zaterdag 29 juli 2017

Opgebrand

Het einde van het schooljaar nadert. Op de parkeerplaats van school staan drie docenten met gebogen hoofd bijeen. Twee van hen roken, de derde zou juist nu heel graag een sigaret willen opsteken, maar is al jaren gestopt. Hij vertelt de collega’s dat hij na de vakantie voorlopig niet meer op school komt. Hij is opgebrand. Het vuur is eruit.

Het cliché wil dat clichés niet voor niets clichés zijn. Een bekende riedel is die van de docent die erkent dat het al jaren in de lucht hing. Ja, vertelt de niet-roker, een tijd geleden al wel drie weken thuis gezeten, maar te snel weer begonnen hè? In het onderwijs is burn-out epidemisch. Daar kampt één op de vijf personeelsleden en maar liefst één op de vier lesgevenden met klachten.

Bron: aob.nl
De tweede docent vertelt hoe ze gister hyperventilerend en huilend het gebouw ontvluchtte. Er was een project voor de derde klassen gaande - er was geen ontkomen aan. Je gaat de symptomen herkennen. Tintelingen. Een licht hoofd. Kortademigheid. Eenmaal geveld geweest sluimert de burn-out nog lang.

Een schoolgebouw is een bijennest. Zit je lekker in je vel, dan is onderwijs geweldig, maar kamp je op persoonlijk vlak met tegenslag dan is lesgeven een hele opgave. Leerlingen zijn een spiegel van je gemoed: je krijgt terug wat je uitstraalt. Op school loopt het hoofd van de kwetsbaren snel om, want in het gebouw ontkom je niet aan mensen, tenzij je in de pauze zielig en alleen in een klaslokaal je broodtrommel leeg eet.

De derde docent zit al sinds oktober thuis, hij is pas gescheiden, maar kampt al drie jaar met klachten. ‘Eerst dacht ik dat het fysiek was’, zegt hij. ‘Ik heb mijn bloed al twee keer laten onderzoeken, maar dat was goed. Het is dus écht mijn hoofd, dat moet ik nu erkennen.’ Alledrie weten ze dat het heel moeilijk is toe te geven aan een burn-out.

Bron: aob.nl
Het kenmerkt de Nederlandse docent: ondanks een enorme werkdruk - er wordt steeds meer gedaan met steeds minder mensen - zet de onderwijzer stug door. Hij stroopt de mouwen nog eens op en schraapt de motivatie van de panbodem om er maar weer een mooie schooldag van te maken. Er is het verantwoordelijkheidsgevoel en de trots: je wilt niet te licht bevonden worden, dus je recht de rug tot het niet meer gaat en het eigenlijk al veel te laat is.

De oplossing voor de klachten wordt nog vaak gezocht bij het individu: rust, mindfulness, meditatie, sport - de adviezen zijn bekend. De bedrijfsarts komt al snel met een zogenaamd ‘werkhervattingsschema’, maar vaak beginnen docenten te vroeg. Je bent zo weer tien stappen terug, als je ondanks de fysieke vermoeidheid en emotionele uitputting tóch weer voor de klas gaat staan. Dat is inherent aan het beroep. Het is daarom aan werkgevers zorgvuldig met de opgebrande docenten om te gaan en - nog belangrijker - een vangnet te bieden voor de onvrijwillig kwetsbaren.

Dit artikel verscheen eerder in Kleio.

woensdag 26 juli 2017

Suzanne en Stijn

Suzanne was een buitengewone onderbouwleerling. Ze zat vooraan in het lokaal, bij mijn bureau, stelde goede vragen, werkte hard en bovenal: ze had een piekfijn schrift waar ieder een puntje aan kon zuigen. Haar ogen twinkelden van levensvreugde, maar er schemerde ook iets ongrijpbaars door in die flonkering.

Stijn is een stuk ouder dan Suzanne. Hij is een creatieve en ontzettend vriendelijke jongen. Volwassen voor zijn leeftijd. De beste acteur van school ook. Hij rondde afgelopen jaar vwo 6 af met een prachtige cijferlijst.

Ik becijfer de schriften in de onderbouw - Suzanne maakte daar een sport van. In haar nette schrift nam ze alles over wat ze eerder in haar vlugschrift had geschreven. Ik gaf haar een tien, want echt, beter kon niet.

Suzanne's schrift in klas 2

Toen ik tegen het einde van het schooljaar mijn postvak opende vond ik een kaart van Stijn. Hij had genoten van mijn lessen en bedankte me voor ‘de geschiedenisverhalen, maar ook de persoonlijke verhalen en grappige anekdotes. U bent een voorbeeld!’ Ik bloosde haast - een collega die de kaart zag, zei terecht: ‘Kijk, daar doe je het voor.’ Ik geef geen les om complimenten te ontvangen, maar als ik een inspiratiebron ben geweest voor een leerling, dan glunder ik van trots.

Fragment van Stijn's kaart

Ik gaf Suzanne les in de tweede en derde klas. Haar schriften heb ik van kaft tot kaft gekopieerd en bewaard: nog steeds raadpleeg ik ze. Een nettere archivering van mijn lessen had ik niet kunnen wensen. Eerlijk, ik had het zelf niet beter kunnen doen.

‘Ik had het zelf niet beter kunnen doen’, dat zei ook mijn collega van filosofie. Stijn haalde een 9.6 op het examen en gaat komend jaar filosofie studeren. ‘Maar het had net zo goed geschiedenis kunnen worden’, verzekerde zijn moeder me.

Vorig jaar nam Suzanne me apart. Ze wilde me iets vertellen. ‘Misschien is het u al opgevallen, maar mijn vrienden noemen me Stijn.’ Die twinkeling in de ogen. Vanaf toen was Suzanne Stijn. Hij had zich altijd al een jongen gevoeld en ging daar nu naar leven. De kracht die hij bij de mededeling uitstraalde voelde ik in mijn hele lijf.  

Stijn overtrof zijn docenten. Niet alleen in zijn werk, maar ook in zijn moed. Suzanne en Stijn zijn geweldige mensen. Je kan als docent je leerlingen inspireren, maar andersom kan dat ook. Ik pak zijn kaart er nog eens bij en lees ‘Ik zal mijn schriften voor altijd bewaren’. Ik glimlach. Stijn is een voorbeeld voor mij. En ik denk voor iedereen.

