maandag 29 juni 2020

Papiertje met een bijsmaak


Het is als een legpuzzel met een missend stukje, een onaf jaar, zo zonder de centrale examens. Ik ben gaan houden van die haast tastbare spanning die gedurende enkele weken het ontspannen geouwehoer van alledag vervangt. Van de tot examen-academie omgetoverde gymzaal, met de genummerde tafels in strenge rijen. Van het binnenschuifelen van de leerlingen, de armen onhandig vol met waterflesjes, energydrinks, mueslirepen en extra pennen. Iedereen staat op scherp, je voelt het aan alles. Het gedoe met de verzegelde enveloppen, het proces-verbaal, de controle van het eerste exemplaar, het uitdelen. En dan, als de klok het toestaat: jullie mogen beginnen!

Waren de centrale examens écht onmogelijk dit jaar?

Vijf dagen na de sluiting van de scholen riep de vakbond Leraren In Actie (LIA) dat de examens geschrapt zouden moeten worden. Het was hun zonneklaar: leerlingen zouden ongeacht hun cijferlijst het diploma moeten ontvangen. Ik vond het overdreven aandachttrekkerij. De kleine bond had door de recente, nogal onhandige tafelmanieren van de AOb momentum en wilde meer. 

Op 24 maart werden de centrale examens definitief geschrapt, maar leerlingen kregen gelukkig niet zomaar hun diploma. Schoolexamens en de nieuwe resultaatverbeteringstoetsen werden doorslaggevend. Dat was tenminste nog iets, zou je kunnen zeggen.

LIA noemde de situatie een ‘noodsituatie’, zoals die ook bestond in 1945. Toen werd per Koninklijk Besluit besloten dat de eindexamens niet door zouden gaan. Mede door de hongerwinter en de Arbeitseinsatz was het eindexamen een onmogelijkheid geworden. De motivatie voor het ‘gratis’ uitdelen van de diploma’s in juni 1945 luidde ‘dat tegenover het tekort aan examenkennis een grotere levenservaring van de betrokkenen staat’.

Het Vrije Volk (12/06/1945) - bron: Delpher

Niet álle leerlingen kregen toen hun diploma. De kanttekening luidde, dat zij die zich tijdens de bezetting niet goed hadden gedragen de akte niet zouden ontvangen. Dat hadden we nu ook kunnen doen. Examenkandidaten die tóch knuffelden, niet in hun elleboog hoestten, nooit hun handen wasten, te vaak onnodig de trein namen: helaas pindakaas, het diploma gaat aan je loopneus voorbij.

Maar nee, de situatie nu is onvergelijkbaar met die van toen. Ik denk in retrospectief dat er te snel een besluit genomen is en de mogelijkheid tot centraal examineren langer onderzocht had moeten worden. Het lukte toch ook om de schoolexamens te organiseren, vaak ook ‘gewoon’, fysiek in het gebouw? De weg die nu is ingeslagen is weliswaar de meest veilige, maar ook onbevredigend, paniekerig en ontzettend fraudegevoelig. Door scholen de nu allesbepalende schoolexamens zelf te laten organiseren - terwijl ze risico’s erkent - trekt het ministerie haar handen af van het gedoe.

En kijk, het Amersfoortse gymnasium Johan van Oldebarnevelt werd terecht teruggefloten door de minister, maar hoeveel andere scholen hebben ongezien eigenhandig de cijfers en daarmee het slagingspercentage opgekrikt? Hoe je het ook wendt of keert, een schooldiploma uit 2020 is toch een papiertje met een bijsmaak.

Deze column verscheen in de Kleio van juni 2019

woensdag 13 mei 2020

Rampspoedlessen

Meermaals heeft rampspoed de sociale verhoudingen opgeschud, omdat de catastrofe nieuwe inzichten in de hoofden verankerde die met geen dogma, wetgeving of leger daar weer uit te verdrijven waren. 

De coronacrisis doet dat ook. De quarantaine dwingt ons tot interessante manieren van werken (zoals online lesgeven) waar we anders decennia over zouden discussiëren. We hebben nieuwe waardering voor betrouwbare politici, wetenschappers en journalisten; fake news werkt ons vooral tegen. Onze volksaard toont zich als een januskop (we hamsteren toiletpapier, maar applaudisseren voor de zorgmedewerkers) en onze regeringsleiders strooien plots met geld, doekoes die daarvoor met geen Groningse aardbeving uit de kluis te schuiven waren. En oh ja, we weten weer wat de vitale beroepen zijn. 

Je zou misschien verwachten dat na de pestepidemie van de veertiende eeuw de mensen hun plaats wel kenden. Dat een zekere nederigheid of deugdzaamheid ten aanzien van het leven onvermijdelijk was, nu de dood zich op nietsontziende wijze had getoond aan de wereld. Maar niets is minder waar. Het achtergelaten kapitaal kwam ter beschikking voor de overlevenden en men werd inhalig: armen betrokken leegstaande landerijen en zagen zichzelf plotseling aan tafel gezeten met zilveren bestek. Simpele boeren betaalden minder pacht en eigenden zich overgebleven werktuigen toe en jonge wezen gehuwd voor rijke bruidsschatten.  

The Triumph Of Death
Pieter Bruegel's weergave van de sociale effecten van de Zwarte Dood

En toch veranderde er volgens de historica Barbara Tuchman iets in het sociale weefsel van de samenleving. De gevestigde orde, de verhoudingen tussen landheer en boer, maar vooral die tussen kerk en gelovige, waren voorgoed veranderd. Volgens Tuchman ‘kwam het einde van een tijdperk van onderworpenheid in zicht; de ommekeer naar individueel bewustzijn lag in het verschiet.’ Als de geest zich uit de fles heeft gewrongen, krijg je die vaak moeilijk terug.

Volgens Tuchman ‘kwam het einde van een tijdperk
van onderworpenheid in zicht; de ommekeer naar individueel
bewustzijn lag in het verschiet.’

Rampspoed dwingt de geschiedenis een richting op en daar moet je gebruik van maken. Zoals volgens Tuchman de Zwarte Dood wellicht de moderne mens schiep, zo stimuleerde de Eerste Wereldoorlog (en in zijn kielzog de Spaanse Griep) technologische ontwikkelingen, de emancipatie van de vrouw en toenemende gelijkheid. De Tweede Wereldoorlog bracht de dekolonisatie teweeg en leidde tot de oprichting van de Verenigde Naties.

