donderdag 26 februari 2015

Ruggespraak

Samen met Jetse Goris maak ik voor het radioprogramma Glasnost (Oog-radio, maandag 20-21 uur) zo nu en dan een reportage onder de naam 'Ruggespraak'. Hieronder vind je de eerste drie afleveringen:

Jetse steekt van wal bij de Tegenlicht meet-up over onderwijs


Ruggespraak #1 - Stoppen met roken
Jetse Goris en Jelte Posthumus gaan in hun rubriek Ruggespraak in gesprek met wetenschappers van de Rijksuniversiteit Groningen. In deze eerste aflevering spraken ze prof. dr. Arie Dijkstra over zijn onderzoek naar de stoppen-met-roken-methode van Allen Carr. Allen Carr verkocht 10 miljoen exemplaren van zijn fameuze boek. Hij stierf aan longkanker. Professor Dijkstra gaat in op de methode, legt z’n onderzoeksmethode uit, en Jetse vraagt zich af of Jelte misschien ooit gaat stoppen met roken. Klik hier

Ruggespraak #2 - Rijden onder invloed
Jetse Goris en Jelte Posthumus gaan in hun rubriek Ruggespraak in gesprek met wetenschappers van de Rijksuniversiteit Groningen. In deze tweede aflevering legt dr. Janet Veldstra haar promotieonderzoek naar rijden onder invloed uit. Klik hier

Ruggespraak #3 - De onderwijzer aan de macht 
Op 1 februari zond de VPRO de Tegenlicht-uitzending ‘De onderwijzer aan de macht’ uit. Afgelopen donderdag was hierover een meet-up in het Kasteel in Groningen. Nooit eerder werd een Tegenlicht-meet-up zo druk bezocht. Ruggespraakmakers Jelte Posthumus en Jetse Goris waren er bij en vroegen zich af: waarom moet het onderwijs eigenlijk veranderen? En: hoe erg is het om een drop-out te zijn? Klik hier

vrijdag 2 januari 2015

Dolle Feestjes

Toen mij het opmerkelijke bericht bereikte dat de ‘uitvinder’ van ADHD op zijn sterfbed zou hebben toegegeven dat het een verzonnen ziekte zou zijn, keek ik wel even op, maar niet lang, want ik kan me maar moeilijk concentreren. Het nieuwsbericht bleek een hoax: de uitspraak was uit zijn verband getrokken, verdraaid.

In de context van het artikel in Der Spiegel zei ADHD-pionier Leon Eisenberg namelijk iets anders. De 87-jarige professor maakte zich vooral zorgen over de enorme toename van het aantal ADHD-diagnoses en de daaruit volgende pillenrecepten. We zouden met z’n allen zijn zorg moeten delen. Want ADHD is volgens mij een containerbegrip en Ritalin is rommel, tenzij je van dolle feestjes houdt.

Hoewel over het hoogtepunt heen, neemt het aantal voorgeschreven ADHD-medicijnen in Nederland nog altijd toe. Cijfers van de Stichting Farmeceutische Kengetallen tonen dat apotheken in 2012 1,2 miljoen keer het ADHD-geneesmiddel methylfenidaat – bekend onder merknamen als Ritalin of Concerta – voorschreven, bijna 10% meer dan het jaar daarvoor. Maar liefst 12.000 basisschoolleerlingen startten met de medicatie, zo’n 40% daarvan op 8-jarige leeftijd.

Zijn artsen alerter, scherper in hun diagnose? Of zijn ze juist gemakzuchtig of in tijdnood? Ik krijg steeds sterker de indruk dat ADHD geen ziekte maar een symptoom is. Gebrekkige aandacht en hyperactiviteit kunnen toch evenzogoed symptomen zijn van bijvoorbeeld autisme, van OCD, van bijziendheid, van hoogbegaafdheid, van een bepaalde psychosociale toestand, van een vervelende thuissituatie. ADHD is kortom de snelle weg naar een handig medicijn dat een kind rustig op de stoel houdt. Steeds meer onderzoekers komen ondertussen terug op het idee dat de beste remedie tegen ADHD een pilletje is. Gedragstherapie zou beter zijn.

Een autoriteit op het gebied van emotionele ontwikkeling van kinderen is de Amerikaan Jerome Kagan. Hij draait niet om de hete brij heen en wijst naar de farmaceutische industrie als de grote winnaar van het stuiterballenspel. Kagan beweert dat diagnoses mede gesteld worden op basis van de voorhanden zijnde pillen, dus: vooral omdat Ritalin er is, wordt de diagnose ADHD gesteld en het medicijn voorgeschreven.

In december 2013 verscheen een YouTube-filmpje van Josh Ovalle, een tiener met de diagnose ADHD op zak. De pillen die hij krijgt ervaart hij als ‘mentale handboeien’. De video is bijna een half miljoen keer bekeken. Veel kinderen geven in hun reactie blijk van herkenning. Ze voelen zich afgevlakt door de medicijnen, zich geremd in hun creativiteit en uitbundigheid.

Het is niet vreemd dat de door Josh beschreven effecten, hij noemt zichzelf gefocust, maar vooral emotieloos en asociaal, overeenkomen met de effecten van een andere, meer beruchte drug, namelijk met die van cocaïne. Ritalin is een amfetamine en chemisch nauw verwant aan cocaïne en morfine. Ritalin is de afgelopen jaren zelfs tot partydrug verworden – in mijn bescheiden uitgaansleven kwam ik het een aantal keer tegen. Tuurlijk hangt de werking ervan af van dopamine-levels, maar wat de bijwerkingen en gevolgen van Ritalin-gebruik op de lange termijn zijn, zeker bij een onjuiste ADHD-diagnose, is nog in mist gehuld.

Dat er dus per jaar meer dan een miljoen keer methylfenidaat over de apothekerstoonbank gaat is dus schandalig. Want wat was het probleem met het kind? Dat het onrustig op de stoel zat, snel afgeleid was, geen concentratie kon opbrengen, schreeuwerig was, op een negatieve manier om aandacht vroeg? Kan dat niet allerlei oorzaken hebben? Ja, natuurlijk kan dat. En dus zijn andere antwoorden misschien gepaster dan het voorschrijven van Ritalin.

(gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op op 09-01-14)

zondag 2 november 2014

Glasnost - interview met Adriaan van Dis (Het Grote Gebeuren 01-11-14)

Voor Glasnost sprak ik op Het Grote Gebeuren samen met Amanda Brouwers met Adriaan van Dis over zijn nieuwste roman 'Ik kom terug'. Klik op de link hieronder voor het interview. 

Interview met Adriaan van Dis 

dinsdag 27 mei 2014

Glasnost / Geschiedenis van alledaagse dingen / Van Rubens tot Barbie

    
Klik hier voor een opname van mijn eerste bijdrage - tijdens de Nacht van Kunst en Wetenschap - aan het radioprogramma Glasnost. Of kijk hier en ontdek wat het geweldige programma nog meer te bieden heeft. 