--
Dit schrijven verschijnt in september in Kleio

woensdag 26 april 2017

Pleidooi voor de kunsten

Creatieve vaardigheden zullen onontbeerlijk zijn in de eeuw die nog grotendeels voor ons ligt. Dat is geen nieuws. Toch zijn de kunsten een Haagse sluitpost of überhaupt geen thema. In het onderwijs merk je dat: de creatieve vakken hebben geen prioriteit, want de nadruk ligt op economisch ‘nuttige’ vakken. En breder: in een verzakelijkte cultuur - waarin het draait om cijfers en minder om mensen - komt kunst sowieso in het gedrang.

De schrijver Guus Kuijer zei eens op Twitter: ‘Hoe kun je slechte bestuurders onmiddellijk herkennen? Kunst interesseert ze niet. Waarom niet? De mens interesseert ze niet.' Ik moest aan deze tweet denken toen ik een leidinggevende onlangs hoorde zeggen dat hij niets met beeldende kunst heeft. Ik geloof wel dat hij zich interesseert in mensen. Toch is hij ook een representant van het verzakelijkte onderwijs - de opmerking paste hem wel.
Het was niet voor niets dat Barack Obama zei dat hij vaker meer leerde van literatuur dan van het nieuws. Wat hij bedoelde is dat nieuws zegt te pogen de objectieve waarheid te tonen, maar daarin per definitie niet slaagt. Kunst beweert zoiets niet, maar geeft per definitie wel een eerlijk, wáár beeld (tenzij het staatspropaganda betreft, uiteraard). Kunst is menselijk. Kwetsbaar. Het relativeert. Het biedt troost. En het maakt je daarom gelukkig. Ja!

-- Kijk hier voor Obama's boeken top 10.


Johannes Vermeers 'Gezicht Op Delft' met die zachte bries over de Schie
In kunst tref je anderen, maar vooral jezelf. In plaats van alleen op prestaties gericht te zijn, zouden jongeren daarom vaker met kunst geconfronteerd moeten worden om zichzelf te leren kennen. Van zelfinzicht - het calibreren van je kompas - wordt de wereld vaak mooier.

Hoewel muziek, tekenen, handvaardigheid, drama en dans onderaan in de vakkenhiërarchie staan, zijn er altijd bevlogen docenten te vinden die hun vak verrijken met opdrachten die de creativiteit aanspreken. Je kan ook overdrijven in je enthousiasme: mij schoten de tranen in de ogen toen ik Gezicht op Delft van Vermeer weer zag, maar wel in het bijzijn van tien vwo-5-leerlingen. Ik zag dat ook zij onder de indruk waren - vermoedelijk niet zozeer van de zachte bries over de Schie, zo mooi geschilderd door Vermeer, maar eerder van mijn wat dramatische reactie.

We móeten zoveel: doelen halen, de portfolio spekken, een schaal hoger of een vast contract. Kunst trekt je even uit die malle prestatiemolen en zet je oog in oog met jezelf en de ander. Kunst gaat over mensen, niet over de getallen onder de streep. Menselijkheid en gezond zelfinzicht, daar is altijd behoefte aan - niet in de laatste plaats in het onderwijs.

zondag 12 maart 2017

Wat is de kans?


-->
Hoewel neurowetenschappers er van uitgaan dat onze wiskunde-instincten al 30 miljoen jaar oud zijn - baby’s worden zelfs geboren met een numerieke intuïtie - zitten we er als mens toch best vaak naast als het gaat om wiskunde, met name als het gaat om grote getallen, kansberekening en exponentiële groei. Daar hebben we de grootste moeite mee.

Sissa Ibn Dahir, de uitvinder van het schaakspel, leek om een schijnbaar bescheiden beloning te vragen toen hij graankorrels wenste volgens de volgende formule: één korrel op het eerste van 64 schaakvelden, twee op het tweede, vier op het volgende en zo verder. De Indiase koning voelde zich beledigd door de bescheiden vraag, maar de wereldproductie graan volstond niet om aan deze te kunnen voldoen.

Onze intuïtie krijgt doorgaans geen vat op exponentiële groei. De kloof tussen arm en rijk, de opwarming van de aarde, de groei van de wereldbevolking: het zijn enkele voorbeelden die aantonen dat exponentiële groei ons vooral overkomt en dat we dat soms beseffen als het al te laat is.

De wereldproductie graan volstond niet 

Zo snappen we ook niet veel van een heelal dat 13,8 miljard jaar oud is, van de zeeën van tijd waarin we als jagers rondtrokken, of zelfs van de enorme uitgestrektheid van de Middeleeuwen in de twintig eeuwen sinds onze jaartelling. We kunnen niet groot denken - daar zijn we niet voor in de wieg gelegd.


Toch vergissen we ons ook op kleiner niveau als het gaat om wiskunde en instinct - met name als het gaat om kansberekening. In een klas van 25 leerlingen is de kans dat twee van hen op dezelfde dag jarig zijn bijna 50%. Inderdaad, als je je klassen langs loopt, het komt vaak voor, maar ons instinct fluistert dat het onmogelijk is. Ook zijn we geneigd te denken dat wanneer ons iets heftigs is overkomen - een auto-ongeluk, het winnen van de loterij - dat de kans dat het nog eens gebeurt is afgenomen, terwijl die even groot blijft.

Hoe vaak zullen politieke leiders zich in het verleden niet hebben vergist in groei, kansen en grote getallen? Hoe snel kan de weerstand van een volk tegen een oorlog groeien als die groei niet lineair, maar exponentieel is? Hoe berekende Napoleon zijn kansen toen hij richting Moskou trok? Wat grote getallen betreft, leek Stalin te begrijpen dat men daar toch geen benul van had, toen hij zei: één dode is een tragedie, maar een miljoen doden is statistiek. Cijfers voelen we niet, ook al zijn onze wiskunde-instincten nog zo oud.

Eerder gepubliceerd in Kleio 

donderdag 23 februari 2017

Nuanceren

Nooit eerder in de geschiedenis hadden we toegang tot zoveel informatie als nu. De logische consequentie van die enorme berg data is dat we met de handen in het haar staan: de wereld blijkt zoveel ingewikkelder dan we al dachten! We kunnen er met ons hoofd niet meer bij. En als de werkelijkheid zo gecompliceerd is dat we er tureluurs van worden, wat is het dan verleidelijk om terug te vallen op een wat eenvoudigere, ongenuanceerde waarheid, ook al komt die niet helemaal of helemaal niet overeen met de werkelijkheid. We denken dan ergens iets van af te weten, we kunnen ergens in geloven, maar zijn natuurlijk nog steeds onwetend.