Maar op welke manier gaan we de coronacrisis ‘benutten’? De Israëlische historicus Harari stelt dat we ons straks voor twee keuzes zien. Allereerst die tussen nationalistisch isolationisme en globale solidariteit, oftewel: houden we kennis en mondkapjes voor onszelf of delen we die? Ten tweede die tussen totalitaire surveillance of burger-empowerment. Gaan we mensen hardhandig dwingen tot quarantaine (en gaan we ze dan nauwlettend monitoren met moderne technologie) of gaan we uit van goed gedrag door goed geïnformeerde, vrije burgers? 

'Never let a good crisis go to waste' - Winston Churchill

‘Never let a good crisis go to waste’, zei Winston Churchill in de nadagen van de Tweede Wereldoorlog. Dat sommige zaken flink op de schop gaan door de huidige crisis is niet de vraag. Maar
hoe de wereld er straks uit zal zien, dat hangt af van onze politici en de lering die zij hieruit trekken. Men mag bijvoorbeeld aannemen dat sommige beroepen in hun achting zijn gestegen, niet waar?

dinsdag 31 maart 2020

Wannsee

Ik zal het hier maar eerlijk zeggen. Toen ik mij in het vijfde jaar van het vwo inschreef voor de excursie naar Berlijn, deed ik dat niet omdat de geschiedenis van de stad me trok, maar toch vooral omdat we samen gingen, mijn vrienden en ik. 

De Tweede Wereldoorlog was vijftig jaar afgelopen. De Muur was zes jaar daarvoor gevallen. We gingen naar de stad die het centrum van de 20ste-eeuwse geschiedenis was geweest. Wij léken jonge intellectuelen misschien, met ons halflange haar en kekke sjaals, maar we waren nauwelijks bezig met ons reisdoel, alleen met elkaar en de meisjes in de busstoelen om ons heen. 

In Berlijn betrokken we ‘Hotel Vier Jahreszeiten’, in Kreuzberg, een hotel waarvan de pui was afgebladderd. Mijn vier vrienden en ik hadden bij de kamerverdeling een jongen onder ons hoede genomen die we niet goed kenden. Enkele dagen later zat hij huilend op de bedrand, omdat we ons misdroegen: we rookten op de kamer, iemand verkocht wiet en in de douchekabine verfden we iemands haar paars. 

Villa Marlier (Wikipedia)
Het is niet gek dat ons bezoek aan Villa Marlier mij nauwelijks is bijgebleven. Villa Marlier, beter bekend als Haus Wannsee, is het neo-barokke landhuis aan de Großen Wannsee, tussen Berlijn en Potsdam, waar in 1942 vijftien mannen over het lot van 11 miljoen Europese joden besloten. Wij trapten er lol. We rookten filtersigaretten en staken een peuk in de mond van een gebeeldhouwde jongen. Ik heb er nog foto’s van. Het is een plek die normaal gesproken een zware indruk achterlaat, maar wij lagen ‘s avonds op de stapelbedden van de meisjes en ons hoofd was high, maar niet van die Endlösung der Judenfrage

Inventarisatielijst van Joden in Europa zoals gebruikt bij de Wannsee-conferentie (Wikipedia)

Ik ben nu veertig en ik vraag me af hoe het in hemelsnaam mogelijk was dat ik die dag flierefluitend door de wieg van de holocaust stuiterde. Menselijke tragedies zijn mij met het vorderen van de jaren steeds meer aan gaan grijpen en ik herken dat puberhoofd van toen niet meer. Als ik nu over de holocaust lees of vertel, krijg ik soms tranen in de ogen. Mijn moeder zei destijds al, wijzend naar mijn haar: ‘Later zul je wel denken…’ 

Niet lang geleden kwam de Wannsee-conferentie langs in een les. Het is immers een van de verplichte voorbeelden van het eindexamen. Onwillekeurig moest ik tijdens de uitleg aan de excursie van toen denken. Ik noemde het. Ik vertelde van het roken, de meisjes en het paarse haar, maar niet van die jongen die we niet kenden en die huilend op de bedrand zat. 

Misschien was het wel de avond van het bezoek aan Villa Marlier en had hij als enige de tragiek van de plek wél begrepen.

--
Deze column verscheen in de Kleio van maart 2020, jaargang 61. 

zaterdag 8 februari 2020

Schipperswoning


Niet lang geleden struinden mijn leerlingen door de Groninger archieven, alwaar ze de oprichtingsakte van de school bestudeerden. Het wekte in mij de drang om zélf weer eens het archief in te duiken en ik besloot de geschiedenis van mijn eigen huis te onderzoeken. 

Het is een schipperswoning in een buurt die verrees in de decennia na de Vestingwet van 1874 die het einde betekende van de oude bastions die de stad in toom hadden gehouden als een nauw zittend korset. Eindelijk kon de stad weer ademhalen en groeien.

Handige timmerlieden bedachten zich niet en vroegen bouwvergunningen aan. Een zekere Derk Eisses deed dat in 1882 voor de plek waar ik nu zit. De oorspronkelijke tekening is eenvoudig van opzet: ik herken mijn huis en dat van de buren, hoewel de indeling ietwat veranderd is.

De oorspronkelijke tekening is eenvoudig van opzet


Eén van de eerste bewoners was Lolke Langman. Ik kom hem op het spoor, omdat hij op 16 december 1894 bij de gevonden voorwerpen in het Nieuwsblad van het Noorden een ‘katoenen zakje’ aanbiedt op dit adres. Tot de andere vondsten die dag behoren een gouden oorbelletje, een militaire medaille, een geel, gladharig hondje, een mud haver en een varken. Men verloor nog eens wat in de 19e eeuw.

Dat blijkt eens te meer uit het levensverhaal van Lolke Langman. Hij verliest zijn vrouw Sybrigje als ze nog maar 24 is, maar hertrouwt kort daarop met de 39-jarige Gesina die pas gescheiden was van Gerard die haar mishandelde. Het enige kind waarvan akte is gemaakt, wordt levenloos geboren en blijft zonder naam. Enkele jaren later vertrekt Lolke als sergeant naar de noordelijke kazerne in Groningen.