Je kan mijn les ook meelezen:


Van Rubens tot Barbie – de geschiedenis van vrouwelijke schoonheid
Het was 6 december 1630 toen de toen 53-jarige schilder Peter Paul Rubens trouwde met Hélène Fourment. Zij was een stevige tante, kunnen we gerust zeggen, en slechts 16 jaar oud. Maar ze was van een oogverblindende schoonheid. Ferdinand van Oostenrijk noemde haar 'ongetwijfeld de mooiste die men hier in Antwerpen kan zien...'. Ja, voluptueus, gevuld, gevleesd, kortom dik was mooi in Rubens' tijd en Hélène beantwoordde aan dat schoonheidsideaal.

De uitdrukking luidt 'schoonheid is in de ogen van de toeschouwer', maar we moeten beseffen dat de blik van de toeschouwer door de geschiedenis heen grillig is, bepaald door tijd en plaats. En toch: ook te vatten in wetenschappelijke regels.

Een stevige kont en flinke tieten en soms ook een uit de kluiten gewassen vagina, dat hebben ook de zogeheten prehistorische Venusbeeldjes. Ze hebben een kont waar je een kop koffie op kan zetten. Tieten waartussen je zou kunnen verdwalen. Men denkt dat de beeldjes vruchtbaarheid weergaven, een vrouwelijke schepper misschien.
In Berlijn stond ik eens oog in oog met de kalkstenen buste van Nefertiti, de über-babe van het oude Egypte. Ik was nou niet meteen onder de indruk. Dat ontbrekende linkeroog, die kapotte oren, de serpenten-nek, die malle pet. En toch raakte ik al snel geboeid door die scherpe lijnen, die perfecte symmetrie.

Symmetrie. Inderdaad. Men zegt dat vrouwen eenvoudiger tot een orgasme komen als de man een symmetrisch gezicht heeft. Dat is balen, want mijn hoofd is ietwat scheef.
Vaker dan eens probeerden wetenschappers schoonheid in formules te vangen. Leonardo da Vinci gebruikte de formules van Vitrivius, de Romeinse architect, en kwam zo tot zijn tekening van de mens. Ik zag de tekening – nu weer voor decennia opgeborgen in donkere kelders – vorig jaar in Venetië en maakte stiekem een foto. Schoonheid gevangen in maten. De lengte van de uitgestrekte armen van deze perfecte mens staat gelijk aan de lichaamslengte. De voetlengte is 1/6 daarvan. De hand 1/10, net zoals de afstand tussen haargrens en kin. En zo gaat het nog even verder. Pak de rolmaat er thuis maar even bij.

Da Vinci maakte gebruik van de gulden snede, misschien zonder dat hij dat doorhad. Het gulden getal, 1.618 – tot in de 19e eeuw slechts te vinden op het terrein van de wiskunde – zou de sleutel tot schoonheid in natuur, architectuur, schilderkunst en ook het menselijke gelaat zijn. Inderdaad, schoonheid, gevangen in regels.

Maar schoonheid kun je ook een handje helpen.

Zo was een door de zon gekleurd gezicht in veel tijden en culturen 'not done'. Hier vlakbij, in de Prinsentuin, vinden we nog de 'berceau', de haagbeukgang waaronder gegoede dames buiten konden wandelen, zonder bruin te worden. In het 16e-eeuwse Engeland epileerden vrouwen hun wenkbrauwen en haarlijn, zodat hun bleke voorhoofd groter leek.

Als we door de tijd gaan rennen, zien we de taille van dames op en neer gaan. Dames werden ingesnoerd met korsetten van walvisbot, vielen er flauw van; er kwamen kooiconstructies die de borsten accentueerden en later ook het achterwerk uitstekend maakten.

In de Roaring 20s werd de vrouw opstandig. Het haar werd kort geknipt, jurkjes accentueerden juist níet, maar tegelijk werd make-up niet meer met de lichte zeden geassocieerd. Ook werden armen en knieën zichtbaar.

De jaren '50 brachten Marilyn Monroe, de Playboy en de barbiepop. De naar huidige standaarden vrij mollige Marilyn stond boven een ventilatierooster. De Playboy ontdeed vrouwen van hun kleding en wat betreft Barbie, Fins onderzoek liet zien dat ze te weinig vet op de botten zou hebben om te menstrueren.

En dan de jaren '60. De tijd van hippies. Naakt werd gewoner. Het feminisme bracht individualisme en allerlei unieke uitingsvormen. Inmiddels is alles in zekere zin retro, post-postmodern en kijk, modellen zijn dunner dan ooit. Peter Paul Rubens zou ze geen blik waardig gunnen.

De les: Hoe hongeriger het volk, hoe molliger het model. Hoe welvarender het volk, hoe slanker het model. Kom maar op crisis, want een man heeft houvast nodig.

zondag 11 mei 2014

Verzuip Verzoop Verzopen


Dit artikel verscheen op 10 mei 2014 in de bijlage 'Straks voor de klas' van het Onderwijsblad. 


