatieve vorstenhuizen, later met fascistische en communistische dictaturen. Dertig jaar geleden kondigde Francis Fukuyama daarom het einde van de geschiedenis aan: de liberale democratie was na het uiteenvallen van de Sovjetunie als overwinnaar uit de bus gekomen.

Maar zo definitief lijkt de liberale victorie niet. De ooit zo zwaar bevochten constitutionele democratie is de afgelopen tijd steeds meer gaan wankelen door de populistische anti-establishment-bewegingen. Mensen roepen almaar luider om een sterke man (of vrouw) om het bestel eens flink op te schudden. Ze zijn de gevestigde elite beu.

En waarom? Eenvoudigweg omdat de liberale democratie haar belofte niet nakomt: welvaart voor iedereen. Politici wordt bovendien verweten losgezongen te zijn geraakt van de massa - het is een geprivilegieerde club van hoogopgeleide, stedelijke lieden die hun oor laten hangen naar die andere elites, die van Europa en het bank- en bedrijfsleven.

Die massa noemde Guy Standing in 2011 het precariaat. Volgens hem een ‘nieuwe, gevaarlijke klasse’, die genoeg zou hebben van een ‘absurd rijke elite’. Precariaat is een portmanteau van precair en proletariaat: het is een groeiende groep, kwetsbaar door tanende sociale zekerheid, slecht betaalde, tijdelijke banen en weinig politieke zeggingskracht.



Boven: bestorming van de Bastille, 1789 / Onder: 'gele hesjes' in Parijs, 2018 © AFP

Zoals de 18e-eeuwse Derde Stand een pluriforme club was van boeren, stedelijke werklieden en de bourgeoisie, zo is het precariaat dat ook. De klachten van de Franse ‘gele hesjes’ waren zeer divers, zoals de wensen van de Derde Stand aan de vooravond van de Franse Revolutie - bewaard gebleven in de Cahiers des Doléances, de klaagbrieven van 1789 - dat ook waren. Die liepen uiteen van het slopen van duiventorens (omdat adellijke duiven de zaden en granen van de velden pikten), het afschaffen van de financiële privileges van de elite, tot simpelweg, meer politieke invloed.

Dat klinkt bekend. Bestaansonzekerheid, belastingvoordelen voor de rijken, het gevoel hebben dat je niet gehoord wordt, een afstandelijke bovenlaag: het is wat de massa grieft. Toen Macron afgelopen jaar voor een half miljoen een servies aanschafte voor zijn Élysée-paleis was het alsof hij zei: laat ze maar brioche eten!

Eerder gepubliceerd in Kleio no. 2, 2019

maandag 24 december 2018

Dylan


De albumhoes van Blonde on Blonde (1966)
Blonde on Blonde van Bob Dylan behoort al meer dan twintig jaar tot mijn favoriete albums. Ik kopieerde de muziek van cd op een TDK-cassette en speelde die op mijn walkman als ik folders langs bracht in het dorp. Het verlichtte de helse klus.

Mijn leerlingen luisteren nauwelijks nog cd’s, cassettebandjes zijn in onbruik geraakt, maar ze houden wel van muziek - de oordopjes gaan soms maar moeilijk uit. Tot mijn grote geluk is mijn lokaalcomputer aangesloten op een ouderwetse stereotoren met in elke hoek van de ruimte een prima speaker. Ik maak daar dankbaar gebruik van. De lesstof hoeft maar een zijdelingse aanleiding te geven tot het draaien van muziek of ik zoek een passend nummer op YouTube of Spotify. Soms draai ik ook mijn eigen playlists als de leerlingen aan het werk zijn.

Blonde on Blonde heb ik nog niet opgezet. Misschien omdat het te persoonlijk is. Nog steeds weet ik precies bij welke woorden in het nummer Just Like A Woman de A-kant afliep en ik het cassettebandje moest omdraaien. Ik wilde lijken op de Dylan van de magische hoes en liet mijn krullen langer groeien. Ik speelde met mijn band nummers van die plaat en mocht zelfs het surrealistische I Want You op de bruiloft van een vriend spelen. Nog steeds draai ik het album, meestal in de auto, want het verveelt nooit.

