-->
woensdag 26 mei 2010
Observaties van een surveillant
-->
dinsdag 11 mei 2010
Collega van L.O.
Het was leuk opgezet en ik ben blij dat ik de tweestrijd won, maar had ik de grimmigheid van het duel voorzien, ik had er vermoedelijk voor bedankt.
Mijn collega N. is van de sectie lichamelijke opvoeding – hij is sportief, competitief, zelfverzekerd en kent geen ander doel dan de overwinning.
En bij verlies is er het excuus.
Toen ik de trofee had ontvangen en even later met collega N. alleen was, vertelde hij me lachend dat hij de jury had geïnstrueerd mij op het tweede onderdeel te laten winnen. Heus, dat zei hij. Dat hij me ronde twee had láten winnen.
Enfin.
Eindexamenleerlingen hadden collega N. en mij uitgedaagd voor een tweegevecht dat gefilmd werd en op de laatste schooldag in een overvolle aula getoond zou worden.
Zo zagen de leerlingen ons in de supermarkt, als bezetenen. In twee minuten voor zeven personen eten kopen voor niet meer dan een tientje. Ik verloor omdat ik 32 eurocent teveel aan artikelen in het wagentje had. De aula hoorde collega N. gnuiven: ’32 cent Posthumus! Net teveel! Jammerrr!’.
Wat de leerlingen in de aula niet zagen was dat een halfuur voordien wij elk in de auto met enkele leerlingen richting supermarkt waren gereden. Ik had nog maar net een week mijn eerste auto. Collega N. reed in zijn snelle Volkswagen achter mij, op bepaalde momenten wild claxonnerend en flitsend met zijn groot licht. In mijn spiegels zag ik de grote grijns in de auto achter mij. Mijn rug prikte van het zweet, vooral toen ik tot groot genoegen van collega N. de parkeergarage miste. Na de supermarkt stond het 1 – 0 in mijn nadeel.
Op weg naar mijn woning – waar de tweede ronde zou plaatshebben – wederom getoeter en verblindend licht. Het scheen me toe dat de strijd was losgebarsten als een onweer dat nog wel even aan zou houden.
Ronde twee was een kookwedstrijd, wederom gejureerd door de filmende leerlingen. Er moest een pasta geserveerd worden, bereid met de in de supermarkt aangeschafte producten. Collega N. verstopte mijn teentjes knoflook, maar faalde in timing en accuratesse. De aula zag hoe ik in mijn bloemetjesschort uiteindelijk de tweede ronde binnensleepte. Het stond 1 – 1. Dat collega N. achteraf zei dat hij mij de ronde cadeau had gedaan vond ik een onbetamelijke belediging. Mijn pasta overtrof de zijne qua smaak én presentatie.
De filmbeelden toonden overigens niet dat ondertussen in de woonkamer mijn spelcomputer was aangezet. Terwijl de pasta op het vuur stond, waagden collega N. en ik ons aan een partijtje bowlen. Leuk, zou je zeggen, maar dat collega N. mij af en toe aanduwde als ik aanlegde voor een strike, ervoer ik als kinderachtig en onnodig.
Ronde drie was beslissend. Het aanvankelijke plan van de leerlingen ons zoveel mogelijk telefoonnummers van vrouwen te laten verzamelen werd eensgezind verworpen. Collega N. vond verliezen een te groot risico en ik bedacht me tijdig dat het een beschamend schouwspel zou zijn geworden.
Het kwam daarom op een wat flauwe schattingsvraag aan. Ik won, omdat ik vrij nauwkeurig de leeftijd van de mensen in de kroeg wist te raden. Ik kreeg een bierglas met fietsbel en was vooral opgelucht dat het afgelopen was.
Collega N. bracht de nacht door op mijn logeerbed, maar was ’s ochtends al vroeg vertrokken. Bij de vertoning van de filmbeelden in de aula tijdens de laatste schooldag heb ik hem niet gezien.
woensdag 28 april 2010
Proost! Op de tieners
Kortgeleden is in kaart gebracht dat in Nederland zo’n vijftienhonderd zogenaamde drinkketen staan, voor een groot deel in de provincies Friesland en Overijssel. Een andere recente publicatie laat lezen dat het aantal jongeren dat opgenomen wordt met een alcoholvergiftiging het afgelopen jaar is toegenomen tot meer dan vijfhonderd per jaar.
De reactie is altijd dezelfde. Onze jongeren! Met hun tere hersenen! Zie hoe ze op YouTube emmers bier wegdrinken alsof het water betreft na een week in de woestijn. Er moet iets gebeuren! De reacties zijn overtrokken. Het is waar, de fontanel heeft zich nog maar pas gesloten, maar het probleem moet niet groter gemaakt worden dan het is. Ik hef daarom het glas op relativering.
In de media komt een verwrongen beeld van de tiener naar voren. Ze worden bij de haren gepakt en gezamenlijk neergezet als alcoholverslaafden. Met terugkerende termen als zuipkeet en comazuipen wordt het plaatje nog somberder. Alsof tieners zich in het weekend en masse terugtrekken in dat hok in de weilandhoek om zichzelf bewust tot een coma te drinken.
Dat is een bezopen generalisatie. Veel van mijn leerlingen van vijftien of zestien hebben nog nooit een druppel alcohol geproefd. Anderen zeggen wel eens aangeschoten of dronken te zijn geweest, maar uit alles blijkt dat het doorgaans allemaal nog erg onschuldig is. Ik maak me niet ongerust over de tieners. Ze zijn precies als hun voorgangers, ze zoeken af en toe de grens op, maar kennen hun verantwoordelijkheid.
Tuurlijk. In de weekenden gaan ze naar hun keet, of naar donkere hangplekken met een plastic tas vol blikbier of mierzoete kleurdrankjes. Er wordt wat wiet gerookt en soms fietst er een de sloot in. Maar zo hoort dat als je jong bent. Er zijn in Nederland twee miljoen tieners die experimenteren. Dat moet je ze gunnen, maar vertel ze wel dat buitensporigheid nooit gewoon mag worden. Waarschuw ze en licht ze goed in.
De VNG wil nu de leeftijdsgrens voor het kopen van drank verhogen van zestien naar achttien jaar. Een zot plan. Met softdrugs werkt dat ook niet. Probeer eerst eens een strengere handhaving van de huidige leeftijdsgrens. Bestraf supermarkten die de regels overtreden. Een leeftijdsverhoging zal de excessen niet voorkomen. Sterker nog: het aantal uitspattingen zou waarschijnlijk toenemen omdat de controle afneemt.
Boven alles: breng het woord comazuipen niet in verband met de jeugd. Een coma is nooit het doel. Beschuldig mijn leerlingen er niet van dat ze zich bewust bewusteloos drinken. Zijn het niet vooral volwassenen die in staat zijn zich bewust de zorgen uit de kop te spoelen met alcohol? Het is misschien juist die begerenswaardige zorgeloosheid van de jeugd die de overspannen reacties heeft gewekt. De mens is van zichzelf een jaloers wezen, vooral als het jeugdigheid betreft.