We hebben geen grip meer op de wereld, juist omdat er online zoveel ‘experts’ opereren. Ik schrijf experts bewust tussen aanhalingstekens, omdat er zowel meer betrouwbare als minder betrouwbare actoren in het spel zijn. Maar wie is wie? Wie van hen spreekt nu eigenlijk de waarheid? Welk artikel moet ik lezen om echt te weten hoe het gaat met het klimaat? Waar moet ik te rade gaan om de mechanismen van de bankensector echt te begrijpen? Wie vertelt me echt wat moslims denken? Voor elk geluid is een tegengeluid. Tegenover elke politieke uitleg staat een samenzweringstheorie.


Ik ben misschien wat ouderwets. ik geloof nog in de onderzoeksjournalist, de geniale wetenschapper en de integere politicus. Ik geloof in het objectieve verslag, de keiharde feiten en de weloverwogen nuancering, maar ik heb de indruk dat ik tot een minderheid behoor. En op internet bepaalt de meerderheid wat er boven komt drijven, want daar regeert de macht van de exponentiële viraliteit.


En wat boven komt drijven zijn natuurlijk de poezenvideo’s, de scheldpartijen, treiterijen, hap-snapnieuws, discutabele, maar ‘sexy’ studieresultaten en ongenuanceerde politieke uitspraken. Hashtag, like, deel, mention en de versimpelde werkelijkheid krijgen we zo in de schoot geworpen. Bankencrisis? Klimaatverandering? Vluchtelingenstromen? Het conflict in Syrië? Hoe het écht zit, is immers ook veel te ingewikkeld.


Het is de kunst om onze leerlingen te leren in die stroom informatie de juiste bronnen te vinden. Het beoordelen van de bruikbaarheid van bronnen is altijd een van de belangrijkste vaardigheden bij geschiedenis geweest. Op dit moment is er een generatie volwassenen die zich steeds minder de moeite getroosten op zoek te gaan naar de nuance, het achtergrondartikel, de wetenschappelijke studies. Laten we ons best doen de jonge generatie - via taal, door onderzoek, met discussie - te laten nuanceren.

Eerder gepubliceerde in Kleio







Doelloos

Ik was in een slecht humeur, dus ik pakte dat knotsgekke rapport van de commissie-Schnabel er nog eens bij met de onderwijsdoelen voor 2032, om even flink te lachen.

Had ik in de werkgroep gezeten, dan had ik maar één doel geopperd, maar dan, vlug een beetje, al voor 2025: maximaal 20 lesuren in de week voor maximaal 25 leerlingen per klas. Ik zie het al voor me: #2025. Maar nee, zulke heldere, praktische doelen biedt het rapport helaas niet.
Het is een vergaarbak van open deuren en holle retoriek, zoals al door menigeen is opgemerkt. Dat is nogal wiedes, want too many cooks spoil the broth. Jan en alleman kookte mee, maar uiteindelijk heeft niemand in het onderwijs ook maar iets aan deze nietszeggende toekomstvisie.

En hoe komt het vak geschiedenis er in het rapport van af? Als het aan Schnabel ligt, dan gaat het vak geschiedenis met aardrijkskunde en economie op in het kennisdomein Mens & Maatschappij. Kennis moet worden gekoppeld aan 'het aanleren van vakoverstijgende vaardigheden' volgens Schnabel.

In het rapport winnen de vaardigheden het van de kennis. Het hoofd hoeft geen encyclopedie meer te zijn, want de Google-god levert de kennis anno 2032. Het rapport leunt sterk op de ontzettend gehypete 21st Century Skills zoals probleemoplossend vermogen, kritisch denken, samenwerken, creativiteit, sociale vaardigheden, culturele sensitiviteit en digitale geletterdheid. Alsof we leerlingen niet altijd tot kritische, creatieve, sociaal vaardige en cultureel gevoelige burgers hebben opgeleid.
Het behoeft overigens geen betoog dat Engels de grote cultuurdragers Frans en Duits knock-out slaat in het rapport. Ook dat nog.

Dat de staatssecretaris parate kennis ontbeert, betekent niet dat de nieuwe generatie die mag missen. Zonder flinke feitenkennis sla je de plank mis in discussies, zie je geen verbanden en kom je niet tot nieuwe inzichten. Nieuwe kennis plakt in het hoofd aan oude kennis en verwordt tot een bruisend geheel van nieuwe ideeën. Hoe kan een leerling kritisch, creatief of cultureel sensitief worden als het geen gedegen kennis heeft van literatuur, kunst, geschiedenis en de wereld om hem heen?

Kennis wordt in het rapport wel genoemd, maar de 'skills' hebben duidelijk een streepje voor. Google eens 21st Century Skills en zie hoeveel bureaus er al mee aan de haal zijn gegaan.

Het rapport herbergt stagnatie in plaats van visie. Door feitenkennis, de humanities en de grote Europese talen op het tweede plan te laten komen, sluiten we de deuren naar het Europese verleden waar we in de toekomst niet zonder kunnen.  
(Eerder gepubliceerd in Kleio)

woensdag 28 december 2016

De schermgeneratie

‘Meneer, gaan we vandaag eindelijk eens een film kijken?’ Ik zucht. Aan het woord is de schermgeneratie. Ze swipen ‘s ochtends WhatsApp open, komen met over hun mobiel gebogen hoofden het lokaal binnen sjokken en vallen ‘s avonds te laat in slaap met het vaalblauwe licht van hun mobieltje op het gezicht. Als ik een documentaire over het Ardennenoffensief laat zien, terwijl het boek openligt bij de ontdekkingsreizen, ze slikken het voor zoete koek. Wát je ook opzet, de monden vallen open en ze kijken, kijken, kijken. Want dat doet de schermgeneratie: kijken naar de schermen van hun tv’s, telefoontjes, tablets, laptops en pc’s.

Het scherm als opium voor het volk. De smartphone de nieuwe afgod. En als de suffe zwart-wit-beelden afgelopen zijn, roept iemand: ‘Meneer, mag ik nu iets cools laten zien?’

En juist daarom laat ik nog nauwelijks video’s zien. Ik doe het alleen als de beelden écht iets toevoegen en ik er een zinnige opdracht bij heb. Als de leerlingen vragen waarom ik niet zo vaak filmpjes laat zien, leg ik uit dat er een film in ons hoofd afgespeeld dient te worden. En dat noemen we fantasie. Laten we fantaseren. Creatief zijn. Verbanden leggen. Diepzinnig worden. In het hooooofd! Maar ik roei tegen de stroom in, want schermonderwijs is hot. Denk alleen maar aan de iPadscholen.