Dylans album werd een levensgezel. Zet ik het album op, dan ruik ik een fruitschaal vol herinneringen. Ik fiets weer door die nieuwbouwwijk van het dorp, de folders aan het stuur. Ik raak even uit balans door een flard van die ene avond met een geliefde. Ik zit weer in de auto op die lange brug naar Zweden.

In het lokaal is de sfeer ontspannen - mijn Spotify als behang. Af en toe draai ik aan de volumeknop, vertel dan een anekdote met de stiekeme hoop de leerlingen op een spoor te zetten. Ze laten mij ook hun muziek horen - hun smaakt loopt uiteen van Billy Joel tot K-pop. Ik snap niet alles en dat hoort zo: zelf leende ik ook eens een cd uit aan mijn eigen leraar geschiedenis. Die cd snapte je alleen als je wiet rookte. Hij gaf mij ook een cd uit zijn collectie te leen.

‘Dit moet je eens luisteren’, zei hij toen hij de cd tevoorschijn haalde uit zijn tas. Het was Blonde on Blonde van Bob Dylan. Eigenlijk zei hij: ‘Hier, ga maar herinneringen maken.’

vrijdag 2 november 2018

Zet die bril eens af

De beste demografische voorspellingen zeggen dat er in 2100 zo’n 11 miljard mensen op aarde zullen wonen. Slechts iets meer dan 2 miljard daarvan lopen op het Europese en Amerikaanse continent. De andere 9 miljard wonen vooral in Azië en Afrika. Vergeet het westen. De potentie van de nabije toekomst woont elders.

Afrikaanse landen groeien het snelst en India gaat China voorbij in inwonertal, zeggen de prognoses. Maar het is de Chinese economie die onstuitbaar is. Het is niet de vraag of China de grootste economie ter wereld zal gaan worden, het is de vraag wanneer. De wereld zal economisch en wie weet niet veel later cultureel en zelfs politiek onder invloed staan van een eenpartijstaat van communistisch allooi.

Winston Churchill noemde de democratie het slechtste politieke systeem op de andere na. Het ‘vrije Westen’ heeft zijn favoriete mythe van Verlichtingsidealen, democratie en het neoliberalisme veel landen door de strot geduwd, maar in Afrika hebben die idealen tot weinig stabiliteit geleid. En in China geloven ze in een andere mythe. Misschien wel de slechtste, op de andere na.

Winston Churchill
"It has been said that democracy is the worst form of government except all the others that have been tried."

Ik keek ter voorbereiding op een lessenserie over China de TED-talk ‘A tale of two political systems’ van Eric X. Li, een durfkapitalist uit Shanghai. De avond erop hield ik een pleidooi voor het politieke systeem van de Volksrepubliek China. Mijn vrienden zeiden: ‘Echt? Ben je nu China aan het verdedigen? Vertel dat al die politieke gevangen maar eens!’

Wat Li liet zien was hoe flexibel en vooruitkijkend de communistische partij in haar koers is geweest de afgelopen 70 jaar - niet star en rigide. Hij liet zien hoe de belangrijkste partijleden meestal niet uit hoge kringen voortkomen, maar promoveren op hun merites van tientallen jaren hard werken. En wat de legitimiteit van de partij betreft, die komt voort uit competentie. Steeds minder Chinezen leven in armoede - de welvaart neemt enorm snel toe. De partij lijkt zijn werk goed te doen.

Maar er worden mensenrechten geschonden. Activisten verdwijnen achter tralies. De politie heeft vrij spel. De staat weet alles. Ja, dat is ook China.

Maar zijn onze westerse leiders flexibel? Misschien, maar dan op korte termijn. Komen onze leiders door hard werken op hun positie? Ik denk vooral met geld en de juiste kruiwagens. Zijn onze leiders competent? In de Verenigde Staten regeert een clown.