Dus wat zou het. Proost! Gun de jeugd de jeugd, maar schilder ze niet af als een stel bezopen idioten. Geef toe, het liefst zouden we er allemaal onbekommerd er op los leven. Helaas leveren we met het passeren van de jaren steeds meer van onze jeugdige vrijheid in. Dus als er al een levensfase is waarin je de sloot in fietst door een biertje teveel, laat het dan de tienerjaren zijn. Ik vind het beeld van een beschonken volwassen man bedekt met eendenkroos tamelijk sneu, maar een jonge knul het water in zien slalommen, daar lach ik hartelijk om.
woensdag 14 april 2010
Meisjes zijn beter
Meisjes. Je moet er van houden. Maar als je er van houdt zijn ze geweldig. Je hebt meisjes in alle maten en soorten. Ze zijn dun, dik, luid, stil, links, rechts, dromerig, scherp, stoer, bescheiden, donker, blond, emo, alto of hip, maar als het er op aan komt zijn ze zonder uitzondering serieus. Ze heten Selena, Thirza, Elise, Janna en Laura. En ze zijn mooi. Meestal zijn meisjes op de eerste plaats mooi. En als het lente is, zijn de meisjes nog mooier.
Het zit ze mee. De meisjes hebben de wind flink in de zeilen. Ze blinken uit en laten de jongens achter zich. De oorzaak is zonneklaar: het onderwijs is als een rode loper voor de vrouw geworden.
Op crèches, naschoolse opvang en kleuterscholen is de man een nagenoeg uitgestorven soort. In het basisonderwijs is het plaatje niet anders: vier op de vijf leerkrachten daar is vrouw. Voorlopig zal deze samenstelling ook niet veranderen, want de pabo blijft slecht in trek bij mannen.
Dat lijkt nadelig voor jonge jongens, want die hebben volwassen ballen nodig om zich aan op te trekken. Jongens moeten op jacht, ze moeten rennen, onderzoeken en schreeuwen. Anders schieten ze in de stress. Meesters laten de jongensapen daarom lekker uitbrullen op het plein, maar juffen roepen de druktemakers eerder tot de orde.
Ondertussen kleuren de meisjes fijn tussen de lijntjes. Geconcentreerd en met de tong in de mondhoek. Ze wachten hun successen rustig af. En ze observeren. Jongens hollen, gooien en trappen, terwijl meisjes de kunst afkijken van volwassenen. Daarom leren ze sneller.
Net chimpansees.
Ook biologisch zijn jongens telkens net enkele stappen later. Jongens hebben nog nauwelijks een haar in de okselholte, als meisjes al hun eerste bh uitzoeken bij de h&m.
In groep 8 zijn de prestaties van jongens en meisjes niettemin vergelijkbaar, maar eenmaal op een middelbare school lopen jongens sneller tegen een muur op. Dat komt enerzijds omdat hun taalontwikkeling achterligt. Anderzijds vindt dat zijn oorsprong in het ‘taliger’ worden van het onderwijs.
Sinds de Tweede Fase is de nadruk komen te liggen op zelfstandigheid, plannen, werken in groepjes, het schrijven van verslagen en presenteren, kortom, op verbaal-linguïstische vaardigheden waar meisjes beter raad mee weten. Bovendien zijn ook exacte vakken als wiskunde en natuurkunde veel taliger geworden. De focus op abstract-ruimtelijk is verlegd naar een meer linguïstische bedrevenheid. De meisjes glunderen. Redactiesommen! Een ramp voor jongens en zeker voor hen die thuis geen Nederlands spreken.
Deze schoolse manier van werken wordt bovendien steeds meer gekopieerd in het hoger onderwijs en op de arbeidsmarkt. Op hbo’s en universiteiten zijn pop-verslagen en tussenevaluaties gewone elementen in het curriculum geworden. Jongens verliezen van de weeromstuit alle motivatie; meisjes plannen, schrijven en babbelen zich er doorheen.
Aangezien meisjes beter scoren op het Centraal Examen, worden zij buitendien in grotere getale toegelaten tot studies met een gewogen loting, zoals geneeskunde. Tel hier het pabo-probleem bij op en constateer dat de twee grote probleemposten van de overheid, onderwijs en zorg, de komende halve eeuw door vrouwen gedomineerd zullen worden.
Maar voorlopig kraaien in de top nog steeds de mannen. Boven op de heuvel zijn ze nog in hun element, omdat ze daar nog mogen hollen, trappen en spelen. Omdat ze mogen schreeuwen en brullen als apen. Maar let op! Op een dag schrijven ze hun eerste pop- of zelfreflectieverslag, letten ze even niet op en zwaait een vrouw de scepter. Dat is een kwestie van tijd.
dinsdag 30 maart 2010
Wachten op de tjiftjaf
Als de leerlingen het lokaal binnenkomen hoor ik van buiten de het zachte koeren van een houtduif. Ik maan de groep tot stilte, houd een opgestoken vinger naast mijn oor en wijs ze op het geluid. Kennen jullie dit geluid? Dat is de houtduif! Ja, roept een meisje enthousiast, dit hoor ik altijd op de camping! Ik doe het raam nog verder open en probeer te communiceren met de duif door op mijn bijeengehouden handen te blazen. Even later doet de hele klas met gebolde handen een houtduif na: roe-koeeee-koeee-koe-koe. Dan zie ik plots twee eksters op het schooldak. Kijk! De Pica pica! Iedereen kijkt. Het klassikale koeren verstomt.
Een beetje docent houdt er een merkwaardige hobby op na: een eigenaardige buitenactiviteit (hij van natuurkunde vangt nachtvlinders), een stiekeme verzameldrift (hij van klassieke talen verzamelt modeltreintjes en spendeert soms een weekloon aan één locomotiefje) of kennis van buitengewone zaken (zij van Frans weet alles van Italiaanse wijnen). Leerlingen zien er een sport in deze zwakke plek te ontdekken en er af en toe naar te vragen. Toe meneer, vertel nog eens over uw modeltreintjes. De docent houdt de boot eerst af, want zo hoort dat, maar geeft graag toe. De kinderen zakken onderuit, luisteren en stellen vragen om maar niet aan Latijn te hoeven beginnen. Als de bel gaat is het bord veranderd in een plattegrond van het spoorwegennet op de zolderkamer van meneer Reinders die rode konen heeft van enthousiasme.
Zelf had ik een docent wiskunde die verzot was op orgels. Ik was verzot op zijn dochter én op zijn bordtekeningen van kerkorgels waar hij soms een halve les mee bezig was. Mijn docent Nederlands was vooral bioloog. Hij kon met geweldig enthousiasme vertellen over zeldzame mossoorten in de omgeving van Buitenpost. Mijn gelukkigste momenten op school waren die, waarop de boeken in de tas bleven en de docent zijn stokpaard van stal haalde. Zeg kinderen, heb ik jullie wel eens verteld dat ik in mijn vrije tijd de vrije natuur in ga om paddestoelen te fotograferen? Nee, meneer! Grinnik. Vertel! Een docent zonder merkwaardige hobby is invalide.
Mijn extra-curriculaire specialisatie is de vogelliefhebberij. Niet dat ik erg veel van vogels weet, maar ik doe graag alsof. Mijn kennis van vogels rond het huis is weliswaar indrukwekkend, maar kom alstublieft niet met steltlopers aanzetten.
Nu een jonge lente binnenwaait overweeg ik zelfs hagenpreken te organiseren, lessen in de buitenlucht, om tussen de instructies door te kunnen wijzen op het geluid van het winterkoninkje, de merel, het roodborstje en de verschillende mezen.
