‘In de opening verraste u me eigenlijk wel
eerlijk gezegd, ik had gehoopt op e4 c5 a3 Nc6’, zegt Ghosthumus via de chat. En later: ‘ik dacht dat u misschien 13.Qa5
had kunnen spelen en dan op c7 pakken met de loper. Misschien zou dat beter
hebben gewerkt, maar ik weet het niet zeker.’
Schaken is mij met de paplepel ingegoten. Ik
speelde het als kleuter al en ook al ben ik nooit heel goed geworden, ik hou
van het spel. Het is een feest om zelf te spelen - elke partij is een haast
literair avontuur - maar het is een even groot genoegen om online de wereldtop
te volgen: de buitenaardse snelheid van Hikaru Nakamura, de branie van Daniil
Dubov, het door de goden gegeven instinct van Magnus Carlsen.
Schaken heeft momentum met het verschijnen van de
Netflix-serie The Queen’s Gambit. Ik
las dat de verkoop van schaaksets vervijfvoudigd is! Dat stemt optimistisch,
want schakende kinderen slijpen hun brein. Ze kunnen zich beter concentreren,
verbeteren hun logisch denkvermogen, rekenkunde, ruimtelijk inzicht en oefenen
empathie.
 |
Still uit The Queen's Gambit (Netflix) |
Bovendien, je
blijft er slank bij. Grootmeesters verbranden met hun denkwerk zo’n 6000 calorieën
per dag op een toernooi - we eten dagelijks gemiddeld een derde daarvan.
De hausse brengt onvrijwillig het jaar 1972
in de herinnering, toen de Amerikaan Bobby Fischer het in Reykjavik opnam tegen
de Rus Boris Spassky. De hele wereld keek mee hoe Bobby de eerste partij
verloor, vervolgens eiste dat de camera’s weggehaald werden, toen niet op kwam
dagen, daarna een telegram van Kissinger ontving en uiteindelijk tóch zijn zin
kreeg. De wedstrijd werd voortgezet in een benauwd achterafkamertje en Fischer werd
wereldkampioen. De schaaksets waren niet aan te slepen in die dagen.
 |
Fischer vs. Spassky, Reykjavik, 1972 |
Een aantal van mijn leerlingen is enthousiast
schaker. Met de beste speelde ik een tijdlang elke les één zet. Ik hield thuis
de stelling op een bord bij, geholpen door mijn vader en broer - hij deed alles
uit zijn hoofd (grotendeels tijdens de geschiedenisles, vermoed ik) en won.
Later organiseerde ik een simultaandemonstratie waarbij hij het in de aula
opnam tegen leerlingen én docenten. Hij verloor één partij, speelde één gelijk
en won de overige twaalf. Een andere jongen komt regelmatig aan het eind van de
les met zijn telefoon naar me toe waarop een bord klaar staat. Dan spelen we
een potje snelschaak tussen de lessen door. Met weer een andere leerling speel
ik correspondentieschaak, de langzaamste vorm, waarbij partijen over weken, zo
niet maanden kunnen worden uitgesmeerd.
Ghosthumus zit in de vijfde
klas, heeft een nogal intimiderende schaaknaam aangenomen en hij had gelijk. Ik
had inderdaad de dame naar a5 moeten spelen en dan moeten pakken met de loper
op c7. Hij won het potje met schwung.
Deze column verscheen in Kleio no. 1, jaargang 62 (februari 2021)