Die westerse bril zit stevig op de neus. We moeten die eens loswrikken en opnieuw naar de andere continenten kijken, want ze zijn straks met veel meer.

gepubliceerd in Kleio, november 2018

vrijdag 7 september 2018

Het ging een beetje snel allemaal

‘Today Apple is going to reinvent the phone’, zei Steve Jobs in 2007 bij de presentatie van de iPhone die later dat jaar in Europa werd geïntroduceerd. Onderwijsoptimisten wezen op de enorme mogelijkheden van het apparaat. Maar al snel verschenen ook de eerste onderzoeken die waarschuwden voor de nadelige gevolgen van de smartphone in het onderwijs. Niemand die het echt wist.

Steve Jobs presenteert de eerste iPhone in 2007

Tien jaar later heeft volgens het CBS 98,6% van de Nederlandse tieners een smartphone. Je kan het ze haast niet kwalijk nemen, maar mijn leerlingen zijn verslingerd aan hun telefoon en dat knaagt aan ze. Eind vorig jaar liet een onderzoek onder 1300 Nederlandse docenten dat nog zien: smartphonegebruik gaat volgens hen ten koste van concentratie, huiswerk, fantasie en uiteindelijk van resultaten.

Er verschijnen steeds meer, vooral Amerikaanse, onderzoeksresultaten. De universiteit van Illinois toonde recentelijk een correlatie tussen smartphone-verslaving en depressie. Texaans onderzoek zegt dat alleen al de aanwezigheid van de telefoon - zichtbaar, maar ook in de broekzak - cognitieve prestaties vermindert. Een studie onder een miljoen Amerikaanse jongeren toont aan dat tieners die veel buiten zijn, anderen ‘in het echt’ treffen, die sporten en lezen, veel gelukkiger zijn dan ‘schermtieners’.

Daartegenover staan maar weinig positieve geluiden. Natuurlijk, er wordt van alles ontwikkeld waar het onderwijs baat bij zou kunnen hebben - differentiëren wordt gemakkelijker, het kan de les aantrekkelijker maken, het maakt communicatie eenvoudiger - maar wat hebben we liever: een kind dat via een gepersonaliseerd traject wiskunde leert, een coole quiz-app gebruikt om Duitse woordjes te stampen en het lesrooster in de handpalm heeft, of, doodsimpel, een gelukkig, gezond en geconcentreerd kind?

Zij die aan de wieg van de nieuwe technologie stonden geven als ouders een duidelijk signaal. Bill Gates verbood zijn kinderen een telefoon tot hun veertiende. Steve Jobs verbood zijn kinderen de iPad te gebruiken. Chamath Palihapitiya (Facebook) noemde het bedrijf dat hij groot maakte ‘sociaal ontwrichtend’. Hij zei: “It is eroding the core foundations of how people behave by and between each other. I can’t control them. (...) I can control my kids’ decisions, which is that they’re not allowed to use that shit.” Als de bakkerskinderen niet van het gebak mogen eten, vind ik de taart verdacht.

Het is zoeken naar een nieuwe balans. De smartphone is een handig ding, maar de generatie die er mee opgroeide is er niet altijd ten goede mee verweven geraakt. Afgelopen decennium overkwam ons - het ging een beetje snel allemaal, maar de onderzoeken liegen niet. Laten we dus het telefoonbeleid op school nog eens nader bekijken.

Deze column verscheen in Kleio, september 2018

Bekijk ook een de site van Center for Humane Technology, opgericht door belangrijke personen in de Amerikaanse technologiesector - een groep die zich serieus zorgen maakt.

donderdag 6 september 2018

Slecht beleid vernielt het onderwijs


Deze recensie verscheen in het septembernummer van het Onderwijsblad, een uitgave van de AOb

Ton van Haperen toont in zijn jongste boek waar het onderwijs faalt, complimenteert geschiedenisleraar en collega-publicist Jelte Posthumus. Maar een beetje zelfreflectie was wel op zijn plaats geweest.