In het hoger onderwijs zijn de zogenaamde MOOCs - de ‘massive online open course’ - een nieuwe verschijnsel. Vooralsnog vooral toegankelijk voor de rijke, hoog opgeleide elite, bieden deze online cursussen via het computerscherm de mogelijkheid te slagen voor een vak zonder je bed uit te komen.

En dan is er ook nog Flipping the Classsroom - op zichzelf geen gek idee. Als geschiedenisdocenten hebben we te maken met het fenomeen Joost van Oort. Ik neem mijn pet af voor de keurige presentaties van deze YouTube-goeroe met een zachte g, maar te vaak hoor ik dat mijn examenleerlingen liever onderuitgezakt zijn filmpjes kijken dan de historische context werkelijk zelf bestuderen. Als ik hoor ‘ik kijk nog wel even Jort voor de toets’ word ik daar eerlijk gezegd strontchagrijnig van. Hun schermvriend Jort die niet eens Jort heet.

Een beeldscherm is wat het is: de verbeelding vervlakt. Het is het consumeren van een kant-en-klaar-maaltijd, terwijl de keuken volstaat met overheerlijke ingrediënten waar je mee aan de slag kan. Probeer! Experimenteer! Onderzoek!

Natuurlijk zie ik de mogelijkheden van de nieuwe technologie ook wel. Dat is niet zo moeilijk. Het is veel moeilijker om deze schermgeneratie van de schoonheid van de verbeelding te doordringen. De mooiste film speelt zich af in het hoofd van de fantast.

maandag 16 mei 2016

Uitgerangeerde Dwarsliggers

De stencilgeneratie babyboomers die al jaren fronsend, zuchtend en nee-schuddend de vergaderingen bijwonen, die roepen ‘wat een ontzettend stom idee is dit!’ en dan weglopen, die elk managementsinitiatief aanvechten; zij die de dwarse bladen lezen, die soms zelf schrijven, zij die vanuit de opleiding als vanzelfsprekend links georiënteerd en politiek actief zijn – die generatie verdwijnt van het toneel. De dwarse, mondige geschiedenisdocent behoort straks zelf tot de geschiedenis.
De nieuwe generatie – de twintigers, de dertigers, sommige veertigers – die met haar academische opleiding in lage schalen terechtkwam, de lichting die van tijdelijk contract naar tijdelijk contract gebonjourd wordt – die generatie wordt de rol van dwarsligger onmogelijk gemaakt, althans, als carrière maken de ambitie is. En dat ís de ambitie van de meesten: een vast contract in een hogere schaal geeft het leven immers wat zekerheid.
Ik heb de leraar geschiedenis leren kennen als eigenzinnig; eerder gevoelsmens dan berekenend. Eerder het hart op de tong dan de zaken met de mantel der liefde bedekkend. Ik heb mijzelf na acht jaar onderwijs ook zo leren kennen. Ik zucht tijdens de teamvergadering. Ik zeg gemakkelijk nee tegen werk waarvan ik het nut niet inzie. Ik dans uit de maat op de pijpen van de locatieleiding. Ik maak niet gemakkelijk vrienden in het middenmanagement. Ik ben een luis in de pels, hoor ik wel eens zeggen.
Ik was er trots op balsturig te zijn, maar nu loop ik vast, want ik heb ambities.
Mij valt naïviteit te verwijten, dat begrijp ik, maar het onderwijs wordt ‘geprofessionaliseerd’. Dat betekent dat als een vast contract of een schaalverhoging aspireert, je de gekozen protocollen en procedures moet omarmen, dat je veranderingen veranderkundig moet benaderen, dat je daarbij jargon hanteert dat je niet eigen is, dat projecten vanuit betwistbare theorieën en concepten opgezet moeten worden. Je doet er kortom verstandig aan er niet met gestrekt been in te gaan, want dan verpest je je dossier.
Mijn vrouw zegt dat ik niet zo moeilijk moet doen, dat ik slim genoeg ben om door de hoepel te springen en dat ik mezelf daarmee niet verloochen. Dat zegt mijn leidinggevende ook. Het is een kwestie van ‘omschakelen’, zoals een cursusleider dat zou zeggen, daarbij de handen aan weerszijden van het hoofd om daarmee de denkbeeldige knoppen om te schakelen. Omschakelen dus. Ok. Als mijn vrouw het zegt, dan ga ik ervoor. Ik moet per slot van rekening haar nieuwe schoenen betalen, maar feit is: de dwarsligger lijkt uitgerangeerd.
Eerder gepubliceerd in Kleio




dinsdag 5 april 2016

Piemels op tafels

Inmiddels heb ik geleerd dat je eerst boosheid moet spelen, voordat de echte woede een waas voor je ogen tovert. Nog maar net voor de klas, beheerste ik dat allerminst: ik reageerde meestal nogal impulsief. Toen ik in het werkboek van een derdeklasser een hakenkruis ontdekte, bedacht ik me niet. Ik pakte het boek en wierp het ongenadig hard tegen de achterwand van het lokaal: de doffe knal werd gevolgd door een tirade van weet je wel en hoe kun je en je moest eens beseffen en van dit en van dat. De klas leek onder de indruk, want niemand zei nog iets.

​Nog steeds ontdek ik af en toe een hakenkruis in een schrift, op een tafel of op de muur. Meestal zijn ze haastig getekend, in de helft van de gevallen ook nog eens linksom draaiend in plaats van rechtsom. Het onderwijs ondersteunend personeel heeft er een taak aan. Toen vorig jaar een conciërge afscheid nam, werd hij bedankt voor zijn inzet. Specifiek werd tussen neus en lippen door het verwijderen van de hakenkruizen van tafels genoemd. Dat verdiende een pluim! Ik mompelde: en de piemels dan?

​Want ook eenvoudig getekend en o zo ongehoorzaam zijn de piemels op tafels. Zonder uitzondering haastig getekend met als resultaat piemels in alle soorten en maten. Mét ballen, zonder ballen, met of zonder haar. Als je ze opspoort vind je ze overal: op stoelen, muren, in de toiletten, op posters. Slechts zelden nadert de tekening een realistische weergave. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat het getekend is terwijl de kunstenaar onschuldig naar de docent knikte die de wortels en breuken uitlegde.

​Piemels en hakenkruizen. Appels en peren, maar je hebt ze liever niet op tafel. De bedoelingen zijn evenwel niet kwaad. Ok, het zijn wel pubers met piemelzorgen, maar het zijn geen jonge neonazi’s natuurlijk. Het is in beide gevallen een simpele manier om rebels te doen en het is de taak van de docenten uit te leggen dat het stompzinnig is. Vooral de hakenkruizen. Die zijn heel dom. Kappen daarmee. En piemels, ach, alleen bij meneer De Vries van Nederlands dan.