Het huis wordt daarna gekocht door Wiendelt Drenth en Hendrica Pietersen, die de jaren daarvoor op hun schip woonden en als binnenschippers door heel het land voeren, getuige de geboorteaktes van hun kroost. De kinderen komen overal en nergens ter wereld.

In het voorjaar 1899 treft het noodlot ook deze familie. Twee dochters zwaaien vader, moeder en twee broers uit; het viertal vertrekt per schip naar Rotterdam en kapitein Drenth stuurt de tjalk daarna richting Koningsbergen, het huidige Kaliningrad. Daar nemen Hendrica en de jongste zoon afscheid om per trein terug te reizen naar Groningen. Wiendelt en zijn oudste zoon kiezen opnieuw het ruime sop, ‘met zijn schip beladen met steenen en met bestemming naar Danzig’, maar van het tweetal wordt nooit meer iets vernomen. Het schip vergaat ‘met man en muis’.

Hendrica overleeft haar man meer dan 40 jaar en overlijdt begin 1940 op 82-jarige leeftijd in mijn huis. De rouwadvertentie laat lezen: ‘de teraardebestelling zal plaatshebben a.s. donderdag. Vertrek van huis 10½ uur.’

Ik vond het een tragisch en aangrijpend verhaal. Altijd geldt dat geschiedenis tastbaar wordt als het verhaal van individuen verteld wordt. Gewone mensen worden bijzonder en alledaagse plekken krijgen kleur. We moeten vaker de archieven induiken. En ik neem de leerlingen mee.

Deze column verscheen in Kleio 1, jaargang 61, februari 2020. 

maandag 4 november 2019

In de rij

Ik heb mijn leerlingen altijd gestimuleerd de wereld te verkennen, omdat ik - naar Confucius - meende dat het beter was een mijl te reizen dan duizend boeken te lezen. Maar anno 2019 is mijn aanmoediging niet alleen overbodig - voor veel van mijn leerlingen is een overzeese vakantie de normaalste zaak van de wereld geworden - mijn aanmoediging is vooral misplaatst, want massatoerisme bedreigt de wereld. 

Proppen is het: de toeristen passen bijna niet meer door de trechter van de branche. Het aantal reizigers wereldwijd steeg sinds 1950 van 25 miljoen naar 1.4 miljard. De meeste daarvan togen naar Frankrijk, Spanje, de Verenigde Staten en China. Massatoerisme is een plaag geworden en het merkwaardige is dit: ik hekel het fenomeen, maar sta óók in de rij voor de Sixtijnse Kapel - ik was deze zomer in Italië. 

AP: Climbers on Mount Everest 190522
Zelfs op de hoogste bergtop buitelen toeristen over elkaar
Nirmal Purja | @Nimsdai Project Possible via AP
Maar kijk. Zelfs op de hoogste bergtop buitelen toeristen over elkaar. De suppoosten van het Louvre staakten, omdat de rijen steeds langer en onfatsoenlijker werden. In Dubrovnik worden de inwoners gek van de toenemende stroom Game-Of-Thrones-fans. In Venetië woont bijna geen Venetiaan meer, omdat ze vluchtten voor de rolkoffers en cruiseschepen. Openluchtmuseum Rome kampt met zoveel overlast dat de burgemeester heeft besloten boetes uit te delen voor pootjebaden in de Trevifontein of ijs eten op de Spaanse Trappen.  

Afbeeldingsresultaat voor cruiseschip venetie
In Venetië woont bijna geen Venetiaan meer, omdat ze vluchten voor rolkoffers en cruiseschepen | Foto: EPA
Het is de paradox van het toerisme. Een mooie plek trekt veel mensen waardoor die vanzelf lelijk wordt. De souvenirwinkels, de fastfoodrestaurants en de toeristen zelf: ze zijn lelijk en niet op hun plek. Als mensen op vakantie zijn, zijn ze op hun allerlelijkst. Ze claimen de stad, werken hun to-do-lijstjes af en smelten vervolgens tot hoopjes ellende in de snikhete rij voor een kathedraal. Ze vernielen, vervuilen en overschreeuwen de plekken die ze afvinken. De ziel van de historische plek slijt onder hun voeten tot gruis.

Ach, misschien overdrijf ik een beetje. 

Maar zoals ik zei, ik was in Italië en in de gangen van de Vaticaanse musea bewoog ik me door een woud van rugtassen en selfie-sticks. Het rook er naar zweet en zonnebrandcrème en de kleverige massa trok met gebogen nek en opgeheven stick langs de mooiste kunstschatten, maar vergat te kijken. Alleen het onvermoeibare oog van de camera documenteerde. Toen ik in Florence naar Da Vinci’s eerste penseelstreken stond te gluren, werd ik wegge-psst door een ongeduldige toerist die zijn kinderen op de foto wilde zetten. 

Een woud van rugtassen en selfie-sticks | foto: JP
Ik wil er niet meer aan meedoen. En ik wil dat mijn leerlingen niet zo worden. Het is tijd om Confucius’ woorden te herschrijven, want het is anno 2019 verstandiger een boek te lezen dan duizend mijl te reizen. 

deze column verscheen in
Kleio #6 | jaargang 60 | november 2019

donderdag 12 september 2019

Vrouwen

De statistieken van de onderwijsinspectie zijn zonneklaar: de meisjes hebben de jongens achter zich gelaten. Ze halen sneller hun diploma, stromen minder vaak af, blijven minder vaak zitten en gaan vaker naar havo en vwo. Sinds 2017 is het aantal hoogopgeleiden onder vrouwen zelfs groter dan onder mannen. Maar eenmaal op de arbeidsmarkt legt de vrouw het nog steeds af tegen de man. Vrouwen werken minder, verdienen minder en maken minder snel carrière. Emancipatie is altijd een kwestie van tijd. 

Afbeeldingsresultaat voor 100 jaar vrouwenkiesrecht


Ik bezocht met mijn vierde klassen het Groninger Museum voor de expositie ‘Strijd! 100 jaar vrouwenkiesrecht’. Waar een aantal leerlingen op voorhand wat morde – hier en daar klonken geluiden dat men liever richting de supermarkt ging voor frikadelbroodjes – moesten de meesten nadien toch toegeven dat de korte excursie zeer de moeite waard was. 