Maar het wachten is op de tjiftjaf. Hier en daar al gehoord in den lande, maar nog niet in de boomtoppen naast mijn lokaal. Als het zover is stop ik de geschiedenisles, zet ik het raam wagenwijd open en ga ik luisteren met de gelukkige leerlingen die ik op dat moment doceer. Samen horen we dan dat de lente is begonnen.
dinsdag 16 maart 2010
Avatar
Bij de Oscaruitreikingen vorige week legde de gelauwerde animatiefilm ‘Avatar’ het af tegen de veel goedkopere, maar realistische Irak-film ‘The Hurt Locker’. Daar keek ik van op. ‘Avatar’ symboliseert als geen andere film de huidige tijdsgeest. Niet alleen verwijzen titel en verhaal naar de zelfgekozen identiteit van mensen in online gaming, op internetfora of binnen andersoortige sociale netwerken, de film is tegelijk een spetterende uiting van wat momenteel technologisch mogelijk is.
Dat de film niet de grote winnaar werd stelde me nochtans gerust. Ik ben geneigd de keuze voor de ‘The Hurt Locker’ te zien als een voorkeur voor mensen van vlees en bloed boven de doorgeschoten ‘second life’ die op internet bestaat. Ik deel die voorkeur. Mijn leerlingen bezitten allemaal een online identiteit die dagelijks onderhouden wordt, maar met de creatie van hun alter ego raakte hun aardse profiel alras in de vergetelheid.
Nu sinds enkele decennia naast de echte wereld een tweede, virtuele wereld is opgetrokken meten steeds meer jonge mensen zich een online identiteit aan: een zogenaamde avatar. Het is een incarnatie die je zelf in elkaar mag knutselen. Soms blijft die beperkt tot een fantasienaam of een plaatje, maar soms gaat het verder en verschijnt iemand als een gespierde magiër in een driedimensionale wereld. Je avatar is zoals andere mensen je online zien, maar meer nog is het een identiteit die je jezelf toewenst.
Op internet ben je een echte wereldburger. Het aantal samenlevingen waaraan je kunt deelnemen op het wereldwijde web neemt alsmaar toe. Hyves, MySpace, Facebook, LinkedIn: het is het bekende rijtje sociale netwerksites. Nieuwste telg is Twitter: elk volgt elk elke minuut van de dag. In 140 tekens per keer.
Gesprekken worden getypt, niet gevoerd. Muziek wordt gedownload, maar niet echt geluisterd. Waar zijn de grijsgedraaide cd-collecties (of liever: lp-collecties!) gebleven op jongenskamers die trots aan een nieuw vriendinnetje werden getoond? Hoe kun je überhaupt tien gigabyte aan muziek grijsdraaien?
Tegenwoordig zoenen een jongen en een meisje terwijl ze elk één oordopje van hun iPod in hebben, waarop verschillende nummers draaien die eigenlijk alleen maar irritant klinken, omdat ze slechts in één oor binnenkomen. En als ze praten, moeten ze schreeuwen, omdat ze elkaar niet verstaan. Ze werd trouwens verliefd op het grote aantal hyvesvrienden dat hij had.
En ze kunnen elkaar niet hun boekenplanken tonen, die zoveel zeggen over wie ze zijn en wat ze interessant vinden. Ze lezen hapsnapinternetlectuur of downloaden een boek op hun e-reader. En het ontbreekt ze aan dikke fotoalbums om door te bladeren. Jij als baby op het strand en de foto vergeeld. De foto is onvindbaar op de harde schijven. Hij laat een foto zien van hem in de discotheek, de avond ervoor, op zijn mobiel. ‘Oh gaaf’, mompelt het meisje. ‘Die staat ook op je Hyves.’
Een wandeling? Samen op de bank? Nee, liever zitten ze achter de computer, omdat ze zichzelf daar uitbundiger presenteren. Daar zijn hun honderden vrienden die allemaal op elkaar lijken. De meisjes met schalkse blik, de jongens poserend in stoere houding. Iedereen doet aan imagomanagement, maar alleen online. In het klaslokaal zijn het gewoon kleine kinderen. Maar hun identiteit staat online. Toegankelijk via mobiel, laptop of pc.
Ik vond Avatar een spectaculaire film, maar de blauwe wezens werkten op mijn zenuwen. Ze waren met teveel en ze leken op elkaar. Ik was de enige die geen traan wegpinkte van achter het 3d-brilletje, toen de bulldozers kwamen om een einde te maken aan die samenleving van groot uitgevallen Pocahontassmurfen.
dinsdag 2 maart 2010
Open dag
Ik had nooit de indruk dat de pubers die ik geschiedenis doceer zich in tussenuren in alle rust toeleggen op een partijtje schaken of dammen. Daarin had ik mij blijkbaar ernstig vergist. In mijn rondgang door het schoolgebouw tref ik op een lage tafel in de gang een dambord. Speelklaar. Ik knik goedkeurend, maar plots dringt het door. Natuurlijk! Het is open dag! Het speelbord is net te nonchalant neergelegd - ik heb te maken met een decorstuk.
Als de Cito-toetsen op de basisscholen achter de rug zijn, begint het wenken van de middelbare scholen. Vaak hebben ouders al wel een school in gedachten voor hun kind, maar een gebouw van binnen bekijken kan nooit geen kwaad, niet waar? Het is als het kopen van een nieuw bed. Je moet er een leuk uitje van maken. In de Ikea liggen ook tijdschriften op nachtkastjes die nooit gelezen worden. Dus ouders pakken de agenda erbij en noteren bij enkele namiddagen: open dag.
Wat zoeken ouders op een havo-vwo? Meestal veiligheid, orde en een schools klimaat, dat wil zeggen: een plek waar iets geleerd wordt. Vandaar het dambord in de gang. En daarom ging net nog een schoonmaakploeg met gezwinde spoed door het gebouw. Midden op de dag! Op het plein staan zelfs mooie houten vuilnisbakken die ik nog nooit eerder heb gezien. Alles op de prikborden hangt recht en de schoolborden zijn strak schoongeveegd. De stoelen staan keurig onder de tafels. Gekamde haren. Gerechte schouders. Teveel parfum. Een meisje speelt voorbeeldige pianomuziek ergens in de gang. Zomaar.
Maar ook de kinderen, de mogelijke nieuwe aanwas, moeten over de streep getrokken worden. Daarom staat in de aula plotseling een band geïnspireerd rockmuziek te spelen. En daarom ontploft er iets bij scheikunde. En de rook! En de stoom! En je haren gaan overeind staan als je je hand op de bol legt! De indruk wordt gewekt dat elk vak een kermisattractie is. Zelfs klassieke talen heeft een spelletje te doen. Kinderen zoeken zo ongeveer het tegenovergestelde van wat hun ouders zoeken: actie, vertier en gezelligheid.
Nou ja. Een poster van een raket kan misschien al overtuigend werken. Of een opgezette marter in het biologielokaal. Ik wil naar die school, want daar hebben ze zo’n beest mama.
De intercom! Het begint.
Attentie, attentie. De eerste gasten zijn gearriveerd. Wil iedereen naar zijn plek gaan. Herhaling. Wil iedereen naar zijn plek gaan! Ik kijk naar buiten. Inderdaad, daar draait een auto het verder lege parkeerplein op. Ik heb mijn turqoise Corsa moeten parkeren bij een hotel in de buurt. Elk afschrikwekkend object uit het zicht, is de gedachte.
De docenten installeren zich langs de route van het hoge bezoek. De collega’s van de natuurwetenschappen trekken hun witte jassen aan en zetten hun brillen op. Ik drentel rond in de geschiedenishoek. Ik heb een stapel boeken, iets spannends over mummies en een vikingschip klaargezet. Je moet toch wat.