Toen ik onlangs in VWO6 mijn fascinatie voor de schoolbankkunst voorlegde, maar uit professionele overwegingen het tegelijk afkeurde, herinnerde ik mij het voorval van het hakenkruis in het werkboek van de derdeklasser. Ik vertelde hoe ik het boek tegen de muur gooide, hoe de klas stil werd en… Toen ineens besefte ik dat we drie jaar verder waren en dat de bewuste jongen, nu een lange jongvolwassene, rechts vooraan in het lokaal zat. Hij keek me aan. ‘Weet je het nog?’, vroeg ik. Hij richtte zijn ogen op zijn tafel en knikte beschaamd. Hij wist het nog.

dinsdag 1 maart 2016

Slobberwijken

Het is aan de geschiedenisdocent om de leerlingen mee op reis te nemen naar verdwenen plaatsen. Naar vervlogen eeuwen. Ze moeten de modder van een middeleeuws slagveld kunnen ruiken, het deinen van La Santa Maria voelen, het huilen van de moeders horen, die hun zonen naar het westfront zien vertrekken.

Ik slaag daar niet altijd in. Blijkbaar omdat ik me niet altijd verstaanbaar heb gemaakt, maar ook en vooral omdat ik leerlingen niet hun 21ste-eeuwse bril heb kunnen afzetten. Tijdens de Franse Revolutie stierven heel veel mensen door de gelatine. Ja, dat leest u goed. Ik moest ook twee keer kijken. De gelatine. Ook Robespierre eindigde in een bak gelatine - het goedje leidde tot een langzame - blub blub! - verstikkingsdood. Ha! De gelatine. Ik moest lachen toen ik het las bij een vierdejaars havist. Nadat ik er bij de toetsbespreking op terugkwam en er een grap van maakte, zag ik een week later dat een andere leerling bij de herkansing guillotine had doorgestreept en er gelatine van had gemaakt. Ai. Wat ging daar mis?

Het pubergeheugen is wispelturig. In plaats van Bill of Rights schreef een leerlinge op het afgelopen examen ‘Bill of Gates’. De computer wel horen suizen, maar niet weten waar de ventilator zit, inderdaad. Dat is alsof je van Melkertbanen ‘Jobs of Steve’ maakt.

In hetzelfde straatje gebeurde enige tijd geleden het volgende: een leerling schreef over de ‘belle époque’, de uitbundige decennia voor de Eerste Wereldoorlog: ‘het was een tijd vol nieuwigheden, zoals het mobieltje.’ Ha! Het mobieltje! Ik heb inderdaad verteld van Alexander Graham Bell - Mr. Watson, come here. I want to see you - en de uitvinding van de telefoon, maar besefte niet dat in sommige kinderhoofden de telefoon synoniem staat aan mobieltje. Met internet. Met camera. Met Skype. Mr. Watson, stay there. I see you.

Maar soms pas ik anachronismen of neologismen bewust toe. ‘In de Roaring 20s was ‘live now, pay later’ het motto, alles was YOLO’, schreef een leerling op de repetitie. Dat had ze goed onthouden, want zo had ik het uitgelegd. Leerlingen maken ook gretig gebruik van mijn ‘hangry’ dat ik gebruik om het humeur van de Franse Derde Stand voor de revolutie te omschrijven. Hongerig en boos.

Ook al gaat het soms moeizaam, we moeten beelden scheppen. Dus: minder YouTube, maar meer video in je kop. Laat de leerling fantaseren. Thuis kijken ze wel weer video’s. Natuurlijk: af en toe een afbeelding of een kort videofragment moet kunnen, maar de bril van nu moet af. Laat ze ruiken, voelen en horen, want dan krijg je de mooiste antwoorden. Nakijken wordt leuk als een derdeklasser de Amerikaanse Hoovervilles als ‘slobberwijken’ omschrijft. Interessant beeld. Slobberwijken. Ha!

Gepubliceerd in de Kleio van 20-02-15. Het tijdschrift voor geschiedenisdocenten verschijnt zeven keer per jaar


donderdag 26 februari 2015

Ruggespraak

Samen met Jetse Goris maak ik voor het radioprogramma Glasnost (Oog-radio, maandag 20-21 uur) zo nu en dan een reportage onder de naam 'Ruggespraak'. Hieronder vind je de eerste drie afleveringen:

Jetse steekt van wal bij de Tegenlicht meet-up over onderwijs


Ruggespraak #1 - Stoppen met roken
Jetse Goris en Jelte Posthumus gaan in hun rubriek Ruggespraak in gesprek met wetenschappers van de Rijksuniversiteit Groningen. In deze eerste aflevering spraken ze prof. dr. Arie Dijkstra over zijn onderzoek naar de stoppen-met-roken-methode van Allen Carr. Allen Carr verkocht 10 miljoen exemplaren van zijn fameuze boek. Hij stierf aan longkanker. Professor Dijkstra gaat in op de methode, legt z’n onderzoeksmethode uit, en Jetse vraagt zich af of Jelte misschien ooit gaat stoppen met roken. Klik hier

Ruggespraak #2 - Rijden onder invloed
Jetse Goris en Jelte Posthumus gaan in hun rubriek Ruggespraak in gesprek met wetenschappers van de Rijksuniversiteit Groningen. In deze tweede aflevering legt dr. Janet Veldstra haar promotieonderzoek naar rijden onder invloed uit. Klik hier

Ruggespraak #3 - De onderwijzer aan de macht 
Op 1 februari zond de VPRO de Tegenlicht-uitzending ‘De onderwijzer aan de macht’ uit. Afgelopen donderdag was hierover een meet-up in het Kasteel in Groningen. Nooit eerder werd een Tegenlicht-meet-up zo druk bezocht. Ruggespraakmakers Jelte Posthumus en Jetse Goris waren er bij en vroegen zich af: waarom moet het onderwijs eigenlijk veranderen? En: hoe erg is het om een drop-out te zijn? Klik hier

vrijdag 2 januari 2015

Dolle Feestjes

Toen mij het opmerkelijke bericht bereikte dat de ‘uitvinder’ van ADHD op zijn sterfbed zou hebben toegegeven dat het een verzonnen ziekte zou zijn, keek ik wel even op, maar niet lang, want ik kan me maar moeilijk concentreren. Het nieuwsbericht bleek een hoax: de uitspraak was uit zijn verband getrokken, verdraaid.