Emancipatie begint met het bestuderen van de geschiedenis, zoals Yuval Harari uitlegt in Homo Deus. De ongelijkheid tussen plantage-eigenaar en slaaf, tussen fabrieksdirecteur en arbeider of tussen man en vrouw: het leek een eeuwige, zelfs natuurlijke verhouding. Maar blader je verder terug, dan blijkt dat zulke onrechtvaardigheid is ontstaan door ‘slechts’ een ketting van gebeurtenissen en dus alles behalve eeuwig en natuurlijk is. Pas door herinnering, herdenking en herijking kan de onderdrukte groep zich bevrijden van diezelfde geschiedenis. 

Ik vond dat een mooi inzicht en zo moedigde ik de vierdeklassers aan in hun gesjok door het museum. Omdat ik hen had verzekerd dat de geboden informatie zou terugkomen op de toets, luisterden ze extra aandachtig naar de gids. Gaandeweg vielen de monden open. 

Voor de meeste tieners voelt de wereld zoals die is net zo vanzelfsprekend als voor de meeste tieners van 100 jaar geleden. Het is voor hen daarom haast onvoorstelbaar dat de emancipatie van de vrouw nog maar zo’n recent verschijnsel is. Waar ze in 1919 kiesrecht kreeg, werd de vrouw pas in 1956 wettelijk ‘handelingsbekwaam’: vanaf toen mochten getrouwde vrouwen eindelijk de arbeidsmarkt op, zonder man een reis maken, een bankrekening openen en contracten ondertekenen. 

Afbeeldingsresultaat voor aletta jacobs
Aletta Jacobs
Niets is natuurlijk, want altijd het gevolg van een kettingreactie van gebeurtenissen. En niets is eeuwig, want alles is eeuwig in verandering. De pioniers van emancipatie zijn daarom helden: vrouwen als Aletta Jacobs en Wilhelmina Drucker, vooral omdat ze durfden los te komen van die onbetwistbare vanzelfsprekendheid. Het vereist buitengewoon veel inzicht, maar vooral heel veel lef om je te ontworstelen aan een gegeven, statische werkelijkheid. 

In de laatste ruimte van de tentoonstelling was slechts één object, mooi uitgelicht in het midden van de zaal. Het was de wetswijziging van 1919. Eén van mijn leerlingen stond ernaast. Pas toen zag ik wat op haar T-shirt stond: ‘Girls, the future’. Toevallig, zei ze. Geheel niet, dacht ik. 

zondag 7 juli 2019

Einstein

Het verhaal wil dat Marilyn Monroe Einstein eens voorgelegd zou hebben samen een kind te maken, want, zo legde zij het genie uit, stel je nu eens voor: een kind met jouw genialiteit en mijn schoonheid! 

Gerelateerde afbeelding
Albert Einstein

Monroe was inderdaad een prachtige vrouw en Einstein een geniaal natuurkundige. Hij kwam in mijn les ter sprake, omdat de ESO op 10 april een foto van het zwarte gat van sterrenstelsel Messier 87 publiceerde. Ik liet de afbeelding bij aanvang van een les zien, maar mijn leerlingen reageerden teleurgesteld: is deze onscherpe kiek nou echt een mijlpaal?

Afbeeldingsresultaat voor black hole picture
De foto van het zwarte gat
En zo dwaalde ik van de lesstof af. Ik legde uit dat deze foto de inzichten van Einstein bevestigde, zoals Galileo het heliocentrische wereldbeeld van Copernicus met zijn telescoop bevestigde. Al ruim honderd jaar geleden voorspelde Einstein hoe de ‘event horizon’ van een zwart gat - de lijn waarachter alles zich onttrekt aan onze waarneming - er uit zou zien. Zo dus.

Het is niet de eerste keer dat de inzichten van het Duitse genie jaren na publicatie empirisch bewezen werden. Vier jaar geleden nog werden zwaartekrachtgolven waargenomen - dat had Einstein ook al voorzien. 

Het mooiste voorbeeld is dat van Arthur Eddington, die in 1919 naar het West-Afrikaanse eiland Principe afreisde om de zonsverduistering waar te nemen. Hij deed dat doelbewust om Einsteins algemene relativiteitstheorie van vier jaar eerder te toetsen. Pas bij een verduistering zou zichtbaar worden dat het licht van sterren rond de zon door de massa van diezelfde zon gebogen wordt. Eddington zag inderdaad dat sterren rond de verduisterde schijf nét op een andere plek verschenen dan waar ze hoorden. 

Afbeeldingsresultaat voor arthur eddington
De eclips van 1919

Al veel eerder, in 1905, publiceerde Einstein zijn speciale relativiteitstheorie. Daaruit volgt de zogenaamde tweelingparadox. Het is een gedachte-experiment waarin één broer op hoge snelheid een ruimtereis maakt. Teruggekomen op aarde is hij jonger dan zijn tweelingbroer die thuis bleef.

Toevallig publiceerde NASA twee dagen na de foto van het zwarte gat de resultaten van hun ‘twins study’. Scott Kelly cirkelde bijna een jaar in het International Space Station rond de aarde. Zijn eeneiige tweelingbroer Mark - ook astronaut - bleef thuis. Maar Scott was er allesbehalve jonger op geworden. De onfrisse lucht, het ontbreken van zwaartekracht, maar vooral de ruimtestraling had nogal een slechte invloed op Scotts DNA en cognitie. Hij was eerder ouder geworden.

Afbeeldingsresultaat voor nasa twins study
Mark en Scott Kelly
Had Einstein dan ongelijk? Nee, met de speciale relativiteitstheorie heeft de tweelingstudie natuurlijk niets te maken, maar het maakt de paradox toch wat paradoxaal. 

Overigens, wat betreft het verzoek van Marilyn Monroe: nadat Einstein even na had gedacht, zou hij geantwoord hebben dat hij bang was dat het kind juist háár hersenen en zíjn uiterlijk zou erven. Dat was theoretisch inderdaad goed mogelijk.

vrijdag 10 mei 2019

Stippen

Er bestond ooit een aarde waarop talloze kleine mensengroepen langs elkaar heen bewogen. Het waren nomadische stammen - ronddolende stippen van verschillende kleuren in een immense ruimte. Het grootste deel werd sedentair in de millennia na de landbouwrevolutie. Dat was de eerste keer dat groepen van andere genetische en culturele komaf gingen samenwonen - stippen klonterden samen met andere kleuren. Sindsdien kruipen we in steeds grotere aantallen bijeen, binnen kaders van stadsmuren, natiestaten, uniformering, wetgeving, belastingen, rijken, pacten, federaties en unies.

