woensdag 9 maart 2011

Yn Fryslân Bleaun



Yn Fryslân Bleaun
Muzyk: Jelte Posthumus en Lammertjan Dam
Tekst: Jelte Posthumus


Ik bin altyd ûnderweis, myn hiele libben is in reis
nei wûnderlike stêden, nei fiere, frjemde lannen
ûnderweis
Ik haw fan it libben preaun
mar wie ik mar yn Fryslân bleaun

Ik haw in hûs bout yn it doarp
twa doarren fierder as ús heit-en-dy
Ik wenje der allinnich, mei myn hûn en mei myn katten
tichtby ús heit-en-dy
mar hjoed haw ik yn myn deiboek skreaun
werom bin 'k eins yn Fryslân bleaun?

~ De dagen binne oeral like lang    
mar nearne fiel ik my senang  
De moanne skynt oeral itselde ljocht
Mar ik haw nea fûn wat ik socht

Ik mis It Waad, ik mis ús mem 
ik mis it wetter, ik mis har stim
de greiden efter hûs, de pingo's yn it lân
ik mis ús mem
Ik haw de tiid foar my út treaun,
mar wie ik mar yn Fryslân bleaun

Ik bin gjin man fan de wrâld
dat reizgjen lit my kâld
Ik bliuw leaver yn myn nêst, dan bin 'k op myn bêst
dit is myn wrâld
mar wat is dat eins oerdreaun,
wêrom bin 'k eins yn Fryslân bleaun?

~ De dagen binne oeral like lang
dus wêrfoar bin ik dan sa bang?
de moanne skynt oeral itselde ljocht
ik gean hjir wei, ik haw myn nocht

De greiden, de pingo's, it Waad en ús mem en it wetter har stim, ik kom wer thús
myn hûn en myn katten, ús heit en ús mem, de minsken fan't doarp swaaie my út

Mei de koffer yn de hân, Fryslân ik kom werom
Mei de koffer yn de hân, Fryslân ik gean hjir wei
Mei de koffer yn de hân, mem jou my in tút
Mei de koffer yn de hân...

 

dinsdag 1 maart 2011

Eng, al die twitterende leerlingen

In de hardloopwedstrijd van internetgebruikers loop ik ergens achter in het peloton. Ik doe leuk mee hoor, met mijn accounts hier en daar, maar de kopgroep heb ik niet meer in het zicht. Wie zitten eigenlijk in die kopgroep? Is dat misschien de schoolgaande jeugd? Zijn dat mijn leerlingen? Welnu, ik volg twee leerlingen op Twitter, maar helaas: als je niets beter weet de melden dan dat je net wakker bent geworden, geen zin in school hebt, dat je jeuk hebt aan je knie, dat je een chocoladereep eet, of dat je moet poepen, nee, dan loop je niet voorop. En bovendien, ik denk dat jongeren veel waakzamer moeten worden in hun internetactiviteiten.

Ik twitter sinds kort. Ik post af en toe een geestige ingeving. Over onderwijs. Over actualiteiten. Over mezelf. Ik volg mijn favoriete schrijvers, nieuwsleveranciers, wat familie, enkele vrienden en ik ontvang berichten uit de natuur. Als ik dan lees dat mijn zus heeft hardgelopen en nu eierkoeken gaat eten of dat er een Kleine Sneeuwgans is waargenomen ergens in het land, nou, dan vind ik dat mooi. Zo simpel is dat. 

En ik volg dus ook twee leerlingen – een jongen en een meisje. Toen ik op een middag in het geschiedenislokaal achter de computer zat, kwamen ze naar me toe. Of ik ze wilde volgen op Twitter. Zo geschiedde. De berichten van de twee leerlingen bleken doorgaans inhoudsloos, maar ik volg ze nog steeds. Hun berichten geven een fraai inzicht in mijn puberpubliek. Het begrip leerlingvolgsysteem krijgt zo opeens een nogal moderne betekenis. 

Het meisje heeft al bijna 5000 berichten geschreven. Toen ik haar onlangs tegenkwam in de gang, zag ik als in een soort schijnsel al die tweets om haar heen zweven: ‘Word ik om 7 uur wakker terwijl ik tot half 8 kan slapen #gemeen’ of: ‘focking gespannen, maar ik weet niet waarom’ en ‘jongens, serieus, ik ga bier in mijn haar smeren #schijntgoedtezijn’. Ik kon dat twitter-aura, die wolk van losse kreten, niet meer wegdenken. Het was er gewoon. Alsof ze met zo’n sandwichbord rondliep waarop al die persoonlijke uitingen stonden geschreven. 

Ik wist ook dat haar verkering net uit was. Daar had ze uitgebreid over bericht. Ik vroeg haar er naar. Ze vond het attent, merkte ik. 

De twitterjongen en het twittermeisje houden de wereld ook up-to-date wat betreft hun huiswerk. Op een middag lees ik: ‘Samenvatting godsdienst, maatschappijleer en geschiedenis maken, krijg ik toch niet af vandaag’, even later gevolgd door: ‘Aaaah hoofdstuk 4 nog van maatschappijleer en ik val nu al dood op de grond’. Met verbazing ben ik getuige van hun moedige strijd tussen helemaal niet willen, maar wel moeten. Ik krijg haast medelijden met ze. 

Maar ik moet eerlijk zijn. Ik voel me net een stalker. Het is alsof ik aan de andere kant van de muur sta met een glas tegen mijn oor. Zonder veel moeite kan ik ook de berichten van heel veel andere leerlingen lezen – bijna niemand heeft z’n account afgeschermd voor onbekenden. En dat vind ik eng. In mentorgesprekken zijn leerlingen nog wel eens gereserveerd, maar op internet zijn ze plotseling een open boek. Voor vrienden en familie is dat misschien leuk, maar voor je docent geschiedenis, of voor je latere werkgever en voor al die onbekenden, waaronder misschien kwaadwillenden? Pas nou toch op!

Ik waarschuw mijn leerlingen dikwijls en dat onthouden ze blijkbaar. Het meisje berichtte enige dagen terug: ‘En dan zegt @JeltePosthumus morgen op school weer dat ik teveel Twitter’. Vanaf vandaag ben ik stalker af. Ik ga geen leerlingen meer volgen en ik zal blijven benadrukken dat je niet álles moet willen delen met de wereld. 

woensdag 16 februari 2011

Goede Voornemens

Dat was alweer de kerstvakantie. Ik heb een kalkoen gevuld, ik heb flink op mijn gitaar zitten rammen, ik heb geschreven, gelezen, gegamed, ik dronk champagne, knalde een vuurpijl de lucht in en nu is het 2011.
Een nieuw jaar biedt nieuwe kansen, maar van de goede voornemens ben ik niet. Ik heb me dan ook voorgenomen me niet te laten verleiden uitspraken te doen over wat ik in 2011 anders of beter ga doen dan in 2010. Afgelopen jaar was een voortreffelijk jaar en van dit nieuwe jaar verwacht ik niets minder. Ik moet erkennen dat ik enige tijd terug mezelf had toegefluisterd dat ik er goed aan zou doen weer eens te stoppen met roken. Wel, dat is niet gelukt – op de eerste dag van het nieuwe jaar sloot ik mijn ontbijt af met een sigaret die me uitstekend smaakte. Dus sodemieter op met je goede voornemens.  
Hoewel.
Ik zou misschien wel eens wat vroeger naar bed kunnen gaan, zodat ik niet het eerste uur in dromerige afwezigheid mij stamelend door de lesstof werk. Misschien moet ik ook beter ontbijten. Niet twee, maar vier boterhammen. En dan het liefst met een gebakken ei en vers geperste jus. En dan smeer ik ook gelijk twee boterhammen extra voor mee naar school. Ik koop een grotere broodtrommel.
Allicht, ik zou mijn lessen nog wel wat beter kunnen voorbereiden, zodat alles tiptop in orde is en ik niet verrast ben als leerlingen met de neus in het geschiedenisboek het lokaal binnenlopen – slik! – en vragen: ‘is het een moeilijke repetitie, meneer?’ en dat ik dan denk: Repetitie? Repetitie? Shit!
Meer slapen, steviger ontbijten, beter mijn lessen voorbereiden: zulks zou ik in principe voornemens kunnen zijn. Maar ik heb geen voornemens, dat zei ik al, want voornemens scheppen verwachtingen en verwachtingen zijn onberekenbare wezens.  
Zeker, ik zou meer historische naslagwerken kunnen doorspitten voor de vakkennis; ik wil misschien wel meer geweldige anekdotes uit het hoofd leren voor die spetterende les; ik zou iets vaker nee, en misschien ook wat vaker ja moeten zeggen. Ik zou met meer regelmaat al die overtollige papieren uit mijn mappen moeten halen, ik zou toetsen sneller na moeten kijken, meer initiatief aan de dag moeten leggen, mijn agenda beter bij moeten houden en lachen als een collega een grap maakt die niet leuk is.
En ben ik te opstandig en cynisch geworden? Waarom doe ik moeilijk over het lopen van de surveillanceronde eens in de week? Kom op zeg! Niet zeuren, gewoon even doen! En weet je wat? Dan maak ik ook na elke werkdag keurig het bord schoon en op vrijdagmiddag laat ik de kinderen de stoelen op de tafel zetten voor de schoonmaakploeg. En de absenties ga ik ook beter bijhouden, want daarin ben ik soms wat afwezig.
En twintigelf wordt het jaar van de lerarenband! Hij van Frans op gitaar, hij van Nederlands op contrabas, de collega van maatschappijleer op piano en misschien de man van het boekenfonds op drums. En dan knallen! Dat zou wat zijn. Een lerarenband! En op donderdagmiddag gaan we met collega’s voetballen in de gymzaal. Even dat cynisme er uit zweten. Tof!
En ik ga geen leerlingen meer volgen op Twitter, wat een onzin! Ontvolgen dat kippenhok. Ze moeten mij maar volgen, dát is de juiste rolverdeling. En nu ik toch bezig ben: alle leerlingen halen een dikke voldoende op het examen geschiedenis! En ik stuur kaartjes naar zieke collega’s! En ik vraag nu eindelijk geld aan de carpoolers die ’s ochtends de ramen van mijn Opel doen beslaan.
Maar goede voornemens? Nee, daar doe ik niet aan. Ik heb hoogstens wat stiekeme plannetjes. Dat is wat anders. 