In mijn eerste jaar in het onderwijs reisde ik per bus naar mijn werk. Op de terugweg werd ik vaak vergezeld door mijn collega van natuurkunde, een prima man, maar iemand die praat alsof hij een proces-verbaal opmaakt. Hij had geen idee hoe graag ik vijf plaatsen naar voren was gaan zitten, omdat ik zó moe was van de dag, dat elk woord als een mokerslag binnenkwam.
Bijna de helft van de jonge docenten overweegt het onderwijs te verlaten. Ze klagen over werkdruk, salaris, carrièrekansen, tijdelijke contracten en onderwaardering. Volgens mij is het met name die werkdruk die de voedingsbodem vormt voor de andere klachten.
Startende docenten hebben nauwelijks zwemles gehad als ze in het diepe worden gegooid. Dat gold ook voor mij. De lerarenopleiding was geenszins de gedegen voorbereiding die ik had verwacht. Onderwijskundigen worstelden zelf met hun lessen. Ik voelde me soms een boerenknecht die toeziet hoe de boer tevergeefs in de uier knijpt, terwijl hij de theorie van het melken uitlegt. Ontwikkelingsverslagen schreef ik in de gewenste taal: het was niet meer dan een invuloefening. Toen al mijn leerdoelen keurig waren afgevinkt en ik mijn diploma inlijstte, besefte ik dat niemand mij had verteld hoe je 30 havo-4-leerlingen moet motiveren. Ik begreep dat de onderwijsreis nog maar net was begonnen.
En als het dan begint, dan sta je opeens aan de andere kant van het net. Je bent student af. Je bent docent. Onwennig loop je door de gangen van een vreemd gebouw. Het is druk. Het is verwarrend. Kinderen roepen dingen naar je en kijken je na, want je bent nieuw en jong. Je wordt meteen beoordeeld. Kinderen kunnen ongemeen eerlijk zijn. Wie bent u? Wat geeft u? Je wordt besproken op WhatsApp – ongetwijfeld. Je vindt je lokaal. Je begint je les. Daar sta je. Kwetsbaar. Alleen. Je legt uit. Je probeert grappig te zijn. Het lukt. Het lukt niet. Je bent te veel gefocust op de inhoud. Je murmelt. De leerlingen zijn nog geen individuen. Het is een dertigkoppig monster. Getier. Gefluister. Gegrinnik. Je zweet. Het gaat. Het gaat niet. Ach. Verlossing. De bel.
Toen ik op een middag vermoeid wegliep van mijn stage, riep een leerling mij vanuit een openstaand raam na: ‘Hey, Frodo!’. De spijker op z’n kop: ik voelde me inderdaad klein, maar had een belangrijke taak op mij genomen.
Doceren leer je door te doen. Daarom zijn twee dingen cruciaal: de beginnende docent heeft tijd nodig om zich te richten op de kerntaak, lesgeven, en scholen moeten zorgen voor goede begeleiding.
Geef de beginners dus geen extra taken en beperk het aantal lesuren. Als in het lokaal successen worden geboekt, dan komt de rest vanzelf. Laat jonge docenten lesmateriaal ontwikkelen waar ze de rest van hun carrière profijt van hebben. Ik open nog steeds computermapjes uit 2007. Dat scheelt werk en daarom kan ik nu andere taken doen.
Het schort ook aan begeleiding. Ik heb veel jonge docenten zien huilen, struikelen en afzwaaien. Wat doe je als een leerling weigert het lokaal te verlaten als je hem sommeert te vertrekken? Wat moet je als de kinderen maar blijven praten, terwijl je ze tot stilte maant? Hoe breng je de stof tot leven? Hoe krijg je ze aan het werk? Het is de taak van scholen om nieuwe docenten op weg te helpen. Tweewekelijkse intervisie is niet afdoende. Er zou dagelijks een vinger aan de pols gehouden moeten worden. Bespreek de lessen. Waar ging het goed? Waar kan het beter?
Toen ik voor het eerst mijn mok onder de koffiemachine zette, zei een oudere collega dat het ‘moedig’ was dat ik in het onderwijs ging werken. Ik dacht, áls het zo moedig is, help me dan. Andere collega’s zeiden dat ik beter ander werk kon zoeken, omdat ik mijn talenten verspeelde. Aan de koffietafel werd leut met twee klontjes vermoeidheid en een wolkje cynisme gedronken. Ik snapte het gezanik niet en nam mij voor nooit aan zulke verbitterdheid ten prooi te vallen.
Maar ik raak wel verbitterd over het feit dat starters gedemotiveerd raken, omdat ze verzuipen, terwijl het onderwijs juist toe is aan frisse lucht. Als elke les een mentale strijd is, als je elke avond tot tien uur doorwerkt, als je het gevoel hebt er alleen voor te staan, als je oudere collega’s cynische koffie drinken, waar haal je dan voldoening uit? Dan snak je naar een compliment en een luisterend oor. Dan wil je dat er iets in het verschiet ligt, misschien een vast contract of een hoger salaris, gewoon, om het gevoel te hebben dat je je niet tevergeefs het snot voor de ogen werkt. Los je de werkdruk van de starter op, dan nemen de andere klachten vanzelf af.
Misschien is er dan zelfs nog energie voor een gesprek met de collega van natuurkunde. In de bus naar huis. Een prima man, overigens.

maandag 28 april 2014

Glasnost / Geschiedenis van alledaagse dingen / Van de dreun van een knuppel tot de joystick van een drone

Klik hier voor een opname van mijn achtste bijdrage aan het radioprogramma Glasnost. Of kijk hier en ontdek wat het geweldige programma nog meer te bieden heeft. 

Je kan mijn les ook meelezen:

Van de dreun van een knuppel tot de joystick van een drone
De geschiedenis van wapens 

Albert Einstein wist niet zeker met welke wapens de Derde Wereldoorlog uitgevochten zou worden, maar wat betreft de daaropvolgende oorlog twijfelde hij niet: met knuppels en knotsen. Moderne massavernietigingswapens kortom, zouden ons in één klap terugwerpen in de steentijd.
            Oorlogvoering is steeds minder een fysiek man-tegen-man-gevecht en steeds meer een technisch hoogstandje geworden. Krijgers kijken elkaar niet meer in de ogen voor de dodelijke treffer. De vraag is, heeft technologische ontwikkeling ons misschien moreel onverschillig gemaakt?
            Op 24 juli 1945, tijdens de Potsdam-conferentie, fluisterde de Amerikaanse president Truman Sovjetleider Stalin quasi achteloos toe dat de Amerikanen beschikten over ‘a weapon of unusual destructive force’. Stalin reageerde koeltjes dat hij hoopte dat de Japanners ermee op de knieën gedwongen konden worden. Toen op 6 augustus dat jaar de atoomboom Little Boy op Hiroshima viel, bleef van sommige mensen niet meer dan een schaduw over.   
Teruggeworpen in de steentijd… Prehistorische wapens waren inderdaad van steen of hout. Eerst verkocht men een dreun met wat voor handen was, een tak of een kei. Later slingerde men de stenen weg, stokken werden speren met een scherpe punt. Door pijl en boog kon op grotere afstand gevochten worden.
            Tin en koper maken brons. Mesopotamiërs en later ook de Grieken en Romeinen hanteerden bronzen wapens. Fameus is de Griekse hopliet. Hoplieten waren rijke burgers, want de bronzen uitrusting moest zelf bekostigd worden. In falanx-opstelling, waarbij de hoplieten in blokformatie als een stekelvarken voortbewogen, met hun vlijmscherpe speren als stekels, waren ze haast onverslaanbaar.
            Als we vooruitsnellen naar de Middeleeuwen vinden we allerlei angstaanjagend wapentuig, zoals de goedendag, de morgenster en de hellebaard. Men slingerde pestlijken en karkassen met de trebuchet over vijandige muren. Engelse longbows schoten van grote afstand door harnassen. Ridders hanteerden zwaard, schild en lans. Meer dan ooit werd oorlog een nobele erezaak. In vol ornaat trokken de ridders naar toernooi en slagveld – de ochtend na een confrontatie lichtte het strijdtoneel op door de flonkering van de meest kleurrijke en kostbare kostuums.
            Alles veranderde met de introductie van vuurwapens. Buskruit was al uitgevonden voor het jaar 1000 in China, maar pas vanaf de 14e eeuw verschijnen vuurwapens in Europa. Eerst zijn het kanonnen en handbussen, later haakbussen, vanaf de 16e eeuw musketten. Vuurwapens zijn nu overal. Ze konden sneller en sneller geladen worden, tot ze zichzelf automatisch laadden. Er zijn momenteel naar schatting zo’n 100 miljoen Kalashnikovs in de wereld. Ze kosten soms maar 10 dollar.
            In de 20ste eeuw was het tijd voor de meest verschrikkelijke oorlogen tot dan toe. In de eerste van de twee wereldoorlogen deden vlammenwerpers, tanks, mitrailleurs, bommenwerpers en gifgas hun intrede. De mens werd in de luren gelegd door de techniek. Officieren gaven orders tot het wegvagen van een ingegraven, onzichtbare vijand. In de Tweede Wereldoorlog werd het materieel verbeterd. Talloze steden werden tot skeletten gebombardeerd. 60 miljoen mensen stierven wereldwijd. Joden werden vergast en verbrand. De mens werd industrieel weggewerkt. Als klap op de vuurpijl was daar de nucleaire ‘mushroom cloud’ boven de twee Japanse steden.
            Steeds meer is techniek tussen vijandelijke legers komen te staan. Steeds minder mens werd nodig om steeds meer mens te doden. Er werden daarom internationale afspraken gemaakt over het gebruik van onconventionele wapens, zoals gifgas en atoombommen, maar desondanks is oorlog een Playstation-spel geworden. Op Creech Air Force Base, vlakbij Las Vegas, besturen piloten met gamecontrollers onbemande drones boven Afghanistan, meer dan 10.000 kilometer verderop. Hoe achteloos drukt de Amerikaan op de rode knop als de rebellengroep in het vizier komt?