Het leven werd er met de samenklontering doorgaans niet beter op. In de landbouwsamenlevingen ging de volksgezondheid er aantoonbaar op achteruit door bijvoorbeeld infectieziekten, afgenomen hygiëne of het mislukken van cruciale oogsten. Laatmiddeleeuwse steden, maar ook de industriële steden van de negentiende eeuw laten een soortgelijk patroon zien.

Het was de illusie van meer bestaanszekerheid, dan wel dwang, die ons samenbracht binnen die telkens veranderende, maar steeds groter wordende kaders. De wetmatigheid leert evenwel dat, als dan de bevolking toeneemt, de afhankelijkheid van de nieuwe werkelijkheid óók toeneemt. Je kan niet terug. Althans, niet zonder pijn. Stadsmuren, rijken, pacten en unies brokkelen af door oorlog of pandemieën.

Feit blijft dat we in steeds grotere verbanden zijn gaan samenwerken. En globalisering is daar per definitie de laatste stap in. De wereldeconomie draait in de 21ste eeuw op volle toeren en politieke eenheden zijn continenten groot. Veel grenzen zijn open: mensen migreren voor werk, liefde en een beter bestaan. De stippenklonters zijn enorm rijk geschakeerd geworden en optimisten zijn gaan geloven in de multiculturele samenleving.

Maar hoewel we ons wel laten kaderen binnen grenzen en wetten, onze genetische en culturele komaf slepen we altijd mee. De geschiedenis toont dat minderheden vaak gebukt gingen onder de dominante cultuur. Ze dienden zich aan te passen, ze werden onderdrukt of zelfs uitgeroeid. Het overkwam de indianen en de zwarte bevolking van Amerika, de Slaven in de Donaumonarchie, de Armeniërs in het Ottomaanse Rijk, maar ook de historische vreemdelingen in Nederland - hoe tolerant we ons ook voordeden, alleen als ze nuttig waren, vraten we ze.

Sommige mensen zijn cynisch over de multiculturele samenleving en de ‘global village’: de multiculturele samenleving is gedoemd te mislukken, omdat bepaald gedrag en culturele uitingen ‘hier gewoon niet thuishoren’. Het is altijd ons-kent-ons versus de vreemdeling en we zullen er nooit aan wennen, aan je gekke gedoe. Verdragen is dragen. Tolereren is dulden. Maar eigenlijk motten we je niet.

En toch. De constatering dat het historische pad ons sinds het ontstaan van de mens alleen maar in grotere verbanden bijeenbracht - de pijnlijke, incidentele ontwrichtingen ten spijt - suggereert dat er geen andere weg is dan die naar het mondiale dorp: een bal van aaneengesloten stippen waarop alles thuishoort.

Deze column verscheen in het meinummer van Kleio, jaargang 60, 2019

vrijdag 29 maart 2019

Zinkgat

Wat een onthutsende constatering van Oxfam Novib afgelopen januari: de rijkste 26 bezitten evenveel vermogen als de armste 3,8 miljard mensen. En de kloof groeit. Want vermogen groeit. De Franse econoom Thomas Piketty schreef het al in zijn bestseller Kapitaal van de 21ste eeuw uit 2014: het rendement op vermogen is groter dan de economische groei. Daarom drijven arm en rijk steeds verder uiteen. Jeff Bezos van Amazon, de allerrijkste, zou 4 miljoen door vermogensgroei verdienen. Per uur!

Piketty had de focus ook kunnen leggen op globalisering of automatisering: steeds meer banen zullen verdwijnen - nog een reden dat het zinkgat zal groeien.

Kapitaal brengt als vanzelf Das Kapital van Karl Marx in de herinnering. In Marx’ 19e-eeuwse theorie laat de accumulatietheorie hetzelfde zien: kapitaal zal zich uiteindelijk in handen van een steeds kleinere groep rijken concentreren. Marx voorspelde de revolutie (en inderdaad, revoluties en oorlogen verkleinden de kloof vanaf 1945 tijdelijk), maar Piketty meent pessimistischer te zijn als hij zegt dat de concentratie van rijkdom eeuwig kan doorgaan.

Genoeg theoretici wijzen erop dat egalitaire samenlevingen niet alleen een gezondere populatie, minder criminaliteit en meer geluk (zie: Scandinavië), maar vooral meer groei produceren. Welvaartsgroei ontstaat immers pas als de kwetsbaren geld te besteden hebben, onderwijs kunnen genieten en deel kunnen nemen aan het politieke proces.

Amerika dient zich aan als historische case-study. Toen Columbus in 1492 land in zicht kreeg, floreerden de dichtbevolkte beschavingen van Zuid-Amerika - het dunbevolkte Noord-Amerika was minder ontwikkeld en welvarend. In de eeuwen die erop volgden kantelde dat beeld. De egalitaire kolonisten-samenleving van Noord-Amerika kreeg de wind in de zeilen. Het uitgebuite zuiden kreeg economisch zwaar weer, inderdaad, door de politieke en economische ongelijkheid.  

Nivelleren dus, want het gat moet stoppen met groeien, nog liever: kleiner gemaakt. In lijn met Oxfam Novib had historicus Rutger Bregman de ballen om op het World Economic Forum in Davos het verboden woord ‘belastingen’ te benoemen. Zijn punt: hun filantropie ten spijt, de allerrijksten en de multinationals moeten over de brug komen. De werkelijkheid is deze: internationaal neemt de belastingdruk voor de rijken de laatste decennia alleen maar af en bedrijven als Apple en Starbucks vluchten naar schimmige belastingparadijzen als Bermuda, de Kaaimaneilanden en Nederland.

Maar er bestaat geen stinkend geld voor de verkoper. En de politiek is passief, want de geldelijke banden zijn te sterk. Moeten we dan vrezen dat pas als het kapitaal (opnieuw) aangewend moet worden om tóch een opstand of oorlog te bezweren, het tijd is voor een (opnieuw tijdelijke) meer gelijke wereld? Of is het dit keer erger en groeit het gat eeuwig door?