Naschrift: Op 11 januari, een week na publicatie van deze column, stopte ik met roken. 


maandag 31 januari 2011

Voor Jack

Er lag een diepe schaduw over de laatste weken voor de kerstvakantie. Een onbekende stilte sloop door het gebouw als een ingehouden adem. Eerst het nieuws over de rasse verslechtering, toen het definitieve bericht – het overlijden van collega Jack Frölich trof de groep als een kogel. Vorige week donderdag werd hij begraven. In de aula werd vooraf gemusiceerd, gezongen, gesproken en gezwegen. Lyanne speelde Sjostakovitsj over wie ze een profielwerkstuk schrijft – tot voor kort daarin begeleid door Jack. Een koor zong het door hem gearrangeerde Hallelujah van Händel. Docenten en leerlingen huilden en buiten was het koud. Jack was muziekdocent. Veelzijdig en getalenteerd en nog lang niet klaar. De dagen konden niet korter, de nachten welhaast niet langer. En toen was er de kerstvakantie, maar met een bitter gevoel.
    Het muzieklokaal is nu een plek van herinnering. Enkele weken geleden verplichtte een roosterwijziging mij daar geschiedenis te doceren. Ik moest aan Jack denken. Het muzieklokaal was zijn plek. Nu zat hij thuis. Ziek.
Het was een vreemde donderdag. Ik vergat een lesboek mee van huis te nemen, was volledig verrast toen ik een vriend in opleiding in de personeelskamer zag zitten, die, precies volgens afspraak, een les kwam bezoeken, en ik had niet de beschikking over het materiaal in mijn eigen lokaal. Zo stond ik plotseling zonder boek, maar mét visite op de achterste rij voor een tweede gymnasiumklas in een ruimte vol muziekinstrumenten. Aan de wand hingen gitaren. Er stond een piano, twee drumstellen en er was een hok vol percussie-instrumenten. Ik bedacht, vandaag is zo’n dag. 
    Toen ik vroeg wie van de leerlingen een instrument bespeelde, gingen nagenoeg alle handen omhoog. Dat beloofde wat! Tot mijn geluk had ik nog wel een opdracht over de oorzaken van de Franse Revolutie in de tas. Het werd een deal. De laatste tien minuten van de les zouden we muziek gaan maken, míts iedereen goed zijn best deed bij het maken van de opdracht. De kinderen werkten als paarden. Met de tong uit de mondhoek ging iedereen aan de slag alsof het leven er van af hing. De stilte in het lokaal was oorverdovend. Slechts het geluid van driftig schrijvende pennen was hoorbaar. Er moest en er zou gejamd worden! Ik knipoogde naar de vriend in opleiding die met zichtbaar genoegen het tafereel gadesloeg.
    Toen de wijzer van de klok de laatste tien lesminuten had bereikt gingen de boeken vlug in de tas en stelde ik de band samen. Ik probeerde te dirigeren, maar uiteraard, het werd een kakofonie van jewelste. De stilte van enkele minuten daarvoor maakte plaats voor het tegenovergestelde. Jongens trommelden met volle overgave op de conga’s, in de vensterbank zaten drie gitaristen die elk een ander lied pingelden, een meisje speelde een kleine melodie op de piano en de drummer ramde als een bezetene op de vellen, zo hard dat van de andere geluiden weinig overbleef.
Toch hoorde ik plotseling tussen alle geluiden door vanaf de vensterbank de onmiskenbare intro van Eric Claptons Tears In Heaven. Het was Vincent op akoestische gitaar. Ik maande de band tot stilte. De geluidenbrij verstomde en iedereen luisterde hoe Vincent bloedserieus het nummer uitspeelde. Muziek is magisch. En ik moest weer denken aan Jack. Ik geloof nu dat Vincent het voor Jack speelde.
    Hij zou vandaag 62 zijn geworden. Op de kortste dag van het jaar. Na de kerstvakantie gaat alles weer verder en hoewel vanaf vandaag de dagen lengen en de nachten korten, zal het nog even duren voor de school voluit adem kan halen. De harmonie van een school openbaart zich als het verlies van één een verlies voor iedereen blijkt.

Zieke Lapjeskat


zaterdag 18 december 2010

Puberbrein

Het is een doordeweekse avond ergens in het land – een voorlichtingsavond op een willekeurige school. Een aula vol ouders. Het ruikt naar koffie en teveel parfum.

Er zullen twee sprekers komen. De directeur zal de vele onduidelijkheden rond de Tweede Fase uitleggen en een docent biologie zal de nieuwste kennis rond de ontwikkeling van de hersenen van pubers presenteren. Samen staan ze naast het spreekgestoelte. De directeur met gespannen grijns en de docent biologie die de microfoon test, maar nog zonder resultaat. De projector staat aan. Het grote scherm laat lezen: ‘Het puberbrein. Een borrelende chaos’.

Als een conciërge nieuwe batterijen in de microfoon heeft gedaan en een knoeperharde piep de fronsen op de ouderlijke gezichten nog wat dieper heeft gemaakt, steekt de biologiedocent van wal.

Hij vertelt dat pubers lange tijd kleine volwassenen waren. Dat was een vergissing. Het puberbrein is nog lang niet klaar. Tot je vijfentwintigste levensjaar is de hersenpan nog volop aan de kook. Heel veel verbindingen moeten nog worden gelegd en overbodige verbindingen moeten nog worden verbroken.

Het zijn met name de nieuwe verbindingen die de boel flink opschudden en dan in het bijzonder nieuwe verbindingen in de prefrontale cortex, het gebied direct achter het voorhoofd. Dit deel heeft in de evolutie de mens tot mens gemaakt en gaat over het inzicht in de gevolgen van onze handelingen. Het helpt ons te kunnen vooruitdenken en impulsen te onderdrukken. De biologiedocent concludeert: ‘Leerlingen vinden het dus moeilijk te plannen en hebben af en toe last van uitspattingen.’

Rumoer. Ouders gniffelen. Fijn te weten dat het met die hersenkwab te maken heeft, maar die conclusie hadden zij al lang getrokken.

De biologiedocent gaat verder. Het scherm toont een doorsnede van de hersenen. Achterin is iets rood gekleurd. ‘Het cerebellum, oftewel de kleine hersenen’, verklaart de spreker. ‘Pubers hebben hun emotionele huishouden nog niet op orde, snappen grapjes verkeerd en begrijpen sociale signalen maar half’.

Weer gegrinnik en knikkende hoofden. Herkenning in de zaal.

Volgende dia. De stem: ‘En dan de stofjes. Melatonine en dopamine. Melatonine maakt ons slaperig – bij pubers wordt dit slaaphormoon plotseling twee uur later aangemaakt. Ze gaan laat naar bed en zijn ’s ochtends om acht uur slaperig, chagrijnig en niet scherp. Door dopamine gaan pubers experimenteren en gevaarlijke dingen doen. Dat kun je niet tegenhouden.’ De spreker sluit af met een flauwe grap. ‘Soms denk ik wel eens, pubers lijken op borrelende vulkanen die elk moment kunnen uitbarsten. En zo zien ze zichzelf ook het liefst: de hele dag een beetje roken en dan ook nog horen dat ze actief zijn!’