De les: De moderne krijger moet waken voor morele onverschilligheid nu techniek ons het zicht op andermans ogen heeft ontnomen.

maandag 31 maart 2014

Glasnost / Geschiedenis van alledaagse dingen / Van Benenwagen tot Bolide

Klik hier voor een opname van mijn zesde bijdrage aan het radioprogramma Glasnost. Of kijk hier en ontdek wat het geweldige programma nog meer te bieden heeft. 

Je kan mijn les ook meelezen:


Van benenwagen tot bolide - de geschiedenis van transport over weg 

Organiseer een loopwedstrijd tussen een bosjesman uit de Kalahari-woestijn en een antilope, je zult zien, de bosjesman wint. Na een 8 uur durende achtervolging maakt het beest zijn naam waar, de antilope raakt uitgeput, valt om en krijgt een speer in de witte dot die z’n kont is.

Het zijn de huidige jagers-verzamelaars uit de Kalahari-woestijn die ons laten zien dat de mens van nature een duurloper is. Te voet gingen we op jacht, te voet verlieten we Afrika en te voet trokken we door de eerste graanvelden. Eigendommen sjouwden we mee. Afstanden werden in ons land tot de invoering van het metrieke stelsel, begin 19e eeuw, nog uitgedrukt in ‘uren gaans’. De wereld op loopafstand was een kleine wereld van dorp en omringende bossen, velden en akkers.

In de moeiteloze loop van de tijd werden de benen ontlast. Op verschillende plekken werd het wiel uitgevonden. Zware objecten werden eerst op stammen gerold, maar die stammen werden assen, waaraan ronde schijven draaiden. Op de Aziatische steppe deed men spaken in de wielen. Plots liepen zaken op rolletjes. In de oude Amerikaanse beschavingen werd het wiel ook uitgevonden, maar, althans voor zover we weten, alleen voor kinderspeelgoed.

Ook dieren ontlastten de mens. Ongeveer 4000 jaar voor onze jaartelling werden in het huidige Kazachstan de eerste paarden bereden. Het verklaart misschien waarom kort daarop in de Balkan zo’n 600 landbouwsteden leegliepen: men vluchtte voor de oprukkende cavalerie.

Het wiel en het paard. Gooi ze in de geschiedenisblender en je hebt een gouden combinatie. De eerste strijdwagens ontstonden in Mesopotamië. Sindsdien hebben paard en wagen de mens altijd gediend, in tijden van vrede, in tijden van oorlog.

De Romeinen legden in hun tijd 400.000 kilometer wegen aan. Alle wegen leidden inderdaad naar Rome. Om de 20 kilometer kon een paard ingewisseld worden bij een posthuis. Reizen deed men verder met karren, koetsen en wagens, of, nog steeds, te voet.

Dat bleef zo in de Middeleeuwen, hoewel met het wegvallen van de Romeinse vrede de wegen verslechterden en reizen een gevaarlijke onderneming werd. De meest populaire koets was vanaf de 15e eeuw de ‘kocsi szekér’ (kotsie sèkier) uit de Hongaarse plaats Kocsi vanwaar ook de keizerlijke postservice vertrok. Van Kocsi werden de woorden ‘koets’ en ‘coach’ afgeleid. 

En dan gaat het in Engeland stomen en piepen. In 1825 werden de eerste 500 mensen per trein vervoerd. De boeren vreesden dat de koeien zure melk gingen geven, want de trein, die van Stockton naar Darlington ging, raasde voort met een duivelse snelheid van … 24 kilometer per uur. De snelste trein anno 2014 rijdt in Japan en kan 24 keer sneller, zo’n 580 kilometer per uur. De Japanse melk moet wel erg zuur zijn.

Eind 19e eeuw is het tijd voor de automobiel. Nadat mevrouw Benz 80 kilometer in de uitvinding van haar man had afgelegd, ging de auto het wegvervoer domineren. Sinds 2010 rijden er meer dan een miljard auto’s rond op de aarde. Dat is een onvoorstelbare rij auto’s die 10 keer de afstand tot de maan overbrugt. 

Auto’s werden statussymbool. Auto’s werden afgod. Mensen werden dikker. En kijk nou, sommige auto’s praten. Sommige parkeren zichzelf. In Silicon Valley rijden zelfs auto’s zonder chauffeur.

Zijn we dan nog wel duurlopers? Ja, we maken een lunchwandeling met collega’s, maar nemen de auto naar het werk. Op zaterdagochtend rennen we in het plantsoen het vet van het lijf, maar een uur later parkeren we onze stinkende bolide voor de supermarkt en laden die vol met prooi uit de supermarktdiepvries.

De les: De rollen zijn omgedraaid. Door de komst van de auto zijn we geen duurlopers meer. Sterker, we worden antilopen, achternagezeten door onze eigen prooi uit de supermarktvakken en de snackbar. Nog even en we vallen uitgeput om.

dinsdag 4 maart 2014

Glasnost / Geschiedenis van alledaagse dingen / Van Kleitablet tot Tablet

Klik hier voor een opname van mijn zesde bijdrage aan het radioprogramma Glasnost. Of kijk hier en ontdek wat het geweldige programma nog meer te bieden heeft. 

Je kan mijn column ook meelezen:


Van kleitablet tot tablet: de geschiedenis van het geschreven woord 

Een van de allereerste Soemerische schrijftekens lijkt op een aspirine. Het is een kleien handelsfiche, voorzien van een ingekerfd plusteken. De aspirine vertegenwoordigde één schaap.

Zulke kleine fiches werden bewaard in een dichtgebakken, ronde envelop van klei, de bulla. Op de buitenkant van de klei-envelop werden, om twijfel voorkomen, symbolen van de inhoud geschreven. Juist. Zie daar: schrijftekens. Dat gedoe met de kleifiches en de envelop bleek stompzinnig. Waarom niet gewoon een cirkel met een plusje schrijven als je schaap bedoelde? De homo sapiens had een ontiegelijk lange tijd zonder schrift gekund, maar aldus werd ongeveer 5000 jaar geleden het schrift geboren. De Soemeriers schreven hun spijkerschrift met rietstengels op kleitabletten.

Wie las dat schrift? Priesters en administrateurs. Handelaren waarschijnlijk. Dat deden ze meestal luidop. Vermoedelijk werd er heel lang alleen maar luidop gelezen. Alexander de Grote las een brief in stilte. Een brief van zijn moeder. Toen een vriend over zijn schouder mee ging lezen, legde Alexander zijn ring op de lippen van de vriend om de vertrouwelijkheid van de brief te benadrukken. Alexander was ook filosoof.