Als de open dag weer achter de rug is wordt de piano terug naar het muzieklokaal gereden en verdwijnen de houten vuilnisbakken van het plein. Poppetje gezien, kastje dicht. Ik ben altijd blij als de voorstelling is afgelopen. De schoolse werkelijkheid is duizendmaal fraaier. Liever de posters scheef en aantekeningenresten op het bord. Liever een beetje vies en wat minder parfum alstublieft. Maar laat het dambord maar staan. Want je weet maar nooit.
dinsdag 16 februari 2010
Opel Corsa
Zo’n jongen is Douwe. Douwe is een klein blond baasje van dertien, misschien net veertien jaar oud, met verstand van auto’s. Hij zit in de tweede klas. Eerder had hij zijn verbazing al geuit over het feit dat ik op mijn leeftijd nog geen rijbewijs had. Sinds de dag dat ik het applaus van de klas ontving voor het behalen van het roze brevet, vroeg Douwe of de aanschaf van een voertuig enigszins vorderde. En waar mijn interesse naar uitging.
Mijn interesse! Ik had geen idee. Zelf was ik als kind geïnteresseerd in planeten en vogels. Iets later in geschiedenis. Pas toen ik bijna dertig was ontspon zich het idee autorijlessen te nemen. Nu ik plotseling mijn rijbewijs had, was ik geheel in het ongewisse wat betreft de aanschaf van een vehikel.
Een aantal jongens uit de zesde meende dat ik maar een Audi moest kopen. Dat reed wel lekker. Ze keken voor me op Marktplaats. Of een Volkswagen, meneer! Ik dacht aan mijn leeftijdsgenoten uit het dorp die op hun achttiende allemaal een Golf GTI aanschaften en daarmee tegen een boom reden. Of het kanaal in. En die zelf sleutelden aan hun auto. Nieuwe uitlaat, spoilers, de hele reutemeteut. Altijd zwarte handen, die jongens. Ik zette liever nieuwe snaren op mijn gitaar.
Collega’s zagen mij wel in een Mercedes rijden. Of in een Saab. Ja, een Saab, dat past wel bij een docent geschiedenis. Welnu, alle raad ten spijt, het is een Opel Corsa geworden. Voor vijfhonderd ballen. Ik ben de koning te rijk.
Hoewel.
In de personeelskamer kan ik maar beter mijn mond houden over mijn turqoise Corsa, want ik ben van de ene op de andere dag gedegradeerd tot onderwerp van scherts. Hoe laat ben je vandaag klaar, Jelte? Vier uur, hoezo? Nou, dan zorg ik ervoor dat ik wat eerder weg ben. Oh zo. Zeg Jelte, ga je ook carpoolen? Misschien wel. Wel een aanrader hoor. Hoezo? Dan heb je wat hulp met aanduwen. Oh zo. Zeg Jelte, je moet niet teveel praten over je Opel Corsa. Hoezo? Over sommige dingen kun je beter niet praten, weet je wel. Oh zo.
De eerste dag dat ik per auto naar mijn werk reed, nam ik voor de zekerheid twee collega’s mee terug naar Groningen. Je weet maar nooit. Straks pech.
Toen ik tweedeklasser Douwe vorige week toefluisterde dat het een Corsa voor 500 euro geworden was, keek hij op. Welk jaar? Vierennegentig. Hoeveel op de teller? Iets meer dan 180.000. Dat is niet veel. Mijn opa heeft ook een Corsa. Via Marktplaats. Trekt wel lekker op, hè? Elektrische ramen? Ja, elektrische ramen. Drie- of vijfdeurs? Vijfdeurs. Nou meneer, dat is een goede deal.
Ik heb me voorgenomen op school alleen nog met Douwe over mijn Corsa te praten. Die heeft namelijk verstand van auto’s.
woensdag 3 februari 2010
Donkere wolk
Als de resultaten van een school ondermaats zijn komt vroeg of laat de schoolinspectie op bezoek. De inspectie is visite die je liever niet te vaak en te lang over de vloer hebt, zoals tantes die spontaan de afwas doen en daarna thee blijven drinken tot het donker wordt. Een inspectiebezoek komt een school nooit gelegen. Sterker nog, schoolbesturen poepen natte derrie in de broek als het zover komt. Bereid de manschappen voor! De inspecteur komt er aan! Snel zelf de afwas doen, de ramen boenen en de vloer vegen, vooraleer de inspectie rode strepen in haar notitieblok trekt. Het lijkt wel een open dag!
Hoe zijn ze te herkennen, vraagt iemand zich af tijdens de koffiepauze. Dragen ze lange regenjassen, zoals Roel zei? Een inspectiebezoek, dat klinkt als iets uit de oorlog. Men roert zwijgend de koffie en kijkt naar het draaikolkje in de plastic beker. Ze halen alle kasten overhoop om te kijken of we de papierwinkel wel goed op orde hebben, zegt iemand. Ze nemen je mee in de auto met geblindeerde ramen voor een gesprek op de achterbank, meent een ander. Reken erop dat ze je lokaal binnenkomen, mompelt een vierde.
De inspectie kijkt vooral naar de resultaten en het onderwijsleerproces. Resultaten kun je eenvoudig aflezen, maar de vraag is welke criteria men hanteert. Waarom wordt voor het voortgezet onderwijs bijvoorbeeld zoveel gewicht gehangen aan het verschil tussen de schoolexamencijfers en de prestaties op het centraal examen? Leerlingen kunnen toch geweldig scoren voor het SE en berekenend het CE ingaan? Bovendien behelst het SE-deel geheel andere vaardigheden en kennis dan het CE-deel. Een verschil is dus goed verklaarbaar. Gewiekste scholen passen de normering van hun schoolexamens zo aan dat het gemiddelde een 6,4 wordt en de inspectie niet gaat blaffen.
Een groot verschil tussen het schoolexamen en het centraal examen is echter wel een reden voor een inspectiebezoek. Als een donkere wolk hangen plotseling de woorden ‘zeer zwak’ boven het gebouw. De wolk verdwijnt als de inspectie de voorgenomen verbeterpunten en het onderwijsleerproces voldoende acht. Dat moeten ze met enkele snelle gesprekken en lesbezoeken gepeild hebben. Docenten waren er op berekend en tonen didactische kunstjes als nooit tevoren, dansend naar de pijpen van meneer de inspecteur. Activerende didactiek, zoals u wenst!
Maar o wee! Als de inspecteur in zijn rondgang toevallig merkt dat een klas vijf minuten voor de bel al bij de deur staat, of dat enkele leerlingen onderuit gezakt in de banken hangen. Of als hij door de twee gaten in zijn krant ziet dat een docent vijftig minuten lang een film draait! Dan barst het onweer los en verkeert de school twee jaar in een depressie, want zolang krijg je om van je predikaat af te komen. En verbeteringen ten spijt, op internet is de school al die tijd ‘zeer zwak’.
De degradatie naar de lijst van zeer zwakke scholen is vaak een emotionele gebeurtenis. De school wordt een bordje om de nek gehangen met daarop het predikaat zeer zwak. Publiekelijk loopt een school te schande met dit nare ‘ezel-bordje’ . Kort na het inspectiebezoek laat de krant tot overmaat van ramp lezen dat de school onder curatele gesteld wordt. En op internet hetzelfde.
De docenten dachten al die tijd dat ze prachtige kinderen afleverden aan de grotemensenwereld. En dat deden ze ook, maar helaas niet volgens de juiste criteria.
dinsdag 19 januari 2010
Hitzum
Het is net middagpauze als de auto van Google Streetview door het terpdorp Hitzum rijdt. De dag is zonnig, maar als de auto de basisschool passeert is net een lichte wolk voor de zon geschoven. Een zachte schaduw ligt over het schoolplein en over de kleine groep kinderen die zich klaarmaakt naar huis te gaan.