Gepubliceerd in Kleio, het tijdschrift voor docenten geschiedenis

zaterdag 16 februari 2019

Brioche

"Qu'ils mangent de la brioche!", zou Marie Antoinette gezegd hebben toen ze hoorde dat de Fransen geen brood meer hadden: laat ze dan brioche (luxe wittebrood) eten. De vorstin sprak ze waarschijnlijk nooit, maar de woorden illustreren niettemin een van de voornaamste grieven van de Franse revolutionairen: de decadente elite in Versailles stond mijlenver af van de massa van de Derde Stand.


'Wat is de Derde Stand?', politiek pamflet uit januari 1789
Qu’est-ce que le Tiers-État? Tout.

We zijn tweehonderd jaar verder. De liberale geest rekende af met absolutistische en conservatieve vorstenhuizen, later met fascistische en communistische dictaturen. Dertig jaar geleden kondigde Francis Fukuyama daarom het einde van de geschiedenis aan: de liberale democratie was na het uiteenvallen van de Sovjetunie als overwinnaar uit de bus gekomen.

Maar zo definitief lijkt de liberale victorie niet. De ooit zo zwaar bevochten constitutionele democratie is de afgelopen tijd steeds meer gaan wankelen door de populistische anti-establishment-bewegingen. Mensen roepen almaar luider om een sterke man (of vrouw) om het bestel eens flink op te schudden. Ze zijn de gevestigde elite beu.

En waarom? Eenvoudigweg omdat de liberale democratie haar belofte niet nakomt: welvaart voor iedereen. Politici wordt bovendien verweten losgezongen te zijn geraakt van de massa - het is een geprivilegieerde club van hoogopgeleide, stedelijke lieden die hun oor laten hangen naar die andere elites, die van Europa en het bank- en bedrijfsleven.

Die massa noemde Guy Standing in 2011 het precariaat. Volgens hem een ‘nieuwe, gevaarlijke klasse’, die genoeg zou hebben van een ‘absurd rijke elite’. Precariaat is een portmanteau van precair en proletariaat: het is een groeiende groep, kwetsbaar door tanende sociale zekerheid, slecht betaalde, tijdelijke banen en weinig politieke zeggingskracht.



Boven: bestorming van de Bastille, 1789 / Onder: 'gele hesjes' in Parijs, 2018 © AFP

Zoals de 18e-eeuwse Derde Stand een pluriforme club was van boeren, stedelijke werklieden en de bourgeoisie, zo is het precariaat dat ook. De klachten van de Franse ‘gele hesjes’ waren zeer divers, zoals de wensen van de Derde Stand aan de vooravond van de Franse Revolutie - bewaard gebleven in de Cahiers des Doléances, de klaagbrieven van 1789 - dat ook waren. Die liepen uiteen van het slopen van duiventorens (omdat adellijke duiven de zaden en granen van de velden pikten), het afschaffen van de financiële privileges van de elite, tot simpelweg, meer politieke invloed.

Dat klinkt bekend. Bestaansonzekerheid, belastingvoordelen voor de rijken, het gevoel hebben dat je niet gehoord wordt, een afstandelijke bovenlaag: het is wat de massa grieft. Toen Macron afgelopen jaar voor een half miljoen een servies aanschafte voor zijn Élysée-paleis was het alsof hij zei: laat ze maar brioche eten!

Eerder gepubliceerd in Kleio no. 2, 2019

maandag 24 december 2018

Dylan


De albumhoes van Blonde on Blonde (1966)
Blonde on Blonde van Bob Dylan behoort al meer dan twintig jaar tot mijn favoriete albums. Ik kopieerde de muziek van cd op een TDK-cassette en speelde die op mijn walkman als ik folders langs bracht in het dorp. Het verlichtte de helse klus.

Mijn leerlingen luisteren nauwelijks nog cd’s, cassettebandjes zijn in onbruik geraakt, maar ze houden wel van muziek - de oordopjes gaan soms maar moeilijk uit. Tot mijn grote geluk is mijn lokaalcomputer aangesloten op een ouderwetse stereotoren met in elke hoek van de ruimte een prima speaker. Ik maak daar dankbaar gebruik van. De lesstof hoeft maar een zijdelingse aanleiding te geven tot het draaien van muziek of ik zoek een passend nummer op YouTube of Spotify. Soms draai ik ook mijn eigen playlists als de leerlingen aan het werk zijn.

Blonde on Blonde heb ik nog niet opgezet. Misschien omdat het te persoonlijk is. Nog steeds weet ik precies bij welke woorden in het nummer Just Like A Woman de A-kant afliep en ik het cassettebandje moest omdraaien. Ik wilde lijken op de Dylan van de magische hoes en liet mijn krullen langer groeien. Ik speelde met mijn band nummers van die plaat en mocht zelfs het surrealistische I Want You op de bruiloft van een vriend spelen. Nog steeds draai ik het album, meestal in de auto, want het verveelt nooit.

Dylans album werd een levensgezel. Zet ik het album op, dan ruik ik een fruitschaal vol herinneringen. Ik fiets weer door die nieuwbouwwijk van het dorp, de folders aan het stuur. Ik raak even uit balans door een flard van die ene avond met een geliefde. Ik zit weer in de auto op die lange brug naar Zweden.

In het lokaal is de sfeer ontspannen - mijn Spotify als behang. Af en toe draai ik aan de volumeknop, vertel dan een anekdote met de stiekeme hoop de leerlingen op een spoor te zetten. Ze laten mij ook hun muziek horen - hun smaakt loopt uiteen van Billy Joel tot K-pop. Ik snap niet alles en dat hoort zo: zelf leende ik ook eens een cd uit aan mijn eigen leraar geschiedenis. Die cd snapte je alleen als je wiet rookte. Hij gaf mij ook een cd uit zijn collectie te leen.

‘Dit moet je eens luisteren’, zei hij toen hij de cd tevoorschijn haalde uit zijn tas. Het was Blonde on Blonde van Bob Dylan. Eigenlijk zei hij: ‘Hier, ga maar herinneringen maken.’

vrijdag 2 november 2018

Zet die bril eens af

De beste demografische voorspellingen zeggen dat er in 2100 zo’n 11 miljard mensen op aarde zullen wonen. Slechts iets meer dan 2 miljard daarvan lopen op het Europese en Amerikaanse continent. De andere 9 miljard wonen vooral in Azië en Afrika. Vergeet het westen. De potentie van de nabije toekomst woont elders.