De vader die rector was, de onderwijscommissies Rinnooy Kan en Dijsselbloem, het bildungsideaal, het begrip praktijkkennis: de proloog van Het bezwaar van de leraar, het tweede boek van Ton van Haperen, is een wilde aaneenschakeling van geschiedenis, theorie en persoonlijke anekdotes. In de hem zo kenmerkende staccato stijl vergelijkt de leraar economie en Onderwijsblad-columnist het Nederlandse onderwijs op onnavolgbare wijze met Congo en gebruikt hij de econooom Lans Bovenberg om het bestuurlijk falen in het Nederlandse onderwijs te duiden. Tussendoor ontmoeten we de jonge Van Haperen voor de klas, in de kroeg en tot laat in de avond achter zijn typemachine. Op wat schoonheidsfoutjes na, blijkt hij geknipt voor het vak. Dertig jaar later beheerst Van Haperen het kunstje. ‘Tot in de puntjes’, schrijft hij later.

Pas na enig doorlezen wordt de insteek van het boek helder. De schrijver heeft genoeg van de valse beeldvorming rond het onderwijsvak en wil praten over ‘zaken rond het beroep leraar die echt misgaan’. Zijn bezwaar is drieledig en betreft de rol van schoolbesturen, de uitstroom van academici en de cijfercultuur. Van Haperen heeft gelijk: dat het Nederlandse onderwijs de laatste decennia zo aan kwaliteit heeft ingeboet, vindt vooral in die drie fenomenen zijn oorsprong.

Hij zet de schoolbesturen in het eerste hoofdstuk neer als middeleeuwse organisaties van ‘roof en medelijden’. De functiemix is een terecht voorbeeld. Besturen hebben een zak geld, maar halen de gestelde schalingsquota niet - ze roven en delen uit naar welgevallen. De moderne schooldirecteur komt uit een ‘sekte van leidinggevenden’ die onderling de baantjes verdelen en elkaar in rap tempo opvolgen. Van Haperen concludeert: ‘borderline en narcisme vertegenwoordigen het repeterend bederf’. Zulke krasse uitspraken verbazen niet uit de pen van deze schrijver. Vooral aan het einde van het hoofdstuk is Van Haperen op dreef en krijgt het boek eindelijk tempo. Hij pleit voor terugkeer van ‘governance’ naar ‘government’. De overheid moet weer gaan over het geld, niet de schoolbesturen.

Tweedegraads docenten, of ‘jeugdwerkers’, zoals Van Haperen de niet-academici noemt, doen er verstandig aan het boek niet open te slaan. Soms nuanceert hij, maar vaker klinkt Van Haperen denigrerend, bijvoorbeeld als hij spreekt van ‘kenniskabouters’. Zelf is de schrijver natuurlijk ‘geen kabouter, maar een erudiete man’. Hij constateert: ‘mijn type leraar schuifelt richting nooduitgang’. Natuurlijk heeft Van Haperen een punt. Alexander Rinnooy Kan pleitte in 2008 al voor meer academici voor de klas. Ronald Plasterk maakte daarvoor 1 miljard euro vrij. Het bleek tevergeefs: een kwart van de academici zwaait al na vijf jaar af. Van Haperen legt uit wat de oorzaak is van deze uitstroom via de term ‘averechtse selectie’: slecht is normaal geworden en daardoor zien steeds minder universitair opgeleide docenten het onderwijs zitten.



Aan het einde van het boek richt Van Haperen zijn pijlen op de cijfercultuur. Hij beschrijft het verschijnsel 'teaching to the test': leraren bereiden hun leerlingen voor op gestandaardiseerde toetsen. Niettemin worden de resultaten aantoonbaar minder, ook op de centrale examens. Van Haperen weet hoe het zit: het idee van meten is weten, is doorgedrongen tot in de poriën van het onderwijs. Het heeft geresulteerd in een dichtgetimmerd geheel van PTA’s, studiewijzers, taal- en rekentoetsen en leerlingvolgsystemen. Kwantiteit staat boven kwaliteit in deze afrekencultuur - het is het bekende verhaal.