Dan is het pauze. Met koffie en koekje.

De ouders mompelen. Dat was oud nieuws. Uitspattingen, emoties boven verstand, misverstanden in de communicatie, niet planmatig zijn, niet zelfstandig kunnen werken, geen verantwoordelijkheidsgevoel, niet uit bed kunnen komen: dat zijn inderdaad hun kinderen. Dat wisten ze al lang.

Als iedereen weer zijn plaats heeft gevonden, begint de directeur. ‘Uw kinderen beginnen dit jaar in klas vier met de Tweede Fase. In de Tweede Fase ligt de nadruk op zelfstandig werken. Ze krijgen aan het begin van elke periode lesplanners uitgedeeld en zijn zelf verantwoordelijk voor hun leerproces. Omdat we de lessen zoveel mogelijk om acht uur laten beginnen – lekker vroeg d’r voor! – hebben ze ’s middags tijd om hun taken af te maken. En u zult zien: dat kúnnen ze.’

De ouders maken aantekeningen op de meegebrachte informatieboekjes en stellen na afloop braaf vragen. In de auto terug naar huis zeggen ze: ‘Herkenbaar verhaal van die biologiedocent. Mooi ook dat onderwijsvernieuwing tegenwoordig zoveel rekening houdt met het puberbrein… Of zo.’

dinsdag 23 november 2010

Leuters, gleuven en bloemkolen

Ik tref twee meisjes op de verlaten vrijdagmiddaggang. Eén heeft zichtbaar gehuild. Ik vraag wat er aan de hand is. ‘Vertel jij het maar’, zegt het meisje met de rode wangen. ‘Hij heeft haar misbruikt, meneer’, zegt de vriendin. Ik denk: misbruikt? Nou, nou. Het slachtoffer begint weer te huilen. ‘Ik dacht dat het serieus was, maar het ging hem alleen maar om zijn behoeftes’, snottert ze door haar beugel. Ik denk: zijn behoeftes. Poe, poe. Misbruikt en behoeftes: een serieuze zaak.

Dader: jongen uit havo 4. Slachtoffer: meisje uit klas 2. Hij zocht geen diepgaande relatie, zij dacht dat het iets speciaals was. Hij had alleen maar zin om te tongen. Ogen dicht en bekvechten – de behoeftes van een zestienjarige knul. En zij? Zij is een klein meisje met een beugel. Enfin.

De havopummel heeft haar dus misbruikt, maar dat niet alleen. Hij heeft haar ook nog eens belachelijk gemaakt. De vriendin van het huilmeisje vertelt dat de jongen ten overstaan van klasgenoten maar al te stoer vertelde dat hij klaar met haar was. Uitgetongd. Uitgebekt. Uitgelebberd. Hij had de lachers op zijn hand en zij stond te kijk. De vriendin is even stil en zegt dan: ‘Ik sla him op ‘e bek. Echt wier’. Fantastisch.

Ik herinner mij dat ik ooit op diezelfde leeftijd drie keer had gezoend met een meisje en daarna doodleuk beweerde dat dat ‘gewoon toeval’ was. Ik gewetenloze zak. Zij in tranen.
Pubers zijn non-stop bezig met relaties en hun plek daarbinnen. Ze delen het leven met vaders en moeders, met broers en zussen, met vriendjes en vriendinnetjes, met klasgenoten en docenten. En geen enkele relatie is dezelfde.

Om leerlingen daarin te onderwijzen en de gelegenheid te geven daarover te praten, is op onze school ooit het Project Relaties gestart, waarbij vierdeklassers hun verhoudingen met anderen tegen het licht houden. Het komt altijd tot mooie groepsgesprekken, de sfeer is intiem maar gezellig en doorgaans zijn leerlingen heel open over hun relationele besognes. Als ik ze vraag welk gedoe ze met hun ouders hebben, dan staat het bord binnen vijf minuten vol probleemsituaties en geopperde tactieken. Als we hun relatie met docenten bespreken, dan valt mijn mond soms open. Zo eerlijk zijn ze. Als ik vraag wie wel eens condooms heeft gekocht, dan is er soms wel iemand die zijn of haar rubberavontuur wil delen.

Of het nou ruzie met de ouders, een druiper of homoseksualiteit is: leerlingen moeten weten dat alles bespreekbaar is. Dáárom is het project zo goed.

Eén van de hoogtepunten van afgelopen project was het penis-vagina-borsten-coïtus-synoniemenspel – om het praten erover te vereenvoudigen. In een poging de groep in een lokaal verderop het nakijken te geven, schreven we een indrukwekkende lijst synoniemen op het bord. De groep was op dreef. Jongeheer, paal, potlood, banaan, vlaggenstok en slurf zijn slechts een wilde greep uit de enorme penislijst. En wat te denken van poes, vagijn, pinautomaat, kier en flamoes als synoniem voor het vrouwelijk geslachtsdeel? Een conciërge die koffie bracht fluisterde mij later met een grote grijns toe: ik wilde het niet zeggen waar de kinderen bij waren, maar ken je deze al? Lustoord voor stijfkoppigen?

Omdat ik vind dat projecten op school ook uit moeten stralen naar de leerlingen en docenten die er níet bij betrokken zijn, veegde ik de lijst met leuters, gleuven en bloemkolen niet uit, maar bedekte die met de zijpanelen van het bord. De collega die de volgende ochtend het bord zou openklappen moest wel blijverrast zijn: zo’n voortreffelijke lijst – dat nodigt uit tot een goed klassengesprek. Ik wacht nog op het bedankbriefje.

dinsdag 9 november 2010

Op cursus

Het lunchbuffet was uitstekend. Laat daar geen misverstand over bestaan. De soep smaakte voortreffelijk en de broodjes waren vers. Zeker. Er was vis en vlees, er was warm en koud. Het buffet bood salades, diverse sapjes en zuivelwaren. Alles vers, fruitig en van goede komaf. De lunchpauze was daarmee het hoogtepunt van de cursusdag.

De cursus activerende didactiek vond plaats in een hotel met een vogel op het dak. Een toekan, als ik me niet vergis. Ik ben gek op vogels, dus dat scheelt, maar ik heb een hekel aan cursussen waarvan ik de inhoud vooraf kan voorspellen. Activerende didactiek: dat wordt samenwerkend leren, oftewel samen met stiften en grote vellen papier in de weer. Ik voel het aankomen.
Zulk cynisme is uiteraard een slecht uitgangspunt. Maar activerende didactiek is een term waarmee ik bewusteloos ben gegooid in mijn jonge onderwijscarrière. En inderdaad.

We hadden nog maar net een kop koffie ingeschonken of we werden didactisch flink geactiveerd. Via verknipte ansichtkaarten vonden we onze groepsgenoten, al vrij snel waren we allemaal tijdbewaker in gesprekken, we kregen energizers te doen en de door mij zo gevreesde placemat kwam langs. Tijdens mijn lerarenopleiding, tijdens andere cursussen en zelfs bij personeelsvergaderingen: overal ben ik aan het mindmappen, maak ik woordspinnen of ben ik slachtoffer van de placemat-methode. Maar godallemachtig.

Ik heb al te vaak met drie volwassenen rond een groot vel papier (de ‘placemat’) gezeten met een stift in de hand om stellingen, associaties of ideeën in onze eigen hoek te krabbelen om daarna in discussie te gaan en het residu van het heen-en-weer gepraat in de centrale rechthoek te kalken. En altijd moet die placemat opgehangen of gepresenteerd worden. En dan? Dan wordt-ie in de prullenbak geflikkerd. Ik ga het niet meer doen. Iedereen kan de pot op met die placemat.

Mijn ergernis hield ik tijdens de cursusdag voor me. Ik volgde netjes de instructies van de cursusleidster die ons met heldere stem bij de les hield. ‘Maar als je dit doet, koppel het wél terug naar je groep’. En: ‘Laat dit duidelijk zijn: alles mág en niets móet’. Tussendoor: ‘Herkennen jullie dit?’ Ik kijk om me heen of ik de enige ben die zich ergert, maar zie collega’s die stilzwijgend knikken. Ze herkennen het. De imposante cursustante windt er geen doekjes om: ‘Je moet tegen jezelf zeggen: ik dóe er toe als ik voor de klas sta’.

Zucht. Ik kan er gewoon niet tegen. Ik weet eigenlijk niet precies waarom, maar ik word opstandig van zulks. En ik ben nog maar net op de onderwijstrein gestapt. Ik ben dertig, maar voel me een cynische oude zak als ik thuiskom na zo’n cursusdag.