Afrikaanse landen groeien het snelst en India gaat China voorbij in inwonertal, zeggen de prognoses. Maar het is de Chinese economie die onstuitbaar is. Het is niet de vraag of China de grootste economie ter wereld zal gaan worden, het is de vraag wanneer. De wereld zal economisch en wie weet niet veel later cultureel en zelfs politiek onder invloed staan van een eenpartijstaat van communistisch allooi.

Winston Churchill noemde de democratie het slechtste politieke systeem op de andere na. Het ‘vrije Westen’ heeft zijn favoriete mythe van Verlichtingsidealen, democratie en het neoliberalisme veel landen door de strot geduwd, maar in Afrika hebben die idealen tot weinig stabiliteit geleid. En in China geloven ze in een andere mythe. Misschien wel de slechtste, op de andere na.

Winston Churchill
"It has been said that democracy is the worst form of government except all the others that have been tried."

Ik keek ter voorbereiding op een lessenserie over China de TED-talk ‘A tale of two political systems’ van Eric X. Li, een durfkapitalist uit Shanghai. De avond erop hield ik een pleidooi voor het politieke systeem van de Volksrepubliek China. Mijn vrienden zeiden: ‘Echt? Ben je nu China aan het verdedigen? Vertel dat al die politieke gevangen maar eens!’

Wat Li liet zien was hoe flexibel en vooruitkijkend de communistische partij in haar koers is geweest de afgelopen 70 jaar - niet star en rigide. Hij liet zien hoe de belangrijkste partijleden meestal niet uit hoge kringen voortkomen, maar promoveren op hun merites van tientallen jaren hard werken. En wat de legitimiteit van de partij betreft, die komt voort uit competentie. Steeds minder Chinezen leven in armoede - de welvaart neemt enorm snel toe. De partij lijkt zijn werk goed te doen.

Maar er worden mensenrechten geschonden. Activisten verdwijnen achter tralies. De politie heeft vrij spel. De staat weet alles. Ja, dat is ook China.

Maar zijn onze westerse leiders flexibel? Misschien, maar dan op korte termijn. Komen onze leiders door hard werken op hun positie? Ik denk vooral met geld en de juiste kruiwagens. Zijn onze leiders competent? In de Verenigde Staten regeert een clown.

Die westerse bril zit stevig op de neus. We moeten die eens loswrikken en opnieuw naar de andere continenten kijken, want ze zijn straks met veel meer.

gepubliceerd in Kleio, november 2018

vrijdag 7 september 2018

Het ging een beetje snel allemaal

‘Today Apple is going to reinvent the phone’, zei Steve Jobs in 2007 bij de presentatie van de iPhone die later dat jaar in Europa werd geïntroduceerd. Onderwijsoptimisten wezen op de enorme mogelijkheden van het apparaat. Maar al snel verschenen ook de eerste onderzoeken die waarschuwden voor de nadelige gevolgen van de smartphone in het onderwijs. Niemand die het echt wist.

Steve Jobs presenteert de eerste iPhone in 2007

Tien jaar later heeft volgens het CBS 98,6% van de Nederlandse tieners een smartphone. Je kan het ze haast niet kwalijk nemen, maar mijn leerlingen zijn verslingerd aan hun telefoon en dat knaagt aan ze. Eind vorig jaar liet een onderzoek onder 1300 Nederlandse docenten dat nog zien: smartphonegebruik gaat volgens hen ten koste van concentratie, huiswerk, fantasie en uiteindelijk van resultaten.

Er verschijnen steeds meer, vooral Amerikaanse, onderzoeksresultaten. De universiteit van Illinois toonde recentelijk een correlatie tussen smartphone-verslaving en depressie. Texaans onderzoek zegt dat alleen al de aanwezigheid van de telefoon - zichtbaar, maar ook in de broekzak - cognitieve prestaties vermindert. Een studie onder een miljoen Amerikaanse jongeren toont aan dat tieners die veel buiten zijn, anderen ‘in het echt’ treffen, die sporten en lezen, veel gelukkiger zijn dan ‘schermtieners’.

Daartegenover staan maar weinig positieve geluiden. Natuurlijk, er wordt van alles ontwikkeld waar het onderwijs baat bij zou kunnen hebben - differentiëren wordt gemakkelijker, het kan de les aantrekkelijker maken, het maakt communicatie eenvoudiger - maar wat hebben we liever: een kind dat via een gepersonaliseerd traject wiskunde leert, een coole quiz-app gebruikt om Duitse woordjes te stampen en het lesrooster in de handpalm heeft, of, doodsimpel, een gelukkig, gezond en geconcentreerd kind?

Zij die aan de wieg van de nieuwe technologie stonden geven als ouders een duidelijk signaal. Bill Gates verbood zijn kinderen een telefoon tot hun veertiende. Steve Jobs verbood zijn kinderen de iPad te gebruiken. Chamath Palihapitiya (Facebook) noemde het bedrijf dat hij groot maakte ‘sociaal ontwrichtend’. Hij zei: “It is eroding the core foundations of how people behave by and between each other. I can’t control them. (...) I can control my kids’ decisions, which is that they’re not allowed to use that shit.” Als de bakkerskinderen niet van het gebak mogen eten, vind ik de taart verdacht.

Het is zoeken naar een nieuwe balans. De smartphone is een handig ding, maar de generatie die er mee opgroeide is er niet altijd ten goede mee verweven geraakt. Afgelopen decennium overkwam ons - het ging een beetje snel allemaal, maar de onderzoeken liegen niet. Laten we dus het telefoonbeleid op school nog eens nader bekijken.

Deze column verscheen in Kleio, september 2018

Bekijk ook een de site van Center for Humane Technology, opgericht door belangrijke personen in de Amerikaanse technologiesector - een groep die zich serieus zorgen maakt.

donderdag 6 september 2018

Slecht beleid vernielt het onderwijs


Deze recensie verscheen in het septembernummer van het Onderwijsblad, een uitgave van de AOb

Ton van Haperen toont in zijn jongste boek waar het onderwijs faalt, complimenteert geschiedenisleraar en collega-publicist Jelte Posthumus. Maar een beetje zelfreflectie was wel op zijn plaats geweest.