De Egyptenaren en de bewoners van de Indus-vallei namen het schrift van de Soemeriërs over en gaven er een kekke draai aan. Zo werd klei papyrus. Spijkerschrift werd hiërogliefenschrift. Geheel op zichzelf ontstond het schrift ook in China en in Midden-Amerika. Trouwens, omdat het eerste schrift ontstond in samenlevingen waarin de graanproductie centraal stond – gaan veel oude teksten over bier. Vooral over uitbetaling in bier. Het waren mooie tijden, die van het vroege schrift.

De slimme Egyptenaren ontwikkelden binnen hun schrift een systeem van 24 symbolen die enkele lettergrepen weergaven. Dit systeem werd overgenomen en veranderd in de Sinaï en daarna weer getransporteerd naar Fenicië. Verwarrend inderdaad, maar eenvoudigweg kunnen we zeggen dat zowel het Hebreeuws, het Arabisch en het Grieks – dus ook het Cyrillische en het Latijnse alfabet –  afgeleid zijn van dit Fenicische schrift.

Zie daar, het alfabet. Alef en Beth. Os en huis, in het Fenicisch. Toen de Grieken de letters overnamen, verviel die betekenis. De Grieken voegden als eersten klinkers toe en gingen van links naar rechts schrijven. Daarna gingen de Romeinen er mee aan de haal. Hun Latijnse alfabet, eerst nog zonder de J, V en W, vormt de basis van eigenlijk alle westerse talen. Ook Kelten en Germanen gingen hun talen schrijven in het Latijn, in plaats van bijvoorbeeld in Runen.

Het Latijn was ook de taal van de Middeleeuwen. Schrijven was monnikenwerk. Buiten de kerk heerste analfabetisme. Zelfs Karel de Grote – die het schrijven enorm stimuleerde – was zelf ongeletterd. Een handtekening zette hij wel, maar onzeker als een kind dat z’n eerste woordjes schrijft.

Ach, en toen… Toen drukte de Duitser Johannes Gutenberg halverwege de 15e eeuw met losse letters een Bijbel. Europa werd geletterd. Humanisten schreven dat het een lieve lust was. Mensen verdwaalden in verhalen. Men sloot zich op met een boek. Men huilde bij een gedicht. Deed ontboezemingen in dagboeken. Las nieuws in kranten. Quatsch in roddelbaden. En toen: computers. E-readers. Tablets. En internet. Publiceren werd van iedereen – het computerscherm een eindeloos kleitablet.

De les: elke keer als je een aspirine neemt, denk dan even aan de Soemeriers, die ook graag bier dronken en met een soortgelijk tabletje een schaap kochten en zo het schrift uitvonden.  

donderdag 13 februari 2014

Glasnost / Geschiedenis van alledaagse dingen / Van Geslepen Smaragd tot Google Glass


Klik hier voor een opname van mijn vijfde bijdrage aan het radioprogramma Glasnost. Of kijk hier en ontdek wat het geweldige programma nog meer te bieden heeft. 

Uitwisseling (2)

WhatsApp / 31-10-13 20:45:31: U bent aangemeld bij het groepsgesprek.



Heren en dames, de bus vertrekt inderdaad om 10 uur / Hoe zit het nu met dat eten? Is het niet een beetje onlogisch dat wij daar typisch Nederlands voedsel moeten koken? / Hou het simpel / Broodje hagelslag dan maar.

Oh en meneer, is het ook goed dat ik Iris Kroes doe in plaats van Mata Hari?! Ik had haar even gegoogled, maar ik zou echt niet weten wat ik zou kunnen doen.... / Harm Jaap, jij bent Epke / Ja, ik hoorde het. Als Epke nog een beetje doortraint dan is die straks net zo breed als ik / Haha.


Gaat er al iemand pannenkoeken maken? Anders ga ik dat doen / Ik neem gewoon tien onderbroeken mee. That’s it / Koffer gepakt, 14.4 kilo / Ik heb 26 kilo / Ik ben zoooo bang dat ik wat vergeet / Wat kun je nou vergeten? / Make up / Het wordt zo leuk! / Jaaaaa.


Ik zit in een heeeel groot huis / Wij ook :0 / Jullie ook je eigen badkamer enzo? / Nein / Ze hebben in de tuin gewoon een steenoven voor pizza’s hahaha / Slaap bij de 2 broers, en het bed is te klein / Mijn bed ligt als een houten plank


Ik ga zo meteen naar de Saint Paulo kerk ofzo (: / Ik ben net naar het huis van Petrarca geweest / Oh het was niet Saint Paolo maar St Antonio / Was het mooi? / Jaa, heel mooi. Er was ook een dienst bezig ofzo / Mee gezongen? / Ja helemaal / Ik heb ontbeten in een chocolaterie, echt overheerlijk / Aah chill /


Ik zit helemaal vol wordt echt volgepompt met eten hier / Ik oook, 3 gangen en een toetje / Alweer een warme maaltijd / Jippie... / Haha ze kunnen wel goed koken hier! / Jaa idd zooo lekker / Was 20:30 klaar met eten / Ik had lekker een salade / Ik heb diarree / Eindelijk even internet / 328 berichten nieuw hier / Ik zit hier midden in Padova. En ik heb wifi / Maaaaster / Het werkt ook nog snel / Feest / Als je wordt uitgenodigd naar de opa en oma van je host, niet gaan / Zij voeren je nog erger dan die mensen zelf.


Feestje van Martina hier in Padua, komt u ook? / Er zijn al veel dronken, niet echt gezellig... / Bowlen was ook echt super gezellig / Omg ik ben thuis / Trusten / Lekker koese.


Goedemorgen! / Chiao. Of zo / Ciao! Na een week had je dat moeten weten / Jajaja / Laatste dag, nog maar ff genieten / Ik denk dat we beter K3 aan het einde kunnen plakken / Posthumus? / Ok, we zetten K3 aan het eind / Yess / Wow hoezo veel eten maken / Omg iedereen heeft vet mooie dingen kom ik aanlopen met m’n mislukte wentelteefjes haha / Moeten we nog wat mee behalve eten? / Overalls? / Dus meneer u gaat ook nog een speech houden...


Alle instapkaarten zijn geprint / Neeeeeeeeee / Ik wil nog niet weeeeggg / Laten we express het vliegtuig missen / Ja idd / Hier zijn veel meer knappe jongens dan in NL / Heeft iemand ons geweldige optreden enzo gefilmd?


BEDANKT IEDEREEN VOOR EEN PRACHTIGE WEEK! / Jaaaa iedereen echt bedankt, mensen beter leren kennen met wie ik daarvoor nooit echt sprak. Was echt een super gezellige week! / Was super!! Bedankt!! / Was echt supeeer!! Zal dit nooit vergeten


(gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op 14-11-2013)

zondag 15 december 2013

Salarisschaal LC

Het is wel een dingetje, hoor, de salarisschaal waarin je zit. Aan de bovenkant van het spectrum heb je de vlak na de oorlog geboren LD’ers. Zij zitten comfortabel op het pluche van de ‘verworven rechten’, genieten een riant salaris, draaien gemiddeld twaalf uur per week en hebben dus genoeg tijd om te klagen over die vierhonderd vakantiedagen per jaar. Aan de onderkant vind je de LB’ers, de lesboeren. Zij vormen het proletariaat dat zich in veertiendehands Opel Corsa’s naar de onderwijsfabriek sleept om zich daar voor een habbekrats het snot voor de ogen te werken.