Het is een kleine dorpsschool met aan de rechterkant een glijbaan, een klimrek en schommels. Voor de school is een bushalte en aan de andere kant van de straat liggen groene weilanden. Er lopen paarden. Daarachter windmolens, enkele boerderijen, en nog iets verder naar het noorden ligt Franeker.
Een still van Hitzum.
Mij kwam de film Être et avoir in de herinnering, dat ontroerende verhaal van een Franse dorpsschool met slechts dertien kinderen van alle leeftijden die les krijgen van één toegewijde meester. Kon het maar altijd zo klein, fijn en intiem zijn in onderwijsland. Zoals in die mooie film. Zoals in Hitzum.
Maar té klein is gevaarlijk in Nederland. Het rijk eist dat een basisschool minstens 23 leerlingen onder het dak heeft. Komt een school daaronder en toont de glazen bol geen groei, dan stopt de geldstroom. Zo kwam begin december het bericht dat 2010 voor basisschool Underweis in Hitzum het laatste jaar in zijn geschiedenis zal zijn. Het is een landelijke ontwikkeling: kleine scholen zien door vergrijzing en de trek van het platteland hun leerlingenaantallen afnemen. Steeds meer scholen zijn daarom gedwongen de deur te sluiten, omdat ze onder de opheffingsnorm komen.
Momenteel krijgen 22 kinderen les op basisschool Underweis. De vijf leerlingen in groep 8 vertrekken dit jaar, maar er komen volgend schooljaar geen nieuwe kinderen bij. Net zoals in veel dorpen de kruidenier, de bakker, de bank en het postkantoor zijn verdwenen, zo bloeden ook de kleine dorpsscholen dood. Welke ouders sturen hun kind naar een basisschool als in groep 3 maar één ander kind zit? En inderdaad, zeven mensen in dienst, dat is te duur voor die kleine groep leerlingen.
Er zijn wel oplossingen voor de kleine scholen. Een school kan proberen een nevenstichting te worden of trachten te fuseren, maar beide uitwegen gaan gepaard met de nodige mitsen en maren. Hitzum heeft het hoofd nog enkele jaren boven water weten te houden dankzij jonge asielzoekers uit Tzummarum, maar die werden blijkbaar weer teruggestuurd naar wie weet waarheen.
De gemeente en het schoolbestuur hadden trouwens eerder nog goede hoop op groei door de nieuwe woonwijk Franeker Zuid. In oktober 2007 werd in een officiële nota nog de voorspelling gedaan dat Hitzum zou meeprofiteren van de nieuw te bouwen wijk. Maar Franeker Zuid kwam te laat en nu gaat 1 augustus de deur definitief op slot. Volgend jaar toogt de Hitzumer jeugd naar buurdorp Achlum.
Op het plein wordt nog wat gestoeid en gedraald. Een meisje klimt op het hek. Een jongen staat op een lolobal en kijkt de passerende auto na.
Andere kinderen zijn al onderweg naar huis, zoals de twee zusjes op groene crocs die vrolijk huppelend de Hoofdstraat aflopen. De andere kant op, oostwaarts, ter hoogte van het kerkhof, fietst een vader met zijn twee kinderen. De zoon zit op de stang en de dochter achterop. Iedereen draagt een korte broek en T-shirt, want het is warm en in de groene kruinen van de bomen rond de school zingen vogels een zomers lied.
dinsdag 29 december 2009
Tafeltjesavond
Op veel scholen markeert de kerstvakantie het einde van een periode. De mentoren delen de rapporten uit aan de leerlingen die het papier soms achteloos in de rugtas stoppen en het uiteindelijk verfrommeld boven de dampende hutspot aan de ouders tonen. Oh ja, en dit briefje heb ik ook nog meegekregen: de uitnodiging voor het docentenspreekuur. Of jullie ook met iemand willen praten. Vader neemt een hap van de rookworst, bekijkt de cijfers en de uitnodiging. Een onvoldoende op wiskunde? Die man wil ik spreken. En hoe heet je mentor ook al weer? Schrijf maar op. Klaar. Belangrijker is de warme prak.
Docenten moeten altijd even slikken als de zogenaamde tafeltjesavond bij het openslaan van een nieuwe week plots in de agenda staat. In het postvak vindt de docent een bundel strookjes, keurig langs de stippellijn afgeknipt, bijeengehouden door een paperclip: de ouderlijke reactie. Er zijn docenten die van zeven tot half elf op school worden verwacht. Teveel onvoldoendes uitgedeeld.
In het schoolgebouw hangt op tafeltjesavond een typische sfeer. Binnen blijken collega's extra opgemaakt en in hun beste pak gestoken. Schone schijn voorop. De sectie L.O. is bijna onherkenbaar zonder trainingspak. Door de geur van parfum en koffie, gecombineerd met het tijdstip, zo net na het avondeten, is iedereen wat gezapig. Een enkeling is wat nerveus voor de gesprekken en neemt nog geconcentreerd de nodige data door.
Ouders verschijnen vaak plichtmatig om de mentor te ontmoeten of omdat ze ‘eens het gezicht bij een naam’ willen zien. Dat is met het handen schudden al achter de rug en verder is er in zulke gevallen niet veel te bespreken. Het kind doet het goed. Ach, misschien af en toe een beetje verlegen. Maar een mooie cijferlijst, hoor. De tien minuten zijn te kort om écht iets te bespreken, maar de secondenwijzer loopt door stroop als er niets te bespreken valt.
Handvatten voor het huiswerk maken, een tip voor een vakwissel of een suggestie tot huiswerkklas of bijles – ik geloof dat een telefoontje of e-mail zouden volstaan. Als een kind onvoldoende staat, moet eerst de stekker uit de computer, voordat de auto naast school geparkeerd wordt.
Tafeltjesavond is een schijnvertoning. Is het niet een beleefdheidsgetrouw bezoek, dan is het wel poppetjes kijken. In beide gevallen hebben de ouders niets op school te zoeken. Wanneer ze komen vanwege onvoldoendes of persoonlijke problemen, de enige legitieme redenen, dan vinden ze het belangrijk om verhaal te halen. De school doet vast iets verkeerd. Een verklaring graag.
Maar meestal zitten ze er, omdat het zo hoort. Laten we de leerling dus vooral complimenten geven. Het is tenslotte net kerst geweest. De ouders zijn verrast, het kind krijgt thuis een pluim en fietst de volgende dag een stuk lichter naar school. Misschien blijven de ouders een volgende keer zelfs weg.
Dus ik vertel dat dochterlief misschien niet uitblinkt in mijn vak, maar dat haar houding in de les voorbeeldig is en dat, als ze goed haar huiswerk maakt, ze het jaar zeker zal halen. Een prachtkind is het. Zo sociaal! Vader, die tot dat moment onderuit hing, af en toe mompelde en de moeder op halfwakkere momenten bijviel, schiet overeind: ‘Ik was ook nooit een ster in wiskunde’, roept hij. ‘Ik ben een typische alphaman’. Zijn vrouw herstelt hem: ‘Let nou even op, lieverd. Deze meneer is van geschiedenis.’
dinsdag 15 december 2009
Dag Sinterklaasje
Waar normaal gesproken elk lesuur heilig is, is op de dag van het sinterklaasbezoek alles even anders. Klassen worden uitgeroosterd om een uur lang Sinterklaas aan te horen die in de gymzaal, zitkuil, aula of het atrium leerlingen bij zich roept, die vermanend of bewonderend toespreekt en ze een presentje of een handvol pepernoten meegeeft. Als de bel gaat, vertrekt de luidruchtige bende in verwarring richting de lokalen.