De vader die rector was, de onderwijscommissies Rinnooy Kan en Dijsselbloem, het bildungsideaal, het begrip praktijkkennis: de proloog van Het bezwaar van de leraar, het tweede boek van Ton van Haperen, is een wilde aaneenschakeling van geschiedenis, theorie en persoonlijke anekdotes. In de hem zo kenmerkende staccato stijl vergelijkt de leraar economie en Onderwijsblad-columnist het Nederlandse onderwijs op onnavolgbare wijze met Congo en gebruikt hij de econooom Lans Bovenberg om het bestuurlijk falen in het Nederlandse onderwijs te duiden. Tussendoor ontmoeten we de jonge Van Haperen voor de klas, in de kroeg en tot laat in de avond achter zijn typemachine. Op wat schoonheidsfoutjes na, blijkt hij geknipt voor het vak. Dertig jaar later beheerst Van Haperen het kunstje. ‘Tot in de puntjes’, schrijft hij later.

Pas na enig doorlezen wordt de insteek van het boek helder. De schrijver heeft genoeg van de valse beeldvorming rond het onderwijsvak en wil praten over ‘zaken rond het beroep leraar die echt misgaan’. Zijn bezwaar is drieledig en betreft de rol van schoolbesturen, de uitstroom van academici en de cijfercultuur. Van Haperen heeft gelijk: dat het Nederlandse onderwijs de laatste decennia zo aan kwaliteit heeft ingeboet, vindt vooral in die drie fenomenen zijn oorsprong.

Hij zet de schoolbesturen in het eerste hoofdstuk neer als middeleeuwse organisaties van ‘roof en medelijden’. De functiemix is een terecht voorbeeld. Besturen hebben een zak geld, maar halen de gestelde schalingsquota niet - ze roven en delen uit naar welgevallen. De moderne schooldirecteur komt uit een ‘sekte van leidinggevenden’ die onderling de baantjes verdelen en elkaar in rap tempo opvolgen. Van Haperen concludeert: ‘borderline en narcisme vertegenwoordigen het repeterend bederf’. Zulke krasse uitspraken verbazen niet uit de pen van deze schrijver. Vooral aan het einde van het hoofdstuk is Van Haperen op dreef en krijgt het boek eindelijk tempo. Hij pleit voor terugkeer van ‘governance’ naar ‘government’. De overheid moet weer gaan over het geld, niet de schoolbesturen.

Tweedegraads docenten, of ‘jeugdwerkers’, zoals Van Haperen de niet-academici noemt, doen er verstandig aan het boek niet open te slaan. Soms nuanceert hij, maar vaker klinkt Van Haperen denigrerend, bijvoorbeeld als hij spreekt van ‘kenniskabouters’. Zelf is de schrijver natuurlijk ‘geen kabouter, maar een erudiete man’. Hij constateert: ‘mijn type leraar schuifelt richting nooduitgang’. Natuurlijk heeft Van Haperen een punt. Alexander Rinnooy Kan pleitte in 2008 al voor meer academici voor de klas. Ronald Plasterk maakte daarvoor 1 miljard euro vrij. Het bleek tevergeefs: een kwart van de academici zwaait al na vijf jaar af. Van Haperen legt uit wat de oorzaak is van deze uitstroom via de term ‘averechtse selectie’: slecht is normaal geworden en daardoor zien steeds minder universitair opgeleide docenten het onderwijs zitten.



Aan het einde van het boek richt Van Haperen zijn pijlen op de cijfercultuur. Hij beschrijft het verschijnsel 'teaching to the test': leraren bereiden hun leerlingen voor op gestandaardiseerde toetsen. Niettemin worden de resultaten aantoonbaar minder, ook op de centrale examens. Van Haperen weet hoe het zit: het idee van meten is weten, is doorgedrongen tot in de poriën van het onderwijs. Het heeft geresulteerd in een dichtgetimmerd geheel van PTA’s, studiewijzers, taal- en rekentoetsen en leerlingvolgsystemen. Kwantiteit staat boven kwaliteit in deze afrekencultuur - het is het bekende verhaal.

Bombarderen
Van Haperen zet in zijn epiloog in enkele pagina’s zijn oplossingen uiteen. Hij is resoluut en pleit voor ‘bombarderen en opnieuw beginnen’. Het lege gebouw moet gevuld met goede docenten, beloond naar opleiding. En natuurlijk moet de overbetaalde bestuurder wegwezen, de werkdruk omlaag door docenten geen ‘maatschappelijke opdrachten’ te geven, de klassengrootte beperkt, en de schoolleiding bemand door goede leraren. Het is een snelle opsomming. De oplossing ‘bombarderen en opnieuw beginnen’ is onrealistisch. Van Haperen had wat mij betreft nog enkele hoofdstukken aan een meer haalbare visie mogen wijden.

Dat is misschien ook mijn bezwaar tegen Het bezwaar. Van Haperen weet heel goed aan te wijzen wat er mankeert aan het onderwijs, maar het blijft ergens steken. Hij maakt zichzelf als connaisseur minder geloofwaardig door enerzijds vol bravoure op te geven over zijn eigen prestaties als docent (‘Ik geef mijn vijftien lessen in drie dagen, doe dat met groot gemak en erg veel plezier.’), maar anderzijds zichzelf neer te zetten als iemand die maar niet wil passen, ruziemaakt, vergaderingen overslaat, geen studiewijzers gebruikt en toetst wanneer het hem schikt. Ook al schrijft hij dat ‘alleen door het koesteren van wederkerigheid van die relaties’ de organisatie functioneert, Van Haperen wil zelf maar niet deugen. De guerrilla-stand waarin de schrijver al decennia zegt te staan is dan ook het onderliggende thema van het boek. Zijn ‘kutstukjes’ zorgen er zelfs voor dat zijn dochter naar een andere school moet.

Halverwege het boek benoemt Van Haperen dat persoonlijke thema: ‘Die wederkerigheid, of liever, het gebrek daaraan in de onderlinge relatie in de organisatie, is overigens ook het probleem waar dit boek over gaat.’ Het bezwaar van de leraar laat goed zien hoe het onderwijssysteem faalt, maar gaat ook over de persoonlijke oorlog die de rebel Ton van Haperen al jaren voert.

Het Onderwijsblad verloot vijf exemplaren van Het bezwaar van de leraar (Amsterdam University Press, ISBN 9789462988637, € 14,99) onder lezers. Stuur voor 16 september een mailtje met je naam en adres naar onderwijsblad@aob.nl, onder vermelding van ‘Boek Ton van Haperen’.