Ik denk dat het mij vooral tegenstaat dat wij zo gelaten deze terreur van didactici als een vloedgolf over ons heen laten komen. En dat het schoolbudget dat wél toestaat. Ik, mijn collega’s, maar ook de teamleiders, bestuursleden en directeuren krijgen telkens en opnieuw deze, op beperkte literatuur gebaseerde truttigheid voorgeschoteld. Uniformiteit dreigt. Als mijn collega’s wél met de cursusinhoud aan de slag gaan, zijn de leerlingen straks blij dat ik gewoon op mijn manier lesgeef. Activeren met enthousiasme en inspirerende verhalen mag toch ook nog wel?
Hoe dan ook, de lunch was uitstekend. Nee, geen kwaad woord dáárover.

Trouwens, tijdens de lunch zat ik per toeval naast de cursusleidster. Ik heb haar goed bekeken vanachter mijn broodje, want binnenkort komt ze bij mij in de les, samen met mijn leidinggevende. Er zit niets anders op – we gaan in groepjes werken met placemats, woordspinnen en mindmaps. Voor één keertje dan.

dinsdag 26 oktober 2010

Excursie

We waren die ochtend vertrokken uit Engeland. De excursieweek zat er bijna op. Nog voor Utrecht kreeg ik een Nintendo DS in mijn handen gedrukt: ‘Wilt u ook een keer, meneer?’. Ik dacht niet lang na. De dag was lang geweest, mijn collega’s vervelend en ik wilde afleiding. De rest van de busrit scheurde ik dus in een mal wagentje door de knotsgekke fantasiewereld van Mario en zijn vrienden. Ik nam het op tegen zeven leerlingen die, met de tong uit de mond, af en toe gillend, gefocust waren op hun schermpjes. Vroeger zongen we liedjes als we terugkwamen van excursie. Tegenwoordig gaan we los op dit soort handheld gameconsoles.
Goh ja, de excursie.

Die ene week in het buitenland. Daar heeft iedereen zo zijn herinneringen aan. Excursieanekdotes worden op scholen doorverteld en opgeblazen, totdat de brugklassers die nog niet zijn geweest haast niet meer kunnen wachten. Uiteraard, een excursie heeft een educatief karakter – je bezoekt musea en monumenten – maar daar hebben leerlingen geen boodschap aan. Op de eerste plaats wordt vooral de puberteit gevierd. In veler herinnering vormt het weekje buiten de school een hoogtepunt in de verder zo suffe schooljaren.
Vertel mij wat.

Ik ging in de vijfde klas een week naar Berlijn – ik heb het nog helder voor ogen. We rookten wiet op de hotelkamer, verfden het haar van een vriend paars en gingen pas slapen als de docenten minstens drie keer aan de deur waren geweest. Het was de tijd dat mijn haar nog zo lang was, dat mijn moeder meende dat als ik de foto’s later terug zou zien, ik mezelf niet zou begrijpen. Maar ik begrijp het nog goed, ook al zijn mijn haren korter geknipt.

Én mijn rol is veranderd. Want nu ben ík het die ‘s nachts door de gangen van een jeugdhotel loopt en hier en daar op deuren bonkt, omdat – jongens, ik wil het niet wéér hoeven zeggen – het nu toch echt afgelopen moet zijn. Nu ben ík de boosdoener als ik plotseling de kamerdeur open en vijf meisjes op de kamer van de jongens tref die, nog voor ik iets hoef te zeggen, onder mijn armen door naar hun eigen kamer sprinten. Ik ben streng, want dat vergt mijn rol, maar ik heb tegelijk de neiging om paarse haarverf uit te delen.
Sommige docenten vinden excursies doodvermoeiend. Een excursie bezorgt hen meer stress dan een gewone lesweek op school. Andere zijn er, zacht gezegd, op gebrand met minstens één excursie per schooljaar mee te gaan. De vraag wie meegaat met de excursies neemt voor die personen haast obsessieve vormen aan. Wie gaat er eigenlijk mee naar Berlijn dit jaar? Peter? Maar die zit toch niet in het havo-team? Hij ging toch vorig jaar ook al naar Engeland, met de derde klas? En die cursus. In Spanje? Oef, docenten kunnen zo kinderachtig zijn.

Waar het succes van de excursie bij leerlingen afhangt van de vrijheid die ze nemen of krijgen, hangt een tevreden thuiskomst bij docenten vooral af van de samenwerking met de collega’s. Je zult maar op reis zijn met een stresskip, een snurker, iemand die níet kan lachen om de moppen van de chauffeur, of iemand met een dieet, zodat je de hele stad door moet op zoek naar het juiste broodje en die ook het geld beheert en elke kop koffie één teveel voor het budget vindt. Dan valt het niet mee.

Nee. Dan kun je beter terugvallen op de leerlingen. Die zijn altijd goedgemutst. Ik heb een week na thuiskomst van de excursie naar Engeland hetzelfde spel aangeschaft voor mijn eigen spelcomputer. Het is herfstvakantie, dus ik heb alle tijd om te racen.

dinsdag 12 oktober 2010

Een stukje

Ik kan er maar moeilijk een verklaring voor vinden, maar mijn gezicht betrekt bij het horen ervan. Ik kan niet anders dan fronsen en wegkijken naar een denkbeeldig punt net achter mij als het mij ter ore komt. Ik krijg er een vreemde smaak van in mijn mond. Ik begin zenuwachtig aan iets te krabben. Aan een oorlel of een knie. Ik wil opstaan en met de handen op de oren wegrennen. Aan de andere kant: het went. Maar langzaam.

Het is die kantoortaal. Dat vreselijke managersjargon dat als kruipolie het onderwijs binnen is gekropen. Misschien is het geen probleem, maar slechts een uitdaging, misschien heb ik de ontwikkel- en actiepunten niet helemaal helder, maar tjonge, ik probeer het een plekje te geven en bedankt voor je waardevolle opmerking, we nemen het mee. Dát werk.

Een groot deel van mijn ergernis komt voort uit de woordkeuze die de communicatie binnen de school betreft. Alsof communicatieproblemen opgelost worden met dat wollige, bij dat soort cursussen en in dat soort kringen opgestoken, vocabulaire. Opeens moesten er dingen ‘teruggekoppeld’ worden. Even dacht ik nog: ah, gelukkig, een versnellinkje lager, maar toen bedacht ik: nee, blijkbaar wordt er eerst iets heengekoppeld! Iets moet heengaan om terug te komen, niet waar? Maar hoe ik ook keek en luisterde, ik wist niet wat. Nu begrijp ik inmiddels dat ik gewoon iets van me had moeten laten horen. Zég dat dan!

Ook werd er steeds meer informatie ‘doorgecommuniceerd’, nadat het kennelijk eerst gecommuniceerd was naar iemand, als in: “Ik zal deze aantekening even naar Henk communiceren. Hij communiceert het door naar Peter.” Ook de ‘externe communicatie’ en hoe dingen ‘naar buiten toe’ gepresenteerd werden, bleken ‘speerpunten’ bij uitstek. Als iemand vroeg: “Zeg, wil jij dat even oppakken?”, keek ik altijd zoekend naar de grond, de armen vragend geheven, de handen bijkans in het haar. Maar zo tackel je natuurlijk nooit een probleem. Wie weet, misschien was ik wel niet pro-actief genoeg of me niet bewust van de doelstellingsgebieden. Wist ik veel dat een bilaatje een gesprek onder vier ogen betekende. Een bilateraaltje. Hoe kom je er op? Bilateraal gebruik ik alleen als het gaat over internationale politiek.

Men gooide ook dingen op de mail of over de schutting als er een e-mail werd verstuurd of als iemand anders opgezadeld werd met het nare werk. Alsof het niets was werden zaken over het kwartaal getild. Nee, zeg dan gewoon dat het geld op is.

Van buiten het continent kwamen de bottleneck, de feedback, de waardevolle input en het ‘out-of-the-box-denken’. Die laatste snapte ik lange tijd niet, want als je buiten de denkkaders wilt treden, dan denk je eerder ‘outside the box’. Als ik ‘out-of-the-box’ hoor, denk ik aan een smakeloze pizza met slappe bodem, die te laat en al afgekoeld aan de deur bezorgd wordt. Hup, zo uit de doos de vuilnisbak in.

De sms- en chattaal van de scholieren wordt vaak weggezet als taalverloedering en misschien zelfs als de oorzaak van taalachterstanden op de middelbare school. Maar alsjeblieft zeg, de modewoorden uit de managementkringen zijn toch helemaal niet te pruimen? Ik hoor liever een puber epic fail zeggen, dan een teamleider hands-on-mentaliteit.