Dat is voor autistische kinderen gevaarlijk, zo komt naar voren uit een recente discussie. Deze kinderen moeten de Sint en zijn pietengevolg duidelijk zien vertrekken, om te voorkomen dat ze zich de komende maanden nog dikwijls afvragen waar het circus zich verscholen houdt. Ze zien in elke bebaarde geschiedenisdocent een Sinterklaas en verwachten iedere ochtend een chocolademuis in hun schoen. Autisten behoeven structuur. Ze willen de Sint zien komen (zie ginds komt de stoomboot) en ze willen de Sint zien gaan (dag sinterklaasje, da-aag, da-aag). Een afgerond en duidelijk geheel alstublieft, anders is het verwarrend.
Maar het Sinterklaasfeest is toch sowieso alles behalve duidelijk? Want wie is toch die man die begin december het kindervlees komt snijden? Sinds de Amsterdamse onderwijzer Jan Schenkman in 1850 in zijn boekje Sint Nicolaas en zijn knecht gewag maakte van de heilige die per stoomboot uit Spanje kwam en terzijde gestaan werd door een zwarte adhd-er in een pagepakje, is Nederland het spoor bijster. Er valt geen touw aan dit toneelstuk vast te knopen. Als je kinderen écht wilt helpen, neem ze dan niet langer in de maling en schaf deze onzinnigheid af. En gooi dan gelijk de doos kerstballen, engelenhaar en lichtgevende rendieren in de kliko.
Ik keek niet vreemd op toen onze Argentijnse kroonprinses riep dat ons kikkerland identiteitloos is. Want waarin, behalve in onze christelijke wortels, zit dan onze eigenheid in die kakofonische decembertradities met pepernootstrooiende Moren, katholieke heilige met schimmel, Germaanse bomen en flikkerende arrensleeën in de voortuin?
Als Sinterklaas nou in een steeg gevonden wordt, doodgeschoten, is dat niet helder genoeg voor de kinderen? Als we maar duidelijk laten zien dat de schuldige pietenbende in het gevang verdwijnt, dan is er toch niets aan de hand? Klaar. Afgelopen. Niet meer over praten.
Sint arriveerde op onze school met een sigaar in de hand en zijn werkmijter op. Het scheen dat hij de avond tevoren een sinterklazenborrel teveel had gedronken en nu worstelde met een kater. Daarom riep hij telkens: ‘Hou je mond, rotkinderen! Ik heb barstende koppijn!’. Hij toog met drie pieten langs de lokalen, verstoorde de lessen en stuitte op geïrriteerde docenten in bloedhete lokalen. De goedheiligman leunde zwaar op zijn staf. Het was duidelijk dat hijzelf ook twijfelde aan de traditie waarvan hijzelf de kern vormde.
De baard begon steeds meer te jeuken en de mijter zat te strak. Na het rondje lokalen (‘Hoi, meneer Posthumus!’) en de terechtstellingen in de aula, streek ik bezweet neer in de personeelskamer - de mijter af en de baard nog half voor.
Ik word sindsdien door heel veel kinderen begroet alsof ik Sinterklaas ben en niet meneer Posthumus. Wat ik ook probeer, de leerlingen zijn er in hun verwarring van overtuigd dat Sinterklaas nu geschiedenis geeft. Blijkbaar heb ik niet duidelijk genoeg afscheid genomen. Of zou het helpen als ik de baard afdoe?dinsdag 1 december 2009
Papierfabriek onderwijs
Ik moest hard lachen toen ik hoorde van de docent die ’s ochtends zijn postvak opende, de paperassen ongezien verscheurde en in de prullenbak gooide. Als zijn team in de late middag vergaderde, was hij al op weg naar huis. Het was wel eens gebeurd dat hij nog even buiten langs het raam wandelde en het team met een brede armzwaai een goede avond wenste. Ajuus, paraplu! Uitzonderlijk gedrag, maar tegelijk tekenend voor de dikke laag frustratie die de laatste jaren gegroeid is over docerend Nederland. Scholen zijn papierfabrieken geworden waarin teveel vergaderingen belegd worden en elk plan in diezelfde richting wordt instinctief weggewuifd.
De Volkskrant is pas gestart met de Onderwijsagenda, een online onderzoek naar de grootste problemen in het Nederlandse onderwijs. Er wordt gretig op gereageerd en de eerste resultaten bevestigen het beeld: van alle ergernissen staat de administratieve rompslomp bovenaan. Uit de vele reacties op de website blijkt dat docenten zich vooral willen bezighouden met lesgeven. Kennisoverdracht is taak nummer één van de leerkracht, zo is de algemene opvatting.
De reacties verbazen mij helemaal niet. Het gelamenteer over neventaken is zo gewoon, dat het bijna bij de schoolcultuur is gaan horen. Niet zelden staat dat extra werk in verband met de hete adem van de inspectie. Schoolbesturen krijgen poep in de broek als het woord inspectie valt. Deze onderwijswaakhond is vooral geïnteresseerd in procedures en protocollen en krijgt kwijl in de bek als een school het ‘Nieuwe Leren’ (waarin leerlingen zelf verantwoordelijk zijn voor het leerproces) omarmt. De inspectie gaat kwispelen als ze ziet dat scholen zich ontwikkelen in de door de inspectie gewenste richting en dat de school de boel procedureel op orde heeft, dus als de papierfabriek nog meer papier produceert.
Ik herinner mij nog goed de conclusies van commissie-Dijsselbloem in 2008. De overheid had zich niet te bemoeien met de inrichting van de school. Bovendien maakte de werkgroep korte metten met het Nieuwe Leren. Is het niet wonderlijk, het gemak waarmee dat rapport als een prop de prullenbak in verdween? Veel scholen dansen naar de pijpen van de inspectie en zetten alles op poten om tegen wil en dank reeds achterhaalde onderwijsideeën te implementeren. Het is toch van de zotte!
Momenteel schiet onderwijzend kikkerland zijn geweren leeg op de Onderwijsraad, omdat die in zijn nieuwste adviezen aanstuurt op tijdschrijven. Het onderwijs moet doelmatiger ingericht worden en als docenten hun activiteiten nou eens keurig bijhielden in een kladblok, zou een eerste stap gezet zijn. De klachtengolf was te voorspellen. Er is niets mis met efficiëntie, maar als de heren en dames van de raad één dag mee hadden gelopen op een willekeurige school, dat was hun duidelijk geworden dat dit idee met hoongelach ontvangen zou worden. Nóg meer papierwerk!
Minister Plasterk nam snel afstand van het advies, opgejaagd door de klachten uit het veld. Afgelopen zaterdag schreef hij niet in het advies van de Onderwijsraad te geloven.
En toch.
Ik vermoed dat het systematisch bijhouden van je tijdsbesteding best goed uit zou kunnen pakken voor de leerkrachten. Als de volgekrabbelde kladblokken eenmaal bestudeerd zouden worden, zou immers al snel blijken dat iedereen teveel uren maakt. Docenten zouden met recht neventaken kunnen weigeren. Sorry, ik ben vanmiddag niet aanwezig op de teamvergadering. Mijn tijd is op. Dus ajuus paraplu.
dinsdag 17 november 2009
‘Homo oké, maar homoseks, nee dank u’
Vorige week zaterdag gaf minister Plasterk het startschot voor het project ‘Homo in de Klas’, dat jongeren in de onderbouw van vier gereformeerde scholen een wat genuanceerdere kijk op het fenomeen homoseksualiteit moet geven. En terecht, want homofilie wordt nog te vaak geassocieerd met gay parades en relnichterij. In veel orthodox-christelijke kringen is homoseksualiteit bovendien uit den boze. De projectontwikkelaars proberen dit taboe te doorbreken. Er komt zelfs een christelijke homo langs op de scholen! Een echte!