Bombarderen
Van Haperen zet in zijn epiloog in enkele pagina’s zijn oplossingen uiteen. Hij is resoluut en pleit voor ‘bombarderen en opnieuw beginnen’. Het lege gebouw moet gevuld met goede docenten, beloond naar opleiding. En natuurlijk moet de overbetaalde bestuurder wegwezen, de werkdruk omlaag door docenten geen ‘maatschappelijke opdrachten’ te geven, de klassengrootte beperkt, en de schoolleiding bemand door goede leraren. Het is een snelle opsomming. De oplossing ‘bombarderen en opnieuw beginnen’ is onrealistisch. Van Haperen had wat mij betreft nog enkele hoofdstukken aan een meer haalbare visie mogen wijden.

Dat is misschien ook mijn bezwaar tegen Het bezwaar. Van Haperen weet heel goed aan te wijzen wat er mankeert aan het onderwijs, maar het blijft ergens steken. Hij maakt zichzelf als connaisseur minder geloofwaardig door enerzijds vol bravoure op te geven over zijn eigen prestaties als docent (‘Ik geef mijn vijftien lessen in drie dagen, doe dat met groot gemak en erg veel plezier.’), maar anderzijds zichzelf neer te zetten als iemand die maar niet wil passen, ruziemaakt, vergaderingen overslaat, geen studiewijzers gebruikt en toetst wanneer het hem schikt. Ook al schrijft hij dat ‘alleen door het koesteren van wederkerigheid van die relaties’ de organisatie functioneert, Van Haperen wil zelf maar niet deugen. De guerrilla-stand waarin de schrijver al decennia zegt te staan is dan ook het onderliggende thema van het boek. Zijn ‘kutstukjes’ zorgen er zelfs voor dat zijn dochter naar een andere school moet.

Halverwege het boek benoemt Van Haperen dat persoonlijke thema: ‘Die wederkerigheid, of liever, het gebrek daaraan in de onderlinge relatie in de organisatie, is overigens ook het probleem waar dit boek over gaat.’ Het bezwaar van de leraar laat goed zien hoe het onderwijssysteem faalt, maar gaat ook over de persoonlijke oorlog die de rebel Ton van Haperen al jaren voert.

Het Onderwijsblad verloot vijf exemplaren van Het bezwaar van de leraar (Amsterdam University Press, ISBN 9789462988637, € 14,99) onder lezers. Stuur voor 16 september een mailtje met je naam en adres naar onderwijsblad@aob.nl, onder vermelding van ‘Boek Ton van Haperen’.

zaterdag 23 juni 2018

Misschien is het prachtig

Ik las het boekenweekessay van Jan Terlouw. Daarin zegt hij dat onze emoties nauwelijks verschillen met die van mensen duizenden jaren geleden. We zijn nog ‘even moedig en laf, even genereus en hebzuchtig’. Historische figuren, tja, het zijn nét mensen. Terlouw constateert bovendien dat, terwijl onze emoties nog dezelfde zijn, de technologie ons voorbij is geraasd. Onze ‘ouderwetse’ emotionele gereedschapskist is niet toereikend in de wereld van nieuwerwetse technologie.

Misschien bedoelt Terlouw dat de mens uit is op directe behoeftebevrediging en lak heeft aan de uitputting van de aarde. De wereld was tientallen duizenden jaren min of meer statisch, maar technologische innovatie bracht ons in anderhalve eeuw de fabrieken, de auto, de atoombom, de televisie, het internet en de smartphone - maar wat vraagt dat van ons? Hoe moeten wij ons verhouden tot technologie?