Bijna onopgemerkt is in een kleine tien jaar tijd de bedrijfstaal er doordrenkt mee geraakt. Met dat managersjargon. Ik verweer me hevig, maar het is als een virus. Natuurlijk, ik moet dicht bij mezelf blijven, ik moet gewoon mijn ding blijven doen. Aan de andere kant, het is de kunst van het loslaten, inderdaad. Ik doe mijn best. Maar het is gewoon een stukje ergernis.

donderdag 16 september 2010

De poes is in de tuin

De eerste schoolweken zijn altijd hectisch, maar dit jaar duizelt het me als nooit tevoren. Ik behandel de Renaissance met de tweede klassen, de prehistorie en oude beschavingen met de vierde klassen en de Nederlandse parlementaire geschiedenis met de examenklassen. Ik geef les aan havo, vwo en gymnasium, ben bezig met een vakoverstijgend project, probeer namen te onthouden en een sectie voor te zitten. Tussendoor saus ik muren en plafonds, ruzie ik met mijn vrouw, schilder ik kastjes en pak ik dozen in en uit. Terwijl ik gisteren met mijn schoonmoeder voor de veertiende keer telefonisch overleg voerde over de gordijnen, reed ik pardoes de verhuiswagen tegen een viaduct dat ik verkeerd inschatte. Het jaar begint fraai.

Mijn vrouw en ik zijn verhuisd naar een woning nabij het plantsoen. Het is een schippershuis uit het einde van de negentiende eeuw. We kochten het van een eloquente dame die er 23 jaar had gewoond. Ze had de woning eind jaren tachtig betrokken toen ze vijftig was en nog klassieke talen doceerde aan een gymnasium.

Ik bezocht de woning voor het eerst zo’n drie maanden geleden. Het huis stond vol met boeken, rook naar katten en ademde de klassieken. De dame en ik spraken elkaar kort. Ze plande een reis naar Italië op haar laptop. Ze was duidelijk bij de pinken. Haar kat heette Hannibal. ‘Toch niet de Carthaagse generaal Hannibal, de schrik van Rome?’, vroeg ik haar. Ze lachtte: ‘Ik ben bang van wel…’.

Enige tijd terug liet ik haar naam vallen in de personeelskamer. Mijn collega van Latijn keek op. Mevrouw van Assendelft zei je? M. van Assendelft? De kiene dame bleek de schrijfster te zijn van Via Nova, misschien wel het meest gebruikte lesboek voor het schoolvak Latijn.
Iedereen die als leerling gewerkt heeft met Via Nova herinnert zich nog de avonturen van de tweeling Marcus en Lucius Flavus. Ecce, Lucius Claudius Flavus. Flavus est pater. Pater in tablino sedet, zo luiden de eerste zinnen van het boek: Kijk, daar heb je Lucius Claudius Flavus. Flavus is vader. Vader zit in het werkvertrek.

Mevrouw van Assendelft schreef het boek in wat vroeger haar en thans mijn werkvertrek is. Dat is een inspirerende gedachte. Ze schreef die eerste zin en de volgende misschien wel daar waar ik nu zit. Natuurlijk, ze sliep net zo goed in de kamer die nu onze slaapkamer is, ze kookte in de keuken waar wij nu ook ons eten bereiden, liep over dezelfde eikenhouten vloer en warmde zich in de winter aan dezelfde haard – maar het idee dat ze met hetzelfde uitzicht, met dezelfde achtergrondgeluiden, hetzelfde licht, tussen dezelfde muren en onder hetzelfde plafond gewerkt heeft aan een lesmethode voor middelbare scholieren, dáár word ik warm van.

En niet alleen dat, ze heeft bovendien honderden, misschien wel duizenden lessen voorbereid in dat kleine vertrek. Noem me gevoelig, maar ik geloof dat ik van dat verleden ga profiteren. Die werklustige, intellectuele vibe is niet meer uit die kamer weg te sausen, hoe hard mijn moeder het ook heeft geprobeerd.

De werkkamer kijkt uit op een kleine achtertuin die omringd wordt door schuttingen. Feles in horto est, schreef mevrouw van Assendelft aan haar bureau: de poes is in de tuin. Maar Hannibal is verhuisd. En wij hebben besloten geen poes te nemen.

woensdag 1 september 2010

Sessie op de hei

Zeven weken vakantie gaan je niet in de koude kleren zitten. September naakt en dus begint het Grote Omschakelen. De pittoreske Franse landweg tussen de wijngaarden slingert nog vers door het geheugen, maar is opeens de A7 richting Drachten. Barbecue wordt teamvergadering. Happy hour wordt nablijfuur. ‘Kom er gezellig bij zitten’ wordt ‘Ga je maar melden’. Vrienden worden collega's. Zomer wordt herfst. De avonden donkeren al. Nee, ik zeg het, het is afzien.

Directies sluiten de vakantie niet zelden af met een zogenoemde ‘sessie op de hei’. Daar wordt dure wijn bij gedronken, stel ik me zo voor, om vrijuit te kunnen spreken en om met elkaar te kunnen lachen. Misschien komt er een flink betaalde spreker te gast die een cursus aanbiedt over probleemgericht oplossen, zelfreflectief leidinggeven of zen-boeddhistisch vergaderen. Dat is dan allemaal mooi meegenomen. Maar ik hoop, en dat doe ik ten zeerste, dat directies tijdens hun sessie op de hei vooral praten over de inhoud van het onderwijsbedrijf waar zij leiding aan geven.

Het schijnt mij na vier schamele jaren onderwijservaring toe, dat binnen veel scholen niet de inhoud, maar vooral de vorm toonaangevend is geworden. Scholen zijn bedrijven die zichzelf presenteren in een glossy met fraaie cijfers en mooie plaatjes. Zoals in een campinggids een 'rustige gezinscamping' beschreven staat, maar níet de caravanburen, die de nachtelijke gewoonte hebben vloekend en schreeuwend met elkaar te praten. Of dat het 'ruime, schone zwembad' een bomvol hutjemutjebad blijkt, waarin gillende kleuters hun plas de vrije loop laten - de gids maakt er geen gewag van.

Ik wil weten wat ik aan een school heb, zoals ik ook wil weten wat ik aan een camping heb. Ik wil kwaliteit.

Je kunt er als directie alles aan doen de doorstroom van leerlingen te bevorderen, maar dit mag niet ten koste gaan van de kwaliteit van het onderwijs. De overgangsnorm versoepelen, zodat opeens 15 % meer leerlingen naar havo 4 kan – zo is elke kwibus in staat probleemgericht op te lossen. Maar de kinderen die anders niet, maar nu wel zijn overgegaan hebben minder in hun mars dan de leerlingen die een jaar eerder doorstroomden. De kans is groot dat zij op hun weg naar het examen zullen sneven.

Uniformering, door bepaalde regels te laten gelden voor alle vakken, is ook zoiets. Tuurlijk, de inspectie vindt het overzichtelijk en de ouders snappen het zo ook beter. Lekker transparant zo. Maar als bijvoorbeeld een maximum aantal toetsen per vak wordt ingesteld, betekent dat voor sommige vakken een didactische degradatie. Vakdocenten weten zelf het beste hoe en wat er wanneer getoetst moet worden, dat is niet aan managers.

Het verschil tussen de schoolexamencijfers en de eindexamenresultaten kan tot een minimum beperkt worden – naar de pijpen van de inspectie – door de schoolexamens door te schuiven naar het examenjaar, maar als dit botst op vakinhoudelijke bezwaren, brand je vingers er niet aan. Een nieuw schoolgebouw – o, dat moderne! – kan geënt zijn op didactische noviteiten, maar als die elders gedoemd tot mislukken blijken, wijzig dan de bouwplannen. In hun keuzes lijken directies vooral gestuurd door de inspectie, de media, de trends en door media- en trendgevoelige ouders, maar weinig door docenten.

Natuurlijk telt de vorm, en dat is ook waar directies zich mee bezig moeten houden. Maar laat de verpakking niet ten koste gaan van de content, want inhoudelijke kwaliteit is uiteindelijk de beste reclame die een school zich kan wensen. Ik hoop dat de wijn op de hei uitmuntend was.

woensdag 23 juni 2010

Vreemd haar

Zoals altijd werd enkele dagen voor de Tweede Kamer verkiezingen op honderden scholen middels schaduwverkiezingen gepeild wat middelbare scholieren zouden stemmen als ze dat toegestaan werd. Niet zelden geeft de uitslag van deze spek-en-bonen-verkiezingen de heersende tendensen in het land vergroot weer. Jongeren zijn sterker geneigd tot extremen, maar ook trendgevoelig en daarom verontrust de uitslag mij niet al te zeer.

De PVV werd de grote winnaar, gevolgd door de VVD. De dagelijkse peilingen hadden al de ouderlijke en grootouderlijke neiging daartoe getoond. Zoals de ouden zingen, zo piepen de jongen. De SP en het CDA incasseerden inderdaad het grootste verlies. Net echt. Bij de gemeenteraadsverkiezingen afgelopen maart was de PvdA nog de grootste partij. Jongeren gedragen zich naar trends. En Geert Wilders is momenteel een trend.