Toevallig vindt tegelijkertijd op mijn school het jaarlijks terugkerende project ‘relaties’ plaats. Ook homoseksualiteit komt aan bod, maar niet tot ieders genoegen. Twee jaar geleden richtte een dominee uit een naburig dorp zich in zijn zondagse gebed tot God met de vraag of hij wilde waken over de school, omdat die zich waagde aan een netelig onderwerp. We hebben het project godzijdank overleefd.
Toen eerder dit jaar in het Gelderse Emst een basisschooldocent ontslagen werd na zijn mededeling dat hij homoseksueel was, was het aan de politiek daar iets zinnigs over te zeggen. Dat viel nog niet mee. Het verbod op discriminatie, ons heilige artikel 1, staat hiermee immers op gespannen voet met de vrijheid van onderwijs die zegt dat iedereen een school vanuit een eigen grondslag mag oprichten. Minister Ter Horst kwam tot de onduidelijke conclusie dat iemands geaardheid niet mee mag spelen in het aannamebeleid van een school. Wel mag de school van de medewerkers eisen de grondslag ‘niet belachelijk of ongeloofwaardig’ te maken. Erg duidelijk is dat niet. Nee, dit gesodemieter knelt als een te strakke leren broek.
Want wat als het schooluitgangspunt de bijbel is? God doceerde Mozes vanuit de ontmoetingstent dat homoseksualiteit een gruweldaad is en dat de beoefenaars ervan gedood moeten worden. Ze hebben het aan zichzelf te wijten! Loyaal zijn aan dit vers uit Leviticus insinueert onthouding van de seksuele praktijk. Sorry Henk, maar zeg eens eerlijk: we weten dat je homo bent, maar dóe je het ook met je man? Dat zou de doodsteek voor je geloofwaardigheid zijn, niet waar? Homo oké, maar homoseks, nee dank u.
De combinatie christelijk en homo kan doodongelukkig maken en daarom is het goed dat de homoseksuele knuppel in het christelijke hoenderhok geslingerd wordt. Het is een feit dat in het darmstelsel geen bevruchting plaatsvindt, maar waarom zou het niet een natuurlijke geaardheid zijn? Homo ben je niet enkel om dwars te liggen. Vijf tot tien procent van de kerkelijke gemeente is homoseksueel, als dat aantal al niet verkleind is door verstoting uit de kudde. Ook in veel Friese christelijke dorpen wordt homoseksulateit nog steeds niet volledig geaccepteerd. Juist voor homoseksuele pubers zou een taboedoorbreking een zegen zijn - projecten als ‘Homo in de Klas’ en ons schoolproject ‘relaties’ dienen dat doel.
Toen ik twee jaar geleden tijdens het project met mijn groep een ‘echte homo’ ontving in het klaslokaal, raakten we in gesprek over typische homodingen. Homomannen kleden zich beter dan heteromannen, werd gezegd. Ik riep: en homo’s roken sigaretten en hetero’s roken shag en ik haalde mijn buil tabak tevoorschijn. Toen ik even later de groep vertelde van de dag dat mijn vader er achter kwam dat ik rookte, maakte ik een vergissing. Ik zei: “Mijn vader ontdekte een pakje sigaretten in mijn jas en zei…”. Eén van mijn leerlingen aarzelde niet en vulde in: “Jelte, ben je homo?”
woensdag 4 november 2009
'Meneer, waarom geeft u niet het vak toekomst?'
Eén van mijn leerlingen vroeg mij deze week: ‘Maar meneer, waarom geeft u niet het vak toekomst? Wat moeten we met geschiedenis?’ Ik legde hem uit dat er een aanzienlijke kans aanwezig is dat hij en zijn klasgenoten een baan zullen krijgen die op dit moment nog niet eens bestaat. De wereld verandert razendsnel en in onvoorspelbare richtingen. De tien banen waar momenteel de meeste mensen voor gevraagd worden, bestonden vijf jaar geleden nog niet. Hoe zou ik het vak toekomst kunnen geven als die in nevelen is gehuld?
Zeker, ook in de geschiedenis kamp je met slecht zicht, maar wát we er van weten helpt ons om de valkuilen te mijden waar onze voorouders in kukelden. Meer nog leert het ons de moderne wereld te kennen. Kennen we haar geschiedenis niet, dan begrijpen we haar huidige toestand niet en zijn we in onze steun aan die wereld op voorhand vleugellam. Met dit argument was mijn vak tegenover de groep leerlingen verdedigd, maar toch bleef de pientere vraag van die snotaap in mijn hoofd nagalmen. Want inderdaad, waar bereiden we onze leerlingen op voor? Doen we dat eigenlijk wel goed?
Kinderen die dit jaar hun eerste stappen in het voortgezet onderwijs zetten, beginnen vanaf ongeveer 2020 met werken en vieren in 2064 hun zevenenzestigste verjaardag in een wereld vol goederen en diensten waar nu nog geen namen voor zijn en problemen die we nooit als problemen herkenden. Deze leerlingen zullen niet veertig jaar voor dezelfde baas werken. Ze werken voor vijf, tien of zelfs vijftien bazen tot ze, ergens na hun zeventigste, stoppen met werken. De wereld waarin ze leven is snel, voortdurend in verandering, kent een ‘information overload’ en vereist gepaste vaardigheden. En dan doel ik uiteraard niet op blind duimtypen of simultaanchatten.
Nee. Volgens mij moeten docenten op de eerste plaats leerlingen leren hóe je moet leren. Hoe verwerf je kennis en hoe sla je die op? Kinderen moeten bedreven raken in het benaderen van teksten en het filteren van informatie: welke gegevens zijn belangrijk en welke nutteloos? In de 21ste eeuw is eigenlijk iedereen redacteur. Elk blogt, uploadt en netwerkt er op los. Kinderen moeten leren de grote stroom informatie kritisch te beoordelen, te gebruiken en te delen.
Ook moeten we zoveel mogelijk ruimte bieden aan de creativiteit van leerlingen. Dat kan binnen elk vak. Kern van de zaak is dat leerlingen de kans geboden wordt op een eigen, authentieke manier naar dingen te kijken. Geef de leerlingen problemen, geen kant en klare oplossingen. Spreek hun verbeeldingskracht aan en prikkel ze creatief na te denken. Deze nieuwe eeuw vereist aanpassingsvermogen en oplossingsgerichtheid, dus creatieve geesten.
Het is de vraag of het huidige vakkenaanbod de leerlingen een gedegen voorbereiding geeft op de toekomst. Ik denk van wel. Of beter gezegd: ik denk niet dat het huidige curriculum een solide opleiding in de weg staat. De veranderingen moeten in eerste instantie binnen de vakken plaatsvinden. Niettemin is het ondenkbaar dat het onderwijssysteem blijft zoals het is. Maar laten we in hemelsnaam niet weer in dezelfde valkuil trappen. Voordat we nieuwe onderwijswegen inslaan, zullen we die eerst grondig moeten onderzoeken. Die les hebben we inmiddels toch wel geleerd?
dinsdag 20 oktober 2009
Hyperouders en tongen met de hond
Twee weken geleden zette ik mijn vraagtekens bij het oormerken van kinderen. Aangezien adhd’ers, dyslectici en anders geëtiketteerden de laatste jaren als paddestoelen uit de grond schieten, meende ik er verstandig aan te doen dit onderwerp aan te snijden. Er zijn immers heel wat kanttekeningen bij te maken. Mensen staan op dit onderwerp lijnrecht tegenover elkaar, zo blijkt uit de talloze reacties die ik op mijn column kreeg. Zelfs ouders van zorgleerlingen verschillen van mening. Voor de één is een diagnose een zegening, voor de ander een last.