Voor de eenvoudige lesboer zijn er gelukkig wel mogelijkheden om hogerop te komen, maar de weg daar naartoe is nog nooit zo lang geweest. Eenvoudigweg goed lesgeven is niet genoeg. Je moet voldoen aan de eisen van de zogenaamde functiemix, criteria die soms slechts zijdelings met doceren te maken hebben.

Ik deed de afgelopen jaren mijn best, wachtte rustig op toenadering van mijn bazen, maar toen die niet kwam, besloot ik om tijdens mijn laatste functioneringsgesprek maar eens een balletje op te gooien. Zou het misschien mogelijk zijn dat ik, simpele lesboer met een eenvoudige wagen, eens een LC-functie – in dat schimmige gebied tussen de lesboeren en de lesadel – zou kunnen bekleden? Mijn pas aangetreden leidinggevende, al weer de vijfde die ik tegenkom in mijn zesjarige loopbaan, raadde mij aan te beginnen met het aanleggen van een map. Een bewijsvoering eigenlijk, om aan te tonen dat ik voldoe aan de gestelde criteria. Prestaties in het onderwijs tellen pas als ze op papier staan.

Er moeten dus scans gemaakt worden van cursuscertificaten en beoordelingen van leerlingen en leidinggevenden. Ik spit mijn inbox door op zoek naar bewijslast: projecten die ik heb opgezet en aaneen gecommuniceerd. Was er niet nog een compliment van een vader? Een bedankje van een leerling? Natuurlijk ben ik ook allerlei documenten uit het oog verloren. Waar ligt in hemelsnaam mijn geschiedenisbul?

Ik scan veter- en zwemdiploma’s. Misschien helpt het als ik mijn avondvierdaagsemedailles ook in de map stop? Is dat rijbewijs van Verkeerspark Assen nog wat waard? Kijk, ik deed in 1986 ook mee aan dat voetbaltoernooi voor F-jes in Houtigehage. Misschien verstandig om een kopie van het vaantje te maken?

Ik las de functieomschrijving van een LC’er en dacht, fukkeduk, daar hebben we weer zo’n lijst losse kreten. Na het lezen van de eerste zin – ‘draagt structureel kennis/expertise en vaardigheden over aan heterogene en/of complexe groepen en past daarbij uiteenlopende gedragsscenario’s toe’ – haakte ik al af. Ik weet namelijk wel wat men wil zien: een goedgevulde map met papieren prestaties.

En dat vind ik irritant. Ik had liever gezien dat mijn leidinggevende op mij af was gekomen en had gezegd, Posthumus, je bent al jaren goed bezig, misschien wordt het tijd voor een nieuwe tweedehands Volkswagen. Maar misschien is dat beeld te romantisch. Anno 2013 moet je gewoon een portfolio bij elkaar scannen.

Het kan ook te maken hebben met het feit dat ik nog geen enkele leidinggevende langer dan een jaar heb meegemaakt. De elkaar in hoog tempo opvolgende teamleiders hebben geen idee van wat ik vermag.

Maar kijk, ik ben dus begonnen – de scanner staat roodgloeiend. Ik graaf in mijn geschiedenis, want inderdaad, wat héb ik eigenlijk gedaan? Ik zal de map maar goed vullen. Uiteindelijk tellen prestaties alleen als ze op papier staan, hoeveel snot je ook voor de ogen hebt.   

In de personeelskamer grap ik wel eens dat ik al een LC-functie kreeg toen ik voor de LC columns ging schrijven. Ik wuif mijn ambities lacherig weg. Maar als ik eerlijk ben, tja, dan wil ik gewoon die nieuwe tweedehands Golf.

(gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op 31-10-2013)

zaterdag 14 december 2013

Glasnost / Geschiedenis van alledaagse dingen / Van bieten tot bitcoin


Klik hier voor een opname van mijn vierde bijdrage aan het radioprogramma Glasnost. Of kijk hier en ontdek wat het geweldige programma nog meer te bieden heeft. 

donderdag 5 december 2013

Geëmoticoneerd groepsgesprek

Ze zei dat ze zich vroeger wel eens buitengesloten had gevoeld, omdat ze niet bij de groep hoorde. Maar nu was het goed. De vriendinnen hadden de kwestie uitgesproken in een groepsgesprek, zei ze. Een gezellig beeld nestelde zich in mijn hoofd, van jonge dames tussen stapels kussens en meisjesbladen, elk een flinke mok thee omklemd, snoepend van de schaal zelfgebakken koekjes en dan bijpraten en giechelen. Maar toen, als een flits, wiste de echo van haar laatste woord het knusse beeld in mijn hoofd. Oh, natuurlijk, een groépsgesprek.

WhatsApp is een tweede realiteit, parallel aan die van opstaan, naar school fietsen, lessen volgen, naar huis gaan en slapen gaan. Soms zelfs heeft een hele klas een groepsgesprek. Dat kan handig zijn als er een les uitvalt, maar de druk die het tegelijk oplevert moet gigantisch zijn. Altijd maar spitsvondig uit de hoek komen is een hele opgave. En je mag niets missen. Ik las dat pubers soms wel 600 berichten per dag binnenkrijgen. Zoveel persoonlijke berichten ontving men kortgeleden niet eens in een mensenleven.

Als ik vroeger thuiskwam van school, een kop thee had gedronken bij mijn moeder aan de keukentafel en de deur van mijn jongenskamer achter me dichttrok, liet ik de sociale wereld achter me. Deze schermgeneratie kent die rust niet meer. Zo simpel is het. Er hoeft maar één klasgenoot 's nachts iets te schrijven en de rest wordt wakker van het inkomende bericht. Gedeelde foto's, bedoeld voor een enkeling, zijn in een veeg doorgestuurd naar zulke groepen.

Een tweede meisje kwam vorige week betraand in de les. Ik nam haar even apart; ze vertelde dat ze ruzie had gemaakt met haar vriend. En ze had het deze keer behoorlijk verknald. Ik meende in mijn naïviteit natuurlijk dat ze buiten op het plein een fikse ruzie had gehad, maar nee, de woordenwisseling had online plaatsgevonden. Ze was duidelijk geëmoticoneerd – emotioneel door emoticons. Ik zei nog, maar ja, meid, pas toch op, je kan je ook niet genuanceerd uitdrukken op WhatsApp. Ik dacht, ga toch lekker bij elkaar zitten. Luister. Kijk. Voel. Ruik. Proef.

Het blijkt dat vooral meisjes veel tijd besteden aan social media. Games zijn het terrein van jongens. Jongens willen asociale actie, meisjes sociale interactie.

De nieuwe zedenzaak kan niemand ontgaan zijn. De kranten vroegen zich op de voorpagina's af wat de betrokken meisjes bezielde. De Volkskrant kopte: 'Waarom gaat meisje zo'n contact aan?', de NRC next: 'Waarom doet een meisje dit?'. Beide kranten gingen uit van het slachtoffer. Wat de pedofiel bezielt is geen vraag meer.