Tieners zijn niet bezig met de verhoging van de AOW-leeftijd of met de hypotheekrenteaftrek. Een miljoen meer hier, een miljoen minder daar, een procent zus en een procent zo – het laat ze koud. Je zou denken dat ze zich misschien zorgen maken over het milieu, of over armoede, maar helaas, uiteindelijk vindt een groot deel het gewoon cool, stoer en kicken om te stemmen op jan Klaassen en zijn poppenkast. Op tv hoorde ik een meisje haar stem op de PVV toelichten: ‘hij heeft zulk vreemd haar’, giechelde ze. Aha, vreemd haar. Persoonlijk vind ik dat koningin Beatrix vreemd haar heeft, maar daarom ben ik nog geen voorstander van de monarchie.

Als ik in een willekeurige klas vraag wat mijn leerlingen zouden stemmen, is er altijd een flapuit die met een grote grijns ‘Wilders’ roept. Als ik vraag naar een motivatie, dan blijkt die te ontbreken. De grapjas riep ‘Wilders’ zoals hij ook ‘Terror Jaap’ zou roepen als ik had gevraagd naar zijn favoriete Gouden Kooi personage, of ‘Maradona’ wanneer gevraagd naar zijn favoriete bondscoach. Zo werkt dat dus. Opvallende types scoren, ongeacht hun verleden, hun wanstaltig gedrag of hun discriminerende opmerkingen, enkel en alleen omdat ze in het oog springen, omdat ze karikaturen zijn.

Bij het doorbladeren van een schrift stuit ik zelfs nog wel eens op een hakenkruis. Die leerling is uiteraard geen supporter van de holocaust, maar hij vond het ongetwijfeld stoer dat weerzinwekkende symbool in de kantlijn te krassen. We zouden de jeugd echter overschatten als we achter elke uiting een doordachte motivatie vermoedden.

Je zou ook kunnen denken, de jeugd stemt niet op een poppenkast, maar heel rationeel, want tégen de machthebbers die er een soepzootje van hebben gemaakt. De blonde Mozart-lookalike uit Venlo is een populist; de regerende partijen worden door hem afgeschilderd als een elitair clubje en alle Henken en Ingrids in het land zijn daar de dupe van. Een stem op de PVV is dus een tegenstem en daar houden jongeren van, lekker tegen zijn. Waar het tegengeluid vroeger aan de linkerkant van het spectrum zat, vinden we dat tegenwoordig ter rechterzijde.

Maar ik betwijfel dat. Dat strijdlustige elan is de jeugd sinds de democratisering van de welvaart kwijt, maar om nu te zeggen dat de volgende generatie kiezers uit intolerant hout is gesneden, dat is overdreven.

Als de Surinamer Elia een passeerbeweging maakt, of als de Marokkaan Afellay de bal dood op zijn voet legt, is het de jeugd die het hardst op de vuvuzela blaast.

woensdag 9 juni 2010

Infobees of webwurm?

Ik keek niet op toen vriend D onlangs opbiechtte dat hij lijdt aan infobesitas. ‘Ik heb last van infobesitas’, zei hij. ‘Dat weet ik’, zei ik. ‘En je vindt het nog cool ook.’ Vriend D is verslaafd aan informatie. Zonder internet is hij onthand en rusteloos. Met zekere regelmaat heeft hij een informatie-injectie nodig. Dan checkt hij zijn mail of surft van link naar links over het internet. Daar wordt hij kalm van.

Infobesitas dus. Een nieuwe ziekte. Een trendy ziekte zelfs. Eind vorig jaar stond de term opeens bovenaan de toptien van jongerentrends van 2010 en schijnbaar komt de voorspelling uit, althans in zoverre dat de benaming voor informatieverslaving steeds vaker opduikt. Ik vind het zorgelijk dat iets met de naam van een ziekte aangeduid wordt als trend.

Infobesitas bestaat, maar nu ik er over nadenk geloof ik niet dat vriend D infobees is. Hij is eerder een webwurm, iemand die naar parels vist in een grote oceaan. Hij weet de knikkers van de stront te scheiden. Hij zoekt naar oorspronkelijkheid, naar originele uitingen op het web. En daar zijn er genoeg van.

De infobees daarentegen is het om het even welke informatie aangeboden wordt en slurpt alles blind op. De stereotiepe patiënt is een tiener die 75 sms’jes per dag verstuurt, er evenzoveel ontvangt, die onrustig wordt zonder mobiel, die lid is van minstens drie sociale netwerksites en die op de hoogte móet zijn, want al het nieuws – hoe triviaal ook – is superbelangrijk.

De datastroom lijkt eindeloos en veroorzaakt daarom stress. De oorzaak is voornamelijk peer-pressure: het idee niets te mogen missen, omdat je dan een stap achterloopt op de rest.

Een flink deel van mijn leerlingen is patiënt. Het is aan het onderwijs om leerlingen wegwijs te maken op het internet. In de eindeloosheid van de informatie zitten juist de mogelijkheden. Van infobesen moeten we webwurmen maken.

Het is een veelgehoorde klacht dat leerlingen onzorgvuldig hun bronnen kiezen. Teksten worden niet meer gelezen, maar direct gekopieerd en geplakt in het verslag. De informatie die gebruikt wordt staat onder de eerste hit die Google levert – dus elk levert hetzelfde werkstuk in. Google als gezaghebbende autoriteit op het gebied van… Tja, autoriteit op álle gebieden!

De oplossing? De informatie optimaliseren. Internetbronnen kunnen spelfouten bevatten, zijn vaak onvolledig of slecht geschreven. Sites als Wikipedia zijn open-source – met andere woorden: iedereen kan meeschrijven. Laat leerlingen eens een tekst aanvullen, verbeteren, of laat ze een eigen mening over de aangeboden informatie formuleren. Of laat ze reageren op samenvattingen, werkstukken en websites van leerlingen van andere scholen.

Overigens, ik zeg niet dat het gebruik van internet een doel in het onderwijs moet zijn, maar verstandig gebruik van internet moet dat wél zijn.

Eerlijk gezegd herken ik zelf ook die welhaast onstilbare honger naar informatie. Als ik mijn mobiele apparaat niet in mijn broekzak vind, omdat die ergens is blijven liggen of als de batterij leeg is, dan word ik een beetje nors. Wanneer ik mijn mail niet kan checken, begint er iets te knagen. Ik móet online zijn, anders voel ik me gemankeerd, alsof ik oogkleppen draag. Offline zijn veroorzaakt een onrustig gevoel.

Infobesitas dus. Een kinderziekte. Het fenomeen dat we via smartphones non-stop online zijn is relatief nieuw. Niemand heeft de kinderen in mijn klas verteld hoe je om moet gaan met die eindeloze stroom data. Iemand met infobesitas moet gezond gaan surfen. Maar dat moet je wel leren.