In de context van het artikel in Der Spiegel zei ADHD-pionier Leon Eisenberg namelijk iets anders. De 87-jarige professor maakte zich vooral zorgen over de enorme toename van het aantal ADHD-diagnoses en de daaruit volgende pillenrecepten. We zouden met z’n allen zijn zorg moeten delen. Want ADHD is volgens mij een containerbegrip en Ritalin is rommel, tenzij je van dolle feestjes houdt.

Hoewel over het hoogtepunt heen, neemt het aantal voorgeschreven ADHD-medicijnen in Nederland nog altijd toe. Cijfers van de Stichting Farmeceutische Kengetallen tonen dat apotheken in 2012 1,2 miljoen keer het ADHD-geneesmiddel methylfenidaat – bekend onder merknamen als Ritalin of Concerta – voorschreven, bijna 10% meer dan het jaar daarvoor. Maar liefst 12.000 basisschoolleerlingen startten met de medicatie, zo’n 40% daarvan op 8-jarige leeftijd.

Zijn artsen alerter, scherper in hun diagnose? Of zijn ze juist gemakzuchtig of in tijdnood? Ik krijg steeds sterker de indruk dat ADHD geen ziekte maar een symptoom is. Gebrekkige aandacht en hyperactiviteit kunnen toch evenzogoed symptomen zijn van bijvoorbeeld autisme, van OCD, van bijziendheid, van hoogbegaafdheid, van een bepaalde psychosociale toestand, van een vervelende thuissituatie. ADHD is kortom de snelle weg naar een handig medicijn dat een kind rustig op de stoel houdt. Steeds meer onderzoekers komen ondertussen terug op het idee dat de beste remedie tegen ADHD een pilletje is. Gedragstherapie zou beter zijn.

Een autoriteit op het gebied van emotionele ontwikkeling van kinderen is de Amerikaan Jerome Kagan. Hij draait niet om de hete brij heen en wijst naar de farmaceutische industrie als de grote winnaar van het stuiterballenspel. Kagan beweert dat diagnoses mede gesteld worden op basis van de voorhanden zijnde pillen, dus: vooral omdat Ritalin er is, wordt de diagnose ADHD gesteld en het medicijn voorgeschreven.

In december 2013 verscheen een YouTube-filmpje van Josh Ovalle, een tiener met de diagnose ADHD op zak. De pillen die hij krijgt ervaart hij als ‘mentale handboeien’. De video is bijna een half miljoen keer bekeken. Veel kinderen geven in hun reactie blijk van herkenning. Ze voelen zich afgevlakt door de medicijnen, zich geremd in hun creativiteit en uitbundigheid.

Het is niet vreemd dat de door Josh beschreven effecten, hij noemt zichzelf gefocust, maar vooral emotieloos en asociaal, overeenkomen met de effecten van een andere, meer beruchte drug, namelijk met die van cocaïne. Ritalin is een amfetamine en chemisch nauw verwant aan cocaïne en morfine. Ritalin is de afgelopen jaren zelfs tot partydrug verworden – in mijn bescheiden uitgaansleven kwam ik het een aantal keer tegen. Tuurlijk hangt de werking ervan af van dopamine-levels, maar wat de bijwerkingen en gevolgen van Ritalin-gebruik op de lange termijn zijn, zeker bij een onjuiste ADHD-diagnose, is nog in mist gehuld.

Dat er dus per jaar meer dan een miljoen keer methylfenidaat over de apothekerstoonbank gaat is dus schandalig. Want wat was het probleem met het kind? Dat het onrustig op de stoel zat, snel afgeleid was, geen concentratie kon opbrengen, schreeuwerig was, op een negatieve manier om aandacht vroeg? Kan dat niet allerlei oorzaken hebben? Ja, natuurlijk kan dat. En dus zijn andere antwoorden misschien gepaster dan het voorschrijven van Ritalin.

(gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op op 09-01-14)

zondag 2 november 2014

Glasnost - interview met Adriaan van Dis (Het Grote Gebeuren 01-11-14)

Voor Glasnost sprak ik op Het Grote Gebeuren samen met Amanda Brouwers met Adriaan van Dis over zijn nieuwste roman 'Ik kom terug'. Klik op de link hieronder voor het interview. 

Interview met Adriaan van Dis 

dinsdag 27 mei 2014

Glasnost / Geschiedenis van alledaagse dingen / Van Rubens tot Barbie

    
Klik hier voor een opname van mijn eerste bijdrage - tijdens de Nacht van Kunst en Wetenschap - aan het radioprogramma Glasnost. Of kijk hier en ontdek wat het geweldige programma nog meer te bieden heeft. 

Je kan mijn les ook meelezen:
 
Van Rubens tot Barbie – de geschiedenis van vrouwelijke schoonheid
Het was 6 december 1630 toen de toen 53-jarige schilder Peter Paul Rubens trouwde met Hélène Fourment. Zij was een stevige tante, kunnen we gerust zeggen, en slechts 16 jaar oud. Maar ze was van een oogverblindende schoonheid. Ferdinand van Oostenrijk noemde haar 'ongetwijfeld de mooiste die men hier in Antwerpen kan zien...'. Ja, voluptueus, gevuld, gevleesd, kortom dik was mooi in Rubens' tijd en Hélène beantwoordde aan dat schoonheidsideaal.

De uitdrukking luidt 'schoonheid is in de ogen van de toeschouwer', maar we moeten beseffen dat de blik van de toeschouwer door de geschiedenis heen grillig is, bepaald door tijd en plaats. En toch: ook te vatten in wetenschappelijke regels.
Een stevige kont en flinke tieten en soms ook een uit de kluiten gewassen vagina, dat hebben ook de zogeheten prehistorische Venusbeeldjes. Ze hebben een kont waar je een kop koffie op kan zetten. Tieten waartussen je zou kunnen verdwalen. Men denkt dat de beeldjes vruchtbaarheid weergaven, een vrouwelijke schepper misschien.
In Berlijn stond ik eens oog in oog met de kalkstenen buste van Nefertiti, de über-babe van het oude Egypte. Ik was nou niet meteen onder de indruk. Dat ontbrekende linkeroog, die kapotte oren, de serpenten-nek, die malle pet. En toch raakte ik al snel geboeid door die scherpe lijnen, die perfecte symmetrie.
 