Nochtans vraag ik me af waar de opvallende toename van het aantal zorgleerlingen de laatste decennia uit voortkomt. Begin dit jaar liet Stichting Farmaceutische Kengetallen weten dat het gebruik van adhd-medicatie in een jaar met 25 procent is gestegen. Vergeleken met 2002 is er zelfs een totale toename van 249 procent! Die adhd’ers komen toch niet uit de lucht vallen?
Is adhd een modeziekte? Is er sprake van overdiagnose? Daarover bestaan twijfels. Ouders willen erg graag dat alles goed gaat met hun kind. Dat is heel normaal. Maar soms willen ze dat té graag. Elke afwijking van het normale kan een reden voor ouders zijn om aan de bel te trekken. Als hun kind niet goed meekomt op school, dan móet er toch wel wat aan de hand zijn? Deze zogenaamde ‘hyperouders’ kijken vreemd op als blijkt dat hun kind helemaal niets mankeert.
Maar het is tegelijk niet ongewoon dat een arts op basis van slechts vermoedens wel medicatie voorschrijft. Zij hebben in de regel te weinig tijd om een diagnose te stellen en de GGZ heeft meestal lange wachtlijsten. Dus: stop er maar Ritalin in en we kijken even hoe het gaat. Geen diagnose, wel aan de pillen en de ouders tevreden, want hun vermoeden bleek niet onterecht.
Het fenomeen hyperouder is in Amerika al wat ouder en wordt beschreven in het boek ‘A Nation Of Wimps’ (2008) van de Amerikaanse psychologe Marano. Doordat jonge kinderen tegen de boze wereld worden beschermd, kunnen ze in hun studententijd psychologische problemen, zoals angststoornissen ontwikkelen, volgens de psychologe. Ritalingebruik onder Nederlandse studenten is overigens heel gewoon: maar liefst 7 procent gebruikt het. Voor de concentratie, zeggen ze. Of gewoon voor de lol.
Steeds meer ouders geloven heilig in de maakbaarheid van hun kind en televisieprogramma’s als ‘Dr. Phil’ of ‘Opvoeden doe je zo’ stimuleren dat. Marano legt uit dat deze bijna dwangmatige bescherming en sturing van het succes van een kind gemakkelijk kan leiden tot aandachtsstoornissen als adhd. Dus niet alleen al het feit dat de overbezorgde ouders heel snel de arts opzoeken, maar ook het feit dat zij hun kind niet vrij genoeg laten, kan een verklaring zijn voor de enorme toename van het aantal met adhd gediagnosticeerde kinderen.
‘Liefdevolle verwaarlozing’ is de oplossing volgens psycholoog Kohnstamm. Laat een kind lekker aanklooien, rondrennen of dromen. Stap niet gelijk met die kleine dromer naar de huisarts en zet dat kind gewoon in die vieze zandbak vol bacteriën! En ga niet sámen in het klimrek! Kinderen moeten immers de consequenties van hun misstappen leren kennen. Een kind móet af en toe een blauwe plek oplopen, nu en dan een flinke pol gras eten en af en toe tongen met de hond. Daar word je sterk van.
dinsdag 6 oktober 2009
‘Ik heb ADHD en dus ben ik druk’
Kortgeleden maande ik een tweedeklasser tijdens mijn uitleg tot stilte, maar het meisje protesteerde heftig. ‘Maar meneer, ik heb ADHD en dus bén ik druk. Daar kan ik niets aan doen!’ Ik heb haar uitgelegd dat ze, net als iedereen, gewoon haar mond moet houden als ik iets uitleg. Ze sputterde nog even tegen, maar ging akkoord.
Vroeger was dit gewoon ‘een druk kind’, maar tegenwoordig plakken we er een naamkaartje op. Resultaat: de leerling legitimeert wangedrag met een professioneel gediagnosticeerde afwijking. Erg handig, zo’n stempel. Ik herinner mij een telefoongesprek met een moeder. Nadat bij haar kind ADHD was vastgesteld, had zij zich ook laten onderzoeken en ja hoor, u raadt het al meneer, ook ADHD. Nou, dat verklaarde dan mooi waarom het thuis allemaal niet zo soepel liep.
In het onderwijs hangt aan steeds meer leerlingen een label, zodat we daar allemaal fijn rekening mee kunnen houden. Niet dat er tegenwoordig meer zorgleerlingen zijn dan vroeger. Zeker niet! Waar een leerling vroeger gewoon ‘niet zo goed in taal‘ was, heeft hij nu ‘dyslexie’ op het voorhoofd staan, een aandoening die de dyslecticus zelf niet eens kan schrijven! Iemand die vroeger ‘een beetje vreemd’ was, heeft nu een PDD-NOS-label in het oor hangen. Wat een vreemde naam, PDD-NOS. Echt iets voor een vreemd kind, niet waar? Wat betekent die afkorting eigenlijk? Pervasive Developmental Disorder - Not Otherwise Specified. Meent u dat nou? Het is dus nu officieel een vreemd kind? Dat is wel zo prettig om te weten. Dat het officieel is, bedoel ik.
Natuurlijk, zorgleerlingen verdienen speciale aandacht. Ouders en scholen stellen alles in het werk om hen zo goed mogelijk te helpen. Zo is er de rugzakleerling die stapeltjes bankbiljetten voor bijvoorbeeld ambulante begeleiding in zijn knapzak meetorst. Verder krijgen dyslectici en discalculici (zij die moeite met getallen hebben) toetsen op reuzenformaat en extra tijd om de toets te maken. Docenten worden bovendien steevast goed ingelicht over de kinderen, zodat ze niet vreemd opkijken als een leerling plotseling door het lokaal stuitert. Deze bijzondere aandacht is terecht, maar of die extra poen altijd het gewenste resultaat oplevert, vraag ik mij af.
Het bestempelen van een groep leidt tot vooroordelen. Aha, zij heeft ADHD, dus is ze druk en snel afgeleid. Deze drogredenering werkt inderdaad ook andersom, zoals bij de tweedeklasser van zonet: maar meneer, zo bén ik nu eenmaal! Achter een stempel is het goed schuilen. Daarom prijkt op het toetspapier van de dyslecticus de hoofdletter D (jawel, van dyslexie), zeggende: ik kan nu eenmaal niet schrijven, dus wilt u mijn spelfouten door de vingers zien?
Uiteindelijk mankeert elk kind wel iets. Zijn de ouders niet gescheiden, dan is er wel sprake van een bruine pleister-allergie. Is er geen faalangst, dan is er wel een ziek huisdier. Maar een etiket leidt tot vooroordelen, wordt aangewend als excuus en werkt zonder twijfel door in het hoofd. Als iemand dik genoemd wordt, gaat dat tussen de oren spelen. Als iemand zegt dat ik er bleekjes uitzie, dan voel ik me terstond misselijk. Waarom zou dat anders zijn als iemand het label ADHD opgeplakt krijgt? Maar meneer, zo bén ik dus! Officiéél!