woensdag 26 mei 2010

Observaties van een surveillant


-->
Ik zit nog maar net op mijn surveillancepost als buiten de zon gaat schijnen en een vaal licht de gymzaal binnenvalt. Aan de muur is een geel papier gehangen dat een verzoek laat lezen: wil diegene die thee wenst, het roerstaafje dwars op de beker leggen. Langs de halfgeblindeerde ramen van de gymzaal schieten de schaduwen van vogels. Het zijn meeuwen en kraaien. Er start een brommer. Enkele leerlingen kijken geërgerd op, maar al snel ebt het ronkende geluid in de verte weg. Dan is het weer muisstil in de examenzaal – iedereen is geconcentreerd.
Vandaag is het de eerste examendag. Ik zit bij het examen Nederlands. Op Twitter is dit examen vandaag in Twitter-jargon trending, dat wil zeggen wereldwijd één van de meest besproken onderwerpen op de site. Examenleerlingen delen hun stress, emoties en klachten op internet. Dat doen ze meer dan ooit.
Als surveillant mag je niets doen, behalve leerlingen voorzien van een nieuw vel papier of hen begeleiden naar het toilet. Toch kan mijn collega van wiskunde het niet laten met zijn grafische rekenmachine te spelen. Af en toe loert hij over zijn leesbril en scant hij de rijen op zoek naar opgestoken vingers.
Op elke tafelhoek staat een plastic automaatbeker in een bruine houder; bij de koffiedrinkers met het roerstaafje er naast, bij de theedrinkers er dwars op.
Daar zeg je zo wat. Waar blijft eigenlijk de koffie?
Tegenover mij, aan de andere kant van de zaal, zit een collega van geschiedenis. Hij grijnst. Vanuit onvrede met de gang van zaken op school bedacht hij ooit de kreet ‘een erectie tegen de directie’. Ik herinner het me en grijns terug. Hij maakt met gebolde wangen en grote ogen – als blies hij een ballon op – duidelijk dat het hem allemaal te lang duurt. Hij zat liever op zijn motor. De zon is immers gaan schijnen.
De in strakke rijen opgestelde tafeltjes, elk voorzien van een nummer, de geur van jarenlang zweten in de gymzaal, de blauwe vloer met lijnpatronen, het gymmateriaal in de berging – die sfeer bekoort mij zeer. De meegebrachte boterhammen, mueslirepen, het knisperen van sultanaverpakkingen, het openen van blikjes energydrink. Kliksssshhh! De klimwand, de nooduitgang, het knagen aan de pen. Het verzitten. Benen over elkaar en weer niet. Hier en nu moet het gebeuren. In drie uur de helft van je schoolcijfer scoren. Wippende voeten. Gedoe met haar.
De stilte.
Tsja, hier en nu. Dat was voor de leerlingen tot dusver vooral het motto búiten school.
Daar is de koffie. Ik lees nog eens het verzoek op het gele papier. Als je een roerstaafje op een beker legt, leg je dat dan niet per definitie dwars erop?
Na de koffie en thee gaan er vingers omhoog. Er gaan vooral veel meisjes naar het toilet – mijn geschiedeniscollega blijkt later te hebben geturfd. Slechts één op de zeven toiletgangers was een jongen.
Bij de ingang, naast een doos automaatbekers – 3000 stuks 180 cc wit – liggen de talloze mobiele telefoons op een tafel. Daarop schrijven de leerlingen na afloop hun sms’jes, krabbels en tweets. Over hoe het ging. Hoe zwaar kut het was of hoe fucking simpel misschien.
Ik neem een slok van mijn koffie en kijk opzij. De muurklok zit in een kooi, beschermd tegen rondvliegende ballen. Nog een uur te gaan. Ik mag niets doen. Mijn collega’s evenmin.
Tweet. #Gymzaal: Surveilleren bij examen Nederlands. Wachten op vingers. Gelukkig koffie.

dinsdag 11 mei 2010

Collega van L.O.

Het was leuk opgezet en ik ben blij dat ik de tweestrijd won, maar had ik de grimmigheid van het duel voorzien, ik had er vermoedelijk voor bedankt.

Mijn collega N. is van de sectie lichamelijke opvoeding – hij is sportief, competitief, zelfverzekerd en kent geen ander doel dan de overwinning.

En bij verlies is er het excuus.

Toen ik de trofee had ontvangen en even later met collega N. alleen was, vertelde hij me lachend dat hij de jury had geïnstrueerd mij op het tweede onderdeel te laten winnen. Heus, dat zei hij. Dat hij me ronde twee had láten winnen.

Enfin.

Eindexamenleerlingen hadden collega N. en mij uitgedaagd voor een tweegevecht dat gefilmd werd en op de laatste schooldag in een overvolle aula getoond zou worden.

Zo zagen de leerlingen ons in de supermarkt, als bezetenen. In twee minuten voor zeven personen eten kopen voor niet meer dan een tientje. Ik verloor omdat ik 32 eurocent teveel aan artikelen in het wagentje had. De aula hoorde collega N. gnuiven: ’32 cent Posthumus! Net teveel! Jammerrr!’.

Wat de leerlingen in de aula niet zagen was dat een halfuur voordien wij elk in de auto met enkele leerlingen richting supermarkt waren gereden. Ik had nog maar net een week mijn eerste auto. Collega N. reed in zijn snelle Volkswagen achter mij, op bepaalde momenten wild claxonnerend en flitsend met zijn groot licht. In mijn spiegels zag ik de grote grijns in de auto achter mij. Mijn rug prikte van het zweet, vooral toen ik tot groot genoegen van collega N. de parkeergarage miste. Na de supermarkt stond het 1 – 0 in mijn nadeel.

Op weg naar mijn woning – waar de tweede ronde zou plaatshebben – wederom getoeter en verblindend licht. Het scheen me toe dat de strijd was losgebarsten als een onweer dat nog wel even aan zou houden.

Ronde twee was een kookwedstrijd, wederom gejureerd door de filmende leerlingen. Er moest een pasta geserveerd worden, bereid met de in de supermarkt aangeschafte producten. Collega N. verstopte mijn teentjes knoflook, maar faalde in timing en accuratesse. De aula zag hoe ik in mijn bloemetjesschort uiteindelijk de tweede ronde binnensleepte. Het stond 1 – 1. Dat collega N. achteraf zei dat hij mij de ronde cadeau had gedaan vond ik een onbetamelijke belediging. Mijn pasta overtrof de zijne qua smaak én presentatie.

De filmbeelden toonden overigens niet dat ondertussen in de woonkamer mijn spelcomputer was aangezet. Terwijl de pasta op het vuur stond, waagden collega N. en ik ons aan een partijtje bowlen. Leuk, zou je zeggen, maar dat collega N. mij af en toe aanduwde als ik aanlegde voor een strike, ervoer ik als kinderachtig en onnodig.

Ronde drie was beslissend. Het aanvankelijke plan van de leerlingen ons zoveel mogelijk telefoonnummers van vrouwen te laten verzamelen werd eensgezind verworpen. Collega N. vond verliezen een te groot risico en ik bedacht me tijdig dat het een beschamend schouwspel zou zijn geworden.

Het kwam daarom op een wat flauwe schattingsvraag aan. Ik won, omdat ik vrij nauwkeurig de leeftijd van de mensen in de kroeg wist te raden. Ik kreeg een bierglas met fietsbel en was vooral opgelucht dat het afgelopen was.

Collega N. bracht de nacht door op mijn logeerbed, maar was ’s ochtends al vroeg vertrokken. Bij de vertoning van de filmbeelden in de aula tijdens de laatste schooldag heb ik hem niet gezien.

woensdag 28 april 2010

Proost! Op de tieners

Kortgeleden is in kaart gebracht dat in Nederland zo’n vijftienhonderd zogenaamde drinkketen staan, voor een groot deel in de provincies Friesland en Overijssel. Een andere recente publicatie laat lezen dat het aantal jongeren dat opgenomen wordt met een alcoholvergiftiging het afgelopen jaar is toegenomen tot meer dan vijfhonderd per jaar.

De reactie is altijd dezelfde. Onze jongeren! Met hun tere hersenen! Zie hoe ze op YouTube emmers bier wegdrinken alsof het water betreft na een week in de woestijn. Er moet iets gebeuren! De reacties zijn overtrokken. Het is waar, de fontanel heeft zich nog maar pas gesloten, maar het probleem moet niet groter gemaakt worden dan het is. Ik hef daarom het glas op relativering.

In de media komt een verwrongen beeld van de tiener naar voren. Ze worden bij de haren gepakt en gezamenlijk neergezet als alcoholverslaafden. Met terugkerende termen als zuipkeet en comazuipen wordt het plaatje nog somberder. Alsof tieners zich in het weekend en masse terugtrekken in dat hok in de weilandhoek om zichzelf bewust tot een coma te drinken.

Dat is een bezopen generalisatie. Veel van mijn leerlingen van vijftien of zestien hebben nog nooit een druppel alcohol geproefd. Anderen zeggen wel eens aangeschoten of dronken te zijn geweest, maar uit alles blijkt dat het doorgaans allemaal nog erg onschuldig is. Ik maak me niet ongerust over de tieners. Ze zijn precies als hun voorgangers, ze zoeken af en toe de grens op, maar kennen hun verantwoordelijkheid.

Tuurlijk. In de weekenden gaan ze naar hun keet, of naar donkere hangplekken met een plastic tas vol blikbier of mierzoete kleurdrankjes. Er wordt wat wiet gerookt en soms fietst er een de sloot in. Maar zo hoort dat als je jong bent. Er zijn in Nederland twee miljoen tieners die experimenteren. Dat moet je ze gunnen, maar vertel ze wel dat buitensporigheid nooit gewoon mag worden. Waarschuw ze en licht ze goed in.

De VNG wil nu de leeftijdsgrens voor het kopen van drank verhogen van zestien naar achttien jaar. Een zot plan. Met softdrugs werkt dat ook niet. Probeer eerst eens een strengere handhaving van de huidige leeftijdsgrens. Bestraf supermarkten die de regels overtreden. Een leeftijdsverhoging zal de excessen niet voorkomen. Sterker nog: het aantal uitspattingen zou waarschijnlijk toenemen omdat de controle afneemt.

Boven alles: breng het woord comazuipen niet in verband met de jeugd. Een coma is nooit het doel. Beschuldig mijn leerlingen er niet van dat ze zich bewust bewusteloos drinken. Zijn het niet vooral volwassenen die in staat zijn zich bewust de zorgen uit de kop te spoelen met alcohol? Het is misschien juist die begerenswaardige zorgeloosheid van de jeugd die de overspannen reacties heeft gewekt. De mens is van zichzelf een jaloers wezen, vooral als het jeugdigheid betreft.