Maar inderdaad, waarom doen meisjes het dan? Volgens de Volkskrant is het hun fantasie die met ze aan de haal gaat. In plaats van met de onbereikbare Justin Bieber of gymleraar (of geschiedenisleraar natuurlijk) leggen ze het aan met de bereikbare onbekende 'groomer', waarvan ze denken dat het een aardige knul is. NRC next laat zien dat het delen van pikante foto's en filmpjes normaler aan het worden is. En dat sommige meisjes kwetsbaarder zijn dan andere. Viezeriken gooien honderden hengels uit en wachten tot een meisje bijt. De schermgeneratie is een gemakkelijke prooi. Het is aan ouders op te letten en het is aan de kinderen gewoon weer kind te worden.

Want meisjes, kijk nou eens om je heen in het klaslokaal of in de discotheek. Zien jullie ze niet staan, de onzekere, lieve, puistige Friese jongens die smachten naar jullie aandacht? Meer dan een zoen hoeven ze niet. En praat er daarna over met je vriendinnen, tussen stapels kussens, met een warme kop thee en zelfgebakken koekjes. Luister. Voel. Kijk. Ruik. Proef.

(gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op 17-10-2013)




vrijdag 22 november 2013

Glasnost / Geschiedenis van alledaagse dingen / Van Maan Tot LED


Klik hier voor een opname van mijn derde bijdrage aan het radioprogramma Glasnost. Of kijk hier en ontdek wat het geweldige programma nog meer te bieden heeft. 

Klik op akkoord om verder te gaan

Akkoord, er is een onderwijsovereenkomst. Een akkoord in muzikale termen gaat uit van minstens drie tonen. Die zijn er weliswaar, maar de grondtoon mist: de AOB, de belangrijkste vakbond, heeft niet ondertekend. Ach, zeggen de ondertekenaars, de vakverenigingen die wel tekenden zijn samen groter dan de AOB, en ze zongen in koor: wij zijn lekker met mee-eer!

Dat ondertekenen gebeurde op een zogenaamd smartboard, de vervanger van krijtborden en whiteboards, dat stukje vernuft dat inmiddels op de meeste scholen hangt. De ondertekenaars kregen zeer duidelijk de instructie de pen niet van het bord te halen tijdens het tekenen – van de onderwijspraktijk hebben ze immers weinig kaas gegeten.

Eerst zette de minister een handtekening. ‘Mooooi…’, aldus de aanwezigen. De paraaf van de staatssecretaris werd daarna ontvangen met een goedkeurende ‘Nice!’. Jan van Zijl van de MBO-raad had niet goed opgelet. Hij haalde de pen tijdens het tekenen van het bord. Hij verdedigde zich. Het was ook een moeizaam proces geweest.

Dat moeizame proces heeft geleid tot een akkoord waar docenten niet over mee mochten praten en dat dus nauwelijks draagvlak kent. In het voortgezet onderwijs is 61% van de docenten negatief over het akkoord. Top-down-management vindt op alle niveaus plaats.

In het akkoord springen vooral niet-concrete afspraken en halve waarheden in het oog. Er wordt blijkbaar een blik nieuwe leraren opengetrokken, maar waar moet dat blik met 3000 mensen vandaan komen en waar moeten ze dan naartoe? Gaat het hier om het huidige lerarenoverschot of over het komende lerarentekort? Of moeten die 3000 behouden worden, zoals ik ook lees. En hoe dan? En wie dan? En waar dan? In het primair of het voortgezet onderwijs? Zeg het! Ik wil duidelijkheid! Bovendien, die paar duizend, dat is een druppel op een gloeiende plaat.

De BAPO wordt afgeschaft, maar een overgangsregeling is er nog niet. En de diepbevroren nullijn blijft in 2014 eerst nog staan; er wordt weliswaar 34 miljoen beloofd om dit te verzachten, maar dat is een loonsverhoging van een bleek patatje oorlog en een frikadel speciaal per maand. 

Belangrijk onderdeel van het akkoord is de werkdruk. Hoewel, men is vooral voornemens de werkdruk te onderzoeken. Ik dacht dat het inmiddels wel zo klaar als een klontje was. Vergissing mijnerzijds. Het moet eerst onderzocht worden.

Mij is het wel duidelijk. Als ik de roosters van mijn collega’s bekijk, vallen mij vooral de vrije dagen op. Een flink aantal heeft zelfs twee vrije dagen in de week! Een buitenstaander zou denken: wat nou werkdruk? Allemaal parttimers met heel veel vakantie!

Ik werk 0,8 fte. Dinsdags ben ik vrij, maar ik vind het gewoon dat ik op dinsdagmiddag werk. Het duizelt me als ik ’s middags thuiskom, omdat ik zo’n 150 pubers heb gezien. ’s Avonds bereid ik na de aardappelen mijn lessen voor. Ik ben wat chagrijnig als ik zondagmiddag weer nakijk en vooruitwerk. Ik doe aan onderwijs in mijn vrije tijd. Ik werk 80 procent, maar feitelijk fulltime.

De werkdruk zit volgens mij niet zozeer in vergaderingen en papierwerk, zoals het akkoord suggereert. Tijdens vergaderingen kan ik eindelijk wat indutten en wat administratie betreft: we hoeven ons als docenten in het voorgezet onderwijs nauwelijks te verantwoorden. Dat doen onze directies voor ons. Dat zij daardoor niet aan onderwijs toekomen, is trouwens wél een probleem.

De werkdruk zit vooral in de vele lesuren voor grote klassen, in het voorbereiden in je vrije tijd, in onbezoldigde taken, in liefdewerk oud papier. Er is gewoon te weinig geld om tijd te maken. Wil je een eerste stap zetten op ‘de route naar geweldig onderwijs’, zoals het akkoord is gedoopt, investeer dan vooral in kleine groepen en stel wettelijk vast dat een voltijdbaan maximaal 20 lesuren omvat.

(gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op 03-10-2013)

De kogel door de moskee

De kogel is door de moskee. Staatssecretaris van Onderwijs Sander Dekker heeft besloten de subsidiëring van het Ibn Ghaldoun in Rotterdam te stoppen. Lekker op tijd kun je zeggen, had je dat niet voor aanvang van het nieuwe schooljaar kunnen laten weten, meneer de staatssecretaris? Op 9 augustus werd het doorslaggevende inspectierapport al vastgesteld. Moest het definitieve besluit nou zo nodig ‘over de zomer heen getild’ worden? Maar goed, zomerreces is zomerreces en die 700 leerlingen konden wel even wachten. Nu staan ze in de eerste weken van het nieuwe schooljaar op straat en moeten ze uitkijken naar een nieuwe school. Meteen weer een achterstand.

In het grote plaatje kwam het besluit sowieso te laat. Uit het vorige week verschenen inspectierapport blijkt opnieuw dat het Ibn Ghaldoun rammelt en altijd gerammeld heeft, nieuwe, welwillende bestuurders ten spijt.

Dat is jammer, want met het besluit valt het doek voor het islamitisch voortgezet onderwijs in Nederland. Basisscholen op islamitische grondslag zijn er nog wel, maar vanaf 1 november is er geen enkele islamitische middelbare school meer in Nederland. Exit Mohammed.