Symmetrie. Inderdaad. Men zegt dat vrouwen eenvoudiger tot een orgasme komen als de man een symmetrisch gezicht heeft. Dat is balen, want mijn hoofd is ietwat scheef.
Vaker dan eens probeerden wetenschappers schoonheid in formules te vangen. Leonardo da Vinci gebruikte de formules van Vitrivius, de Romeinse architect, en kwam zo tot zijn tekening van de mens. Ik zag de tekening – nu weer voor decennia opgeborgen in donkere kelders – vorig jaar in Venetië en maakte stiekem een foto. Schoonheid gevangen in maten. De lengte van de uitgestrekte armen van deze perfecte mens staat gelijk aan de lichaamslengte. De voetlengte is 1/6 daarvan. De hand 1/10, net zoals de afstand tussen haargrens en kin. En zo gaat het nog even verder. Pak de rolmaat er thuis maar even bij.
 Da Vinci maakte gebruik van de gulden snede, misschien zonder dat hij dat doorhad. Het gulden getal, 1.618 – tot in de 19e eeuw slechts te vinden op het terrein van de wiskunde – zou de sleutel tot schoonheid in natuur, architectuur, schilderkunst en ook het menselijke gelaat zijn. Inderdaad, schoonheid, gevangen in regels.
 Maar schoonheid kun je ook een handje helpen.
 Zo was een door de zon gekleurd gezicht in veel tijden en culturen 'not done'. Hier vlakbij, in de Prinsentuin, vinden we nog de 'berceau', de haagbeukgang waaronder gegoede dames buiten konden wandelen, zonder bruin te worden. In het 16e-eeuwse Engeland epileerden vrouwen hun wenkbrauwen en haarlijn, zodat hun bleke voorhoofd groter leek.
Als we door de tijd gaan rennen, zien we de taille van dames op en neer gaan. Dames werden ingesnoerd met korsetten van walvisbot, vielen er flauw van; er kwamen kooiconstructies die de borsten accentueerden en later ook het achterwerk uitstekend maakten.
In de Roaring 20s werd de vrouw opstandig. Het haar werd kort geknipt, jurkjes accentueerden juist níet, maar tegelijk werd make-up niet meer met de lichte zeden geassocieerd. Ook werden armen en knieën zichtbaar.
De jaren '50 brachten Marilyn Monroe, de Playboy en de barbiepop. De naar huidige standaarden vrij mollige Marilyn stond boven een ventilatierooster. De Playboy ontdeed vrouwen van hun kleding en wat betreft Barbie, Fins onderzoek liet zien dat ze te weinig vet op de botten zou hebben om te menstrueren. 
En dan de jaren '60. De tijd van hippies. Naakt werd gewoner. Het feminisme bracht individualisme en allerlei unieke uitingsvormen. Inmiddels is alles in zekere zin retro, post-postmodern en kijk, modellen zijn dunner dan ooit. Peter Paul Rubens zou ze geen blik waardig gunnen.
De les: Hoe hongeriger het volk, hoe molliger het model. Hoe welvarender het volk, hoe slanker het model. Kom maar op crisis, want een man heeft houvast nodig.

 

zondag 11 mei 2014

Verzuip Verzoop Verzopen


Dit artikel verscheen op 10 mei 2014 in de bijlage 'Straks voor de klas' van het Onderwijsblad. 


In mijn eerste jaar in het onderwijs reisde ik per bus naar mijn werk. Op de terugweg werd ik vaak vergezeld door mijn collega van natuurkunde, een prima man, maar iemand die praat alsof hij een proces-verbaal opmaakt. Hij had geen idee hoe graag ik vijf plaatsen naar voren was gaan zitten, omdat ik zó moe was van de dag, dat elk woord als een mokerslag binnenkwam.
Bijna de helft van de jonge docenten overweegt het onderwijs te verlaten. Ze klagen over werkdruk, salaris, carrièrekansen, tijdelijke contracten en onderwaardering. Volgens mij is het met name die werkdruk die de voedingsbodem vormt voor de andere klachten.
Startende docenten hebben nauwelijks zwemles gehad als ze in het diepe worden gegooid. Dat gold ook voor mij. De lerarenopleiding was geenszins de gedegen voorbereiding die ik had verwacht. Onderwijskundigen worstelden zelf met hun lessen. Ik voelde me soms een boerenknecht die toeziet hoe de boer tevergeefs in de uier knijpt, terwijl hij de theorie van het melken uitlegt. Ontwikkelingsverslagen schreef ik in de gewenste taal: het was niet meer dan een invuloefening. Toen al mijn leerdoelen keurig waren afgevinkt en ik mijn diploma inlijstte, besefte ik dat niemand mij had verteld hoe je 30 havo-4-leerlingen moet motiveren. Ik begreep dat de onderwijsreis nog maar net was begonnen.
En als het dan begint, dan sta je opeens aan de andere kant van het net. Je bent student af. Je bent docent. Onwennig loop je door de gangen van een vreemd gebouw. Het is druk. Het is verwarrend. Kinderen roepen dingen naar je en kijken je na, want je bent nieuw en jong. Je wordt meteen beoordeeld. Kinderen kunnen ongemeen eerlijk zijn. Wie bent u? Wat geeft u? Je wordt besproken op WhatsApp – ongetwijfeld. Je vindt je lokaal. Je begint je les. Daar sta je. Kwetsbaar. Alleen. Je legt uit. Je probeert grappig te zijn. Het lukt. Het lukt niet. Je bent te veel gefocust op de inhoud. Je murmelt. De leerlingen zijn nog geen individuen. Het is een dertigkoppig monster. Getier. Gefluister. Gegrinnik. Je zweet. Het gaat. Het gaat niet. Ach. Verlossing. De bel.
Toen ik op een middag vermoeid wegliep van mijn stage, riep een leerling mij vanuit een openstaand raam na: ‘Hey, Frodo!’. De spijker op z’n kop: ik voelde me inderdaad klein, maar had een belangrijke taak op mij genomen.
Doceren leer je door te doen. Daarom zijn twee dingen cruciaal: de beginnende docent heeft tijd nodig om zich te richten op de kerntaak, lesgeven, en scholen moeten zorgen voor goede begeleiding.
Geef de beginners dus geen extra taken en beperk het aantal lesuren. Als in het lokaal successen worden geboekt, dan komt de rest vanzelf. Laat jonge docenten lesmateriaal ontwikkelen waar ze de rest van hun carrière profijt van hebben. Ik open nog steeds computermapjes uit 2007. Dat scheelt werk en daarom kan ik nu andere taken doen.
Het schort ook aan begeleiding. Ik heb veel jonge docenten zien huilen, struikelen en afzwaaien. Wat doe je als een leerling weigert het lokaal te verlaten als je hem sommeert te vertrekken? Wat moet je als de kinderen maar blijven praten, terwijl je ze tot stilte maant? Hoe breng je de stof tot leven? Hoe krijg je ze aan het werk? Het is de taak van scholen om nieuwe docenten op weg te helpen. Tweewekelijkse intervisie is niet afdoende. Er zou dagelijks een vinger aan de pols gehouden moeten worden. Bespreek de lessen. Waar ging het goed? Waar kan het beter?
Toen ik voor het eerst mijn mok onder de koffiemachine zette, zei een oudere collega dat het ‘moedig’ was dat ik in het onderwijs ging werken. Ik dacht, áls het zo moedig is, help me dan. Andere collega’s zeiden dat ik beter ander werk kon zoeken, omdat ik mijn talenten verspeelde. Aan de koffietafel werd leut met twee klontjes vermoeidheid en een wolkje cynisme gedronken. Ik snapte het gezanik niet en nam mij voor nooit aan zulke verbitterdheid ten prooi te vallen.
Maar ik raak wel verbitterd over het feit dat starters gedemotiveerd raken, omdat ze verzuipen, terwijl het onderwijs juist toe is aan frisse lucht. Als elke les een mentale strijd is, als je elke avond tot tien uur doorwerkt, als je het gevoel hebt er alleen voor te staan, als je oudere collega’s cynische koffie drinken, waar haal je dan voldoening uit? Dan snak je naar een compliment en een luisterend oor. Dan wil je dat er iets in het verschiet ligt, misschien een vast contract of een hoger salaris, gewoon, om het gevoel te hebben dat je je niet tevergeefs het snot voor de ogen werkt. Los je de werkdruk van de starter op, dan nemen de andere klachten vanzelf af.
Misschien is er dan zelfs nog energie voor een gesprek met de collega van natuurkunde. In de bus naar huis. Een prima man, overigens.