Dus wat zou het. Proost! Gun de jeugd de jeugd, maar schilder ze niet af als een stel bezopen idioten. Geef toe, het liefst zouden we er allemaal onbekommerd er op los leven. Helaas leveren we met het passeren van de jaren steeds meer van onze jeugdige vrijheid in. Dus als er al een levensfase is waarin je de sloot in fietst door een biertje teveel, laat het dan de tienerjaren zijn. Ik vind het beeld van een beschonken volwassen man bedekt met eendenkroos tamelijk sneu, maar een jonge knul het water in zien slalommen, daar lach ik hartelijk om.

woensdag 14 april 2010

Meisjes zijn beter

Meisjes. Je moet er van houden. Maar als je er van houdt zijn ze geweldig. Je hebt meisjes in alle maten en soorten. Ze zijn dun, dik, luid, stil, links, rechts, dromerig, scherp, stoer, bescheiden, donker, blond, emo, alto of hip, maar als het er op aan komt zijn ze zonder uitzondering serieus. Ze heten Selena, Thirza, Elise, Janna en Laura. En ze zijn mooi. Meestal zijn meisjes op de eerste plaats mooi. En als het lente is, zijn de meisjes nog mooier.

Het zit ze mee. De meisjes hebben de wind flink in de zeilen. Ze blinken uit en laten de jongens achter zich. De oorzaak is zonneklaar: het onderwijs is als een rode loper voor de vrouw geworden.

Op crèches, naschoolse opvang en kleuterscholen is de man een nagenoeg uitgestorven soort. In het basisonderwijs is het plaatje niet anders: vier op de vijf leerkrachten daar is vrouw. Voorlopig zal deze samenstelling ook niet veranderen, want de pabo blijft slecht in trek bij mannen.

Dat lijkt nadelig voor jonge jongens, want die hebben volwassen ballen nodig om zich aan op te trekken. Jongens moeten op jacht, ze moeten rennen, onderzoeken en schreeuwen. Anders schieten ze in de stress. Meesters laten de jongensapen daarom lekker uitbrullen op het plein, maar juffen roepen de druktemakers eerder tot de orde.

Ondertussen kleuren de meisjes fijn tussen de lijntjes. Geconcentreerd en met de tong in de mondhoek. Ze wachten hun successen rustig af. En ze observeren. Jongens hollen, gooien en trappen, terwijl meisjes de kunst afkijken van volwassenen. Daarom leren ze sneller.

Net chimpansees.

Ook biologisch zijn jongens telkens net enkele stappen later. Jongens hebben nog nauwelijks een haar in de okselholte, als meisjes al hun eerste bh uitzoeken bij de h&m.

In groep 8 zijn de prestaties van jongens en meisjes niettemin vergelijkbaar, maar eenmaal op een middelbare school lopen jongens sneller tegen een muur op. Dat komt enerzijds omdat hun taalontwikkeling achterligt. Anderzijds vindt dat zijn oorsprong in het ‘taliger’ worden van het onderwijs.

Sinds de Tweede Fase is de nadruk komen te liggen op zelfstandigheid, plannen, werken in groepjes, het schrijven van verslagen en presenteren, kortom, op verbaal-linguïstische vaardigheden waar meisjes beter raad mee weten. Bovendien zijn ook exacte vakken als wiskunde en natuurkunde veel taliger geworden. De focus op abstract-ruimtelijk is verlegd naar een meer linguïstische bedrevenheid. De meisjes glunderen. Redactiesommen! Een ramp voor jongens en zeker voor hen die thuis geen Nederlands spreken.

Deze schoolse manier van werken wordt bovendien steeds meer gekopieerd in het hoger onderwijs en op de arbeidsmarkt. Op hbo’s en universiteiten zijn pop-verslagen en tussenevaluaties gewone elementen in het curriculum geworden. Jongens verliezen van de weeromstuit alle motivatie; meisjes plannen, schrijven en babbelen zich er doorheen.

Aangezien meisjes beter scoren op het Centraal Examen, worden zij buitendien in grotere getale toegelaten tot studies met een gewogen loting, zoals geneeskunde. Tel hier het pabo-probleem bij op en constateer dat de twee grote probleemposten van de overheid, onderwijs en zorg, de komende halve eeuw door vrouwen gedomineerd zullen worden.

Maar voorlopig kraaien in de top nog steeds de mannen. Boven op de heuvel zijn ze nog in hun element, omdat ze daar nog mogen hollen, trappen en spelen. Omdat ze mogen schreeuwen en brullen als apen. Maar let op! Op een dag schrijven ze hun eerste pop- of zelfreflectieverslag, letten ze even niet op en zwaait een vrouw de scepter. Dat is een kwestie van tijd.

dinsdag 30 maart 2010

Wachten op de tjiftjaf

In de vroege ochtend worden aan de zonkant van het schoolgebouw de zonweringen naar beneden gelaten. Het wordt snel heet in de lokalen. Ik laat het zonnescherm omhoog, geef de zon vrij spel in het lokaal een gooi de ramen open. Naast mijn lokaal op de derde verdieping is een klein hoekje groen aangelegd. Alsof de natuur zelf het boetseerwerk deed bestaat het uit een slingerpad, een kleine waterpartij, wat bomen en enkele struiken. Ik luister. Nog steeds geen tjiftjaf. Dus nog geen lente.

Als de leerlingen het lokaal binnenkomen hoor ik van buiten de het zachte koeren van een houtduif. Ik maan de groep tot stilte, houd een opgestoken vinger naast mijn oor en wijs ze op het geluid. Kennen jullie dit geluid? Dat is de houtduif! Ja, roept een meisje enthousiast, dit hoor ik altijd op de camping! Ik doe het raam nog verder open en probeer te communiceren met de duif door op mijn bijeengehouden handen te blazen. Even later doet de hele klas met gebolde handen een houtduif na: roe-koeeee-koeee-koe-koe. Dan zie ik plots twee eksters op het schooldak. Kijk! De Pica pica! Iedereen kijkt. Het klassikale koeren verstomt.

Een beetje docent houdt er een merkwaardige hobby op na: een eigenaardige buitenactiviteit (hij van natuurkunde vangt nachtvlinders), een stiekeme verzameldrift (hij van klassieke talen verzamelt modeltreintjes en spendeert soms een weekloon aan één locomotiefje) of kennis van buitengewone zaken (zij van Frans weet alles van Italiaanse wijnen). Leerlingen zien er een sport in deze zwakke plek te ontdekken en er af en toe naar te vragen. Toe meneer, vertel nog eens over uw modeltreintjes. De docent houdt de boot eerst af, want zo hoort dat, maar geeft graag toe. De kinderen zakken onderuit, luisteren en stellen vragen om maar niet aan Latijn te hoeven beginnen. Als de bel gaat is het bord veranderd in een plattegrond van het spoorwegennet op de zolderkamer van meneer Reinders die rode konen heeft van enthousiasme.

Zelf had ik een docent wiskunde die verzot was op orgels. Ik was verzot op zijn dochter én op zijn bordtekeningen van kerkorgels waar hij soms een halve les mee bezig was. Mijn docent Nederlands was vooral bioloog. Hij kon met geweldig enthousiasme vertellen over zeldzame mossoorten in de omgeving van Buitenpost. Mijn gelukkigste momenten op school waren die, waarop de boeken in de tas bleven en de docent zijn stokpaard van stal haalde. Zeg kinderen, heb ik jullie wel eens verteld dat ik in mijn vrije tijd de vrije natuur in ga om paddestoelen te fotograferen? Nee, meneer! Grinnik. Vertel! Een docent zonder merkwaardige hobby is invalide.

Mijn extra-curriculaire specialisatie is de vogelliefhebberij. Niet dat ik erg veel van vogels weet, maar ik doe graag alsof. Mijn kennis van vogels rond het huis is weliswaar indrukwekkend, maar kom alstublieft niet met steltlopers aanzetten.

Nu een jonge lente binnenwaait overweeg ik zelfs hagenpreken te organiseren, lessen in de buitenlucht, om tussen de instructies door te kunnen wijzen op het geluid van het winterkoninkje, de merel, het roodborstje en de verschillende mezen.

Maar het wachten is op de tjiftjaf. Hier en daar al gehoord in den lande, maar nog niet in de boomtoppen naast mijn lokaal. Als het zover is stop ik de geschiedenisles, zet ik het raam wagenwijd open en ga ik luisteren met de gelukkige leerlingen die ik op dat moment doceer. Samen horen we dan dat de lente is begonnen.