Het boekenweekessay
Jack Ma, de oprichter van het Chinese miljardenbedrijf Alibaba, biedt een inzicht. Hij zegt dat we dát moeten leren en onderwijzen wat machines nooit zullen kunnen. Hij noemt onafhankelijk denken, sporten, schilderen, musiceren en het leren van waarden als voorbeeld. We moeten, kortom, de technologie voorblijven op die vlakken waarop we ons als mens altijd zullen onderscheiden.
Jack Ma

Prima, maar machines musiceren, sporten en schilderen toch al? En bovendien, ze lijken juist steeds meer onafhankelijk te kunnen denken. Kunstmatige intelligentie behoort tot de meest opzienbarende ontwikkelingen van de afgelopen decennia. In 1997 versloeg
Deep Blue de wereldkampioen schaken, Gary Kasparov. Daarna richtten de technologen zich op Go, een Aziatisch spel dat, vanwege de variaties, ‘schaken in het kwadraat’ genoemd mag worden. In 2015 nam AlphaGo het op tegen Lee Sedol, op dat moment de beste Go-speler op aarde. Ik zal de uitslag niet weggeven, maar raad bij deze de prachtige documentaire AlphaGo aan, waarin de tweekamp wordt getoond.

Lee Sedol
Het verhaal bevestigt wat Jack Ma zei: we willen de technologie voorblijven. De honderden miljoenen kijkers wilden niets liever dan dat Lee Sedol zou winnen. De mens mocht en zou niet het onderspit delven tegen de machine. Ook liet de documentaire zien dat we het geen probleem vinden als de kunstmatige intelligentie ons iets leert. De buitengewone zetten waar AlphaGo mee op de proppen kwam verbaasden iedereen, maar boden prachtige inzichten in het spel.

En dat is wat we mogen hopen. Dat is wat Terlouw mag hopen. Dat technologie ons inzichten gaat bieden en schoonheid gaat brengen. De documentaire sluit af met de woorden ‘Misschien ontdekt het wat wij niet konden. En misschien is het prachtig.'

Deze column werd eerder gepubliceerd in Kleio, het tijdschrift van VGN Kleio, de vereniging van de docenten geschiedenis en staatsinrichting

donderdag 5 april 2018

Kijken of wijken

In januari haalde Manchester Art Gallery Waterhouse’s ‘Hylas en de nimfen’ van de muur. Het zou te seksistisch zijn. Joep van Lieshouts ‘Domestikator’ werd eind vorig jaar geweigerd in Parijs. Critici noemden het aanstootgevend. Harma Heikens’ ‘Toys in the Attic’ werd twee jaar geleden verwijderd van het Groningse Noorderzon-festival. De organisatie zei dat, na bedreigingen, de veiligheid van het festival in het geding kwam. De lijst van deze relatief nieuwe censuur wordt steeds langer.

Hylas en de Nimfen - John William Waterhouse (1896)

Met het weigeren van controversieel werk en het verdwijnen van kunstwerken in kelders lijkt het alsof de kunstwereld in de greep van burgerlijke correctheid is geraakt. Kunst wordt van de muur gehaald, omdat bepaalde groepen in de samenleving aanstoot nemen aan de inhoud ervan. Schoonheid verliest van, noem het politiek. Mankeert er iets aan een cultuur die zichzelf niet toestaat geshockeerd te worden of misschien zelfs seksueel opgewonden te raken door kunst? Ik denk het wel.

Toys in the Attic - Harma Heikens (2014)

Mijn primaire reactie is dat kunst om haar inhoud nooit achter tralies mag verdwijnen - hoe aanstootgevend ook. Laat de bezoeker zelf bepalen wat hij van het kunstwerk vindt. De keuze is aan hen: kijken of wijken. Mijn secundaire reactie fluistert dat er ergens ook een grens is. Kunst moet geen misdaad worden, kort gezegd, maar de kunstenaar moet wel altijd grenzen blijven opzoeken en mag nooit - door truttige behoudendheid gedwongen - het front terugtrekken naar werk dat op geen enkele manier mogelijk zou shockeren.

Relatief nieuw, zei ik. Natuurlijk, censuur is van alle tijden, maar meestal waren het toch overheden die bepaalden wat wel en niet verbeeld, geschreven of verfilmd mocht worden. Zij schreven de mensen hun politieke of morele smaak voor, niet andersom. Censuur in beide vormen is foute boel.