maandag 28 april 2014

Glasnost / Geschiedenis van alledaagse dingen / Van de dreun van een knuppel tot de joystick van een drone

Klik hier voor een opname van mijn achtste bijdrage aan het radioprogramma Glasnost. Of kijk hier en ontdek wat het geweldige programma nog meer te bieden heeft. 

Je kan mijn les ook meelezen:

Van de dreun van een knuppel tot de joystick van een drone
De geschiedenis van wapens 

Albert Einstein wist niet zeker met welke wapens de Derde Wereldoorlog uitgevochten zou worden, maar wat betreft de daaropvolgende oorlog twijfelde hij niet: met knuppels en knotsen. Moderne massavernietigingswapens kortom, zouden ons in één klap terugwerpen in de steentijd.
            Oorlogvoering is steeds minder een fysiek man-tegen-man-gevecht en steeds meer een technisch hoogstandje geworden. Krijgers kijken elkaar niet meer in de ogen voor de dodelijke treffer. De vraag is, heeft technologische ontwikkeling ons misschien moreel onverschillig gemaakt?
            Op 24 juli 1945, tijdens de Potsdam-conferentie, fluisterde de Amerikaanse president Truman Sovjetleider Stalin quasi achteloos toe dat de Amerikanen beschikten over ‘a weapon of unusual destructive force’. Stalin reageerde koeltjes dat hij hoopte dat de Japanners ermee op de knieën gedwongen konden worden. Toen op 6 augustus dat jaar de atoomboom Little Boy op Hiroshima viel, bleef van sommige mensen niet meer dan een schaduw over.   
Teruggeworpen in de steentijd… Prehistorische wapens waren inderdaad van steen of hout. Eerst verkocht men een dreun met wat voor handen was, een tak of een kei. Later slingerde men de stenen weg, stokken werden speren met een scherpe punt. Door pijl en boog kon op grotere afstand gevochten worden.
            Tin en koper maken brons. Mesopotamiërs en later ook de Grieken en Romeinen hanteerden bronzen wapens. Fameus is de Griekse hopliet. Hoplieten waren rijke burgers, want de bronzen uitrusting moest zelf bekostigd worden. In falanx-opstelling, waarbij de hoplieten in blokformatie als een stekelvarken voortbewogen, met hun vlijmscherpe speren als stekels, waren ze haast onverslaanbaar.
            Als we vooruitsnellen naar de Middeleeuwen vinden we allerlei angstaanjagend wapentuig, zoals de goedendag, de morgenster en de hellebaard. Men slingerde pestlijken en karkassen met de trebuchet over vijandige muren. Engelse longbows schoten van grote afstand door harnassen. Ridders hanteerden zwaard, schild en lans. Meer dan ooit werd oorlog een nobele erezaak. In vol ornaat trokken de ridders naar toernooi en slagveld – de ochtend na een confrontatie lichtte het strijdtoneel op door de flonkering van de meest kleurrijke en kostbare kostuums.
            Alles veranderde met de introductie van vuurwapens. Buskruit was al uitgevonden voor het jaar 1000 in China, maar pas vanaf de 14e eeuw verschijnen vuurwapens in Europa. Eerst zijn het kanonnen en handbussen, later haakbussen, vanaf de 16e eeuw musketten. Vuurwapens zijn nu overal. Ze konden sneller en sneller geladen worden, tot ze zichzelf automatisch laadden. Er zijn momenteel naar schatting zo’n 100 miljoen Kalashnikovs in de wereld. Ze kosten soms maar 10 dollar.
            In de 20ste eeuw was het tijd voor de meest verschrikkelijke oorlogen tot dan toe. In de eerste van de twee wereldoorlogen deden vlammenwerpers, tanks, mitrailleurs, bommenwerpers en gifgas hun intrede. De mens werd in de luren gelegd door de techniek. Officieren gaven orders tot het wegvagen van een ingegraven, onzichtbare vijand. In de Tweede Wereldoorlog werd het materieel verbeterd. Talloze steden werden tot skeletten gebombardeerd. 60 miljoen mensen stierven wereldwijd. Joden werden vergast en verbrand. De mens werd industrieel weggewerkt. Als klap op de vuurpijl was daar de nucleaire ‘mushroom cloud’ boven de twee Japanse steden.
            Steeds meer is techniek tussen vijandelijke legers komen te staan. Steeds minder mens werd nodig om steeds meer mens te doden. Er werden daarom internationale afspraken gemaakt over het gebruik van onconventionele wapens, zoals gifgas en atoombommen, maar desondanks is oorlog een Playstation-spel geworden. Op Creech Air Force Base, vlakbij Las Vegas, besturen piloten met gamecontrollers onbemande drones boven Afghanistan, meer dan 10.000 kilometer verderop. Hoe achteloos drukt de Amerikaan op de rode knop als de rebellengroep in het vizier komt?

De les: De moderne krijger moet waken voor morele onverschilligheid nu techniek ons het zicht op andermans ogen heeft ontnomen.