Moslims hebben vanzelfsprekend het recht op eigen scholen, natúúrlijk zou ik willen zeggen, maar hoe je het ook wendt of keert, ze hebben de schijn tegen. Dat heeft verder niets te maken met de publieke opinie of beeldvorming, nee, afgelopen jaren bleek uit verschillende onderzoeken dat niet alleen op het Ibn Ghaldoun, maar ook op diverse andere scholen van islamitische signatuur op grote schaal gesjoemeld werd met geld. Familieleden en imams stonden op de loonlijst, medewerkers werden te hoog ingeschaald en er werden niet-educatieve pelgrimstochten naar de mohammedaanse bakermat geboekt. In 2008 schreef de onderwijsinspectie dat op maar liefst 86% van de islamitische scholen in Nederland gefraudeerd werd. Bijna de helft van de scholen stond te boek als ‘zwak’ of ‘zeer zwak’.

Uit het vorige week gepubliceerde onderzoek van de inspectie blijkt dat, ondanks het strenge toezicht, van verbetering nauwelijks sprake is. Er is een schuld van maar liefst 4,5 miljoen euro ontstaan, meer dan de helft van de docenten is onbevoegd, docenten spreken niet goed Nederlands, het gebouw en de materiële voorzieningen zijn kwalitatief onder de maat en de examenresultaten vertonen een neerwaartse lijn. De diefstal en verspreiding van eindexamens is in dit beeld niet eens meer verrassend te noemen, maar had wel voorkomen moeten worden door eerder ingrijpen.

In het rapport lees ik dat interim-managers kwamen en gingen. Maar liefst een half miljoen euro werd besteed aan deze falende puinruimers. Dat meer dan de helft van de docenten onbevoegd is, verbaast me overigens niet: in een stad als Rotterdam is het immers sowieso moeilijk goede docenten te vinden, laat staan docenten die passen bij de islamitische identiteit. Wat betreft de talen waren in de havo- en vwo-bovenbouw alleen de docenten Arabisch eerstegraads bevoegd.

Betrokkenen zijn verbolgen over deze uiterste consequentie. Natuurlijk zijn ze dat. Het Ibn Ghaldoun is de laatste school voor islamitisch voortgezet onderwijs in Nederland. Om te blijven bestaan werd bij de toelating en doorstroming niet zelden een oogje toegeknepen; cijfers werden kunstmatig omhoog bijgesteld. Maar dat houdt natuurlijk eens op.

Bedroevend is het dat de examenfraude blijkbaar nodig was om alle misstanden aan het licht te brengen. Hoe zit dat op andere, niet-islamitische scholen die onder streng toezicht staan? Moet de inspectie daar de boel niet eens goed doorlichten?

De sluiting is terecht en een doorstart heeft volgens mij geen kans van slagen. Ik hoop niettemin dat er een toekomst is voor islamitische middelbare scholen. Maar dan met bevoegde docenten, met mooie resultaten, met een goed gebouw en met bescheiden schoolreisjes naar het Rijksmuseum.


(gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op 19-09-2013)

Passend Onderwijs

“Ik denk soms heel lang na over grote verbanden”, zei de leerling. “Ik weet niet of meer leerlingen dat doen. Weet u dat?” Ik antwoordde hem dat volgens mij de meeste van de andere leerlingen snel afgeleid werden door hun klasgenoten, hun telefoon en computer, of dat ze zich verloren in oppervlakkige balorigheid. Bovendien, ze voelden daartoe ook niet die sterke drang die hij voelde. Ik zei hem dat hij hierin toch best bijzonder was.

Hij wijkt af van de rest van de klas omdat hij PDD-NOS heeft. Andere leerlingen wijken af, omdat ze rood haar hebben. Of omdat ze heel goed zijn in voetbal. Of geboren zijn in een ver land. Of gescheiden ouders hebben. Maar PDD-NOS is een afwijking die opgenomen staat in de DSM, de Diagnostic and Statistic Manual of Mental Disorders, dat dikke Amerikaanse boek waarin ook ‘afwijkingen’ als het Syndroom van Asperger en ADHD zijn opgenomen en dat dit jaar zijn vijfde update beleefde. In het speciaal onderwijs is mijn leerling een zogenaamde cluster-4-leerling: in dit geval iemand met een autismespectrumstoornis.

Wat afwijkingen betreft geldt overigens altijd: als de meerderheid het heeft, is het geen afwijking of ‘stoornis’, en dus krijgt het geen stempel. Waarom worden mensen die zich met een torenhoge hypotheek in de schulden steken niet voor gek verklaard?

Het aantal zorgleerlingen in onze bovenbouw is nu nog op de vingers van één hand te tellen, maar per 1 augustus 2014 zal dat veranderen. Vanaf dan zullen reguliere scholen binnen een samenwerkingsverband met andere scholen ‘bijzondere’ leerlingen een passende onderwijsplek moeten geven. Het zogenaamde ‘rugzakje’, een leerlinggebonden som geld, komt te vervallen. De samenwerkende koepel krijgt een budget dat ze naar eigen inzicht verstandig moeten besteden.

Hipste rugzak op school anno 2013 is van het Engelse merk Eastpak. Soms hebben leerlingen de bovenste twee dwarsstreepjes van de E donkergekleurd, zodat er ‘Lastpak’ staat: dat is vast dat rugzakje van die zorgleerlingen, vermoed ik.

Rugzakje van zorgleerling

Vanaf volgend jaar wordt veel van ons docenten verwacht: wij spelen binnen deze verandering een centrale rol, omdat wij de kinderen dagelijks begeleiden.

Daarop moeten we worden voorbereid, want inderdaad, ik heb het nog niet helemaal onder de knie. Toen ik na het gesprek afscheid nam van de leerling zei ik met ironische ondertoon: ‘Ik moet nu echt weg, ik heb een vergadering en dat vind ik toch zo ontzéttend leuk, vergaderen!’. ‘Oh ja?’, was zijn antwoord in alle ernst, ‘u vindt vergaderen leuk?’

Mijn school neemt de toekomstige ontwikkelingen van het Passend Onderwijs heel serieus. Daarom werden alle docenten al in de eerste schoolweek bijeengeroepen voor een presentatie over zorgleerlingen in het algemeen, maar die op onze school in het bijzonder. Ik keek om me heen: ik wist zeker dat als mijn collega’s in de huidige tijd groot waren geworden, er een aantal van een stempel zou zijn voorzien. Niet iedereen kon de aandacht er bij houden.

We kregen karakterschetsen van de leerlingen die veel overeenkomsten vertoonden, maar ook individuele verschillen. Ons werden eenvoudige handreikingen gegeven hoe we zouden kunnen reageren in bepaalde situaties. Docenten moeten bijvoorbeeld altijd duidelijk en eenduidig zijn in instructies, moeten emotioneel neutraal in hun benadering zijn en moeten heldere afspraken maken. Dat was gelukkig een duidelijke instructie.

Maar wat vooral bleek, is dat de ene zorgleerling de andere niet is en dat we vooral hun kwaliteiten aan moeten spreken.

De bijzondere leerling liet me zijn hobby’s raden aan de hand van twee data uit de vaderlandse geschiedenis: “10 juli 1584 en 20 september 1839”. De moord op Willem van Oranje herkende ik gelijk, de aanleg van de eerste Nederlandse spoorlijn iets later. Zijn hobby’s? Binnenlandse politiek en treinen. Geweldig.  

(gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op 05-09-2013)