Domestikator - Joep van Lieshout (2017)

Deze nieuwe censuur is vooral een knieval uit commerciële belangen. Musea zijn gesubsidieerde instituten en bezoekersaantallen zijn cruciaal. Kunst moet de massa behagen. Als de ‘gewone man’ zich zou distantiëren van een museum door één omstreden schilderij, dan worden de targets misschien niet gehaald. Voorkomen dus: haal weg dat doek!

Overigens, ‘Hylas en de nimfen’ werd al snel weer uit de kelder gehaald en teruggehangen. Slim: alleen maar meer bezoekers. Het omstreden werk van Van Lieshout kreeg alsnog een plek in Parijs. De ‘cultural leaders’ geraken in een vermakelijke spagaat tussen de onaantastbare kunst, de tere publieksziel en de jaarlijkse cijfers. Wat betreft de Groningse kunstenares Harma Heikens: zij trok zich terug uit de wereld van ‘Kunst-met-een-grote-K’ en omzeilt nu de instanties. De kunstenares week, waar de musea toegaven aan een publiek dat had moeten wijken.

Eerder gepubliceerd in Kleio, het tijdschrift van VGN Kleio

vrijdag 16 februari 2018

Appongeluk en plofklas

Het gebeurt steeds vaker dat ik een auto inhaal op de A7 van Groningen naar Drachten en in het voorbijgaan zie dat de bestuurder de ogen niet op de weg, maar op het scherm van zijn telefoon heeft gericht. Ik voel dan soms een lichte neiging mijn Friese vlag uit de kofferbak te pakken en de weg te blokkeren, maar ik ben niet gek. Appongeluk is volgens Van Dale het woord van het jaar 2017. Vergeleken met vier jaar geleden is het aantal verkeersongelukken toegenomen met een kwart. Volwassenen zeuren graag over de mobielverslaving van kinderen, maar in hun eigen handen is de smartphone een dodelijk instrument.

Het Genootschap Onze Taal riep op zijn beurt plofklas uit tot het woord van 2017. Online werden leraren opgeroepen te stemmen. Nepnieuws en genderneutraal werden daardoor ruimschoots verslagen. Al in 2013 dook het neologisme plofklas op, maar met de stakingen van afgelopen jaar kwam het woord opnieuw in zwang. Opvallende andere kanshebber was de weigeroma: de grootmoeder die geen zin meer heeft altijd op haar kleinkinderen te moeten passen.

Een tijdsbeeld in nieuwe woorden. De ouders droppen de kleinste kinderen tegen haar zin bij de weigeroma, gaan whatsappend richting werk, terwijl hun oudere kinderen genderneutraal onderwijs genieten in een plofklas waar ze worstelen met nepnieuws.


Het woord plofklas prikkelt de fantasie: alsof het klaslokaal tot het plafond volgestouwd is met pubers, de muren bollen en de boel bijkans op springen staat. Voor zowel leerling als docent is de plofklas een crime. Met soms wel tien verschillende plofgroepen is het voor een docent onmogelijk de individuele voortgang in kaart te krijgen. Bovendien, des te groter de klassen, des te meer werk op het bureau eindigt.

Leerlingen die in 2000 geboren werden, bereiken dit jaar de volwassen leeftijd. De smartphone is onlosmakelijk verbonden met hun leven: altijd op zak, nu in het klaslokaal, straks in de auto. Het getuigt van enorme daadkracht dat de Franse president Macron een algeheel verbod van telefoons op school instelde.

Er is veel voor te zeggen zo’n verbod ook in Nederland in te voeren. In de pauzes zie je liever leerlingen praten dan appen. Er wordt getreiterd in de WhatsApp-groep. En bovenal: je wilt als docent de volle aandacht en concentratie van je klas. Van je plofklas inderdaad.

Maar krijgen we de ouders zover? Straks zul je zien dat juist zij in opstand komen tegen zo’n voorstel: ze willen de kinderen immers altijd kunnen bereiken. Zelfs vanuit de auto.

Gepubliceerd in Kleio (februari 2018)
-->