dinsdag 18 september 2012

Schoolbandjes


Op de middelbare school in Buitenpost hadden mijn vrienden en ik een band. Of nee, we hadden een bandje. Zo heette dat en zo heet dat nog steeds. Je speelt als puber in een bandje, niet in een band. Je had toen ook geen vriendin, maar een vriendinnetje. Nou, eigenlijk hadden de meisjes vooral geen vriend, maar een vriendje. Sommige vrouwen zijn dat nooit kwijtgeraakt. Zelfs in een serieuze relaties hoor je volwassen vrouwen nog wel eens spreken van “mijn vriendje”. Dat is foute boel, want bandjes en vriendjes horen bij de middelbare school.

Maar de school waar ik zoveel jaren later werk heeft geen bandjescultuur. Ik zie nauwelijks nog alto's, rockers of punkers rondhangen in de gangen of op het plein. Waar zijn de lange haren en de hanenkammen gebleven, de shirts van rockbands met de Europese tour achterop? In mijn tijd in Buitenpost was er een groep heavy metal-liefhebbers met haar tot aan de kont, die shirts droegen met post-apocalyptische taferelen erop en die altijd met gebogen hoofd liepen, omdat ze in het weekend te hard hadden geheadbangd. Er waren alto's, de alternatievelingen, met open ruitjesblouse met daaronder een bandshirt. Zij rookten wiet in tussenuren. Er waren zelfs nog echte hippies, zoals Daan, die spacetruffels verkocht en praatte alsof hij er mee had ontbeten. En: zoveel subgroepen, zoveel bandjes.

Maar helaas, bandjes, ik zie ze nauwelijks meer. Althans, niet bij mijn werkgever. Ook al is de hoofdtelefoon onderdeel van de dagelijkse outfit geworden – die oordopjes zitten vastgegroeid in het oor lijkt het soms –, ook al wordt er schijnbaar meer muziek geluisterd dan ooit, bandjes zijn er bijna niet.

Dat heeft bij ons op school te maken met de positie van muziek als vak. Muziek is degradatiekandidaat geworden. In de bovenbouw past het nauwelijks meer in het rooster, in de onderbouw wordt het verjaagd door nieuwerwetse vakken. Leerlingen die het wel zouden willen, kunnen geen muziek meer kiezen.
Toch is er hoop. Gisteren zat ik vier uur lang in een heuse studio met een schoolbandje. Collega E. van muziek en ik wilden hun harde werken voor de musical belonen met een echte studio-opname. Toen ik het de leerlingen vertelde sprongen ze een gat in de lucht.

Ze hadden op de valreep zelf een nummer geschreven. In het Engels natuurlijk, want bandjes spelen voor de wereldmarkt. Zo is het nou eenmaal. 's Ochtends hadden ze het nummer voor het eerst gerepeteerd met de hele band. Een lied over het strand, de zonsondergang en, hoe kan het ook anders, meisjes. Het klonk te gek.

Dus los ging het. Eerst Jeroen (heeft granenallergie en komt vaak als laatste aanzetten) z'n drumpartij, daarna Fouad (moet als enige uit mijn vwo5-klassen nog zijn tijdvakdossier inleveren) z'n baspartij. Wytze (is veruit de langste van de band, maar zit nog maar in gymnasium 2) speelde moeiteloos zijn gitaar- en Levi (klassiek geschoold, luisterde op mijn aanraden jazz en was onder de indruk) al even gemakkelijk zijn pianopartij. Het liep gesmeerd.

Ik haalde patat en frikandellen terwijl Ernst (derdeklasser, scoort altijd goed op geschiedenis) zijn geweldige zangpartij deed. Daarna zongen Emma, Minke en Nynke (drie meisjes in de band, wat wil je nog meer?) hun engelenkoortjes in. Iedereen blij. Ik heb geen zomervakantie meer nodig.

Ik hoop over vijf jaar te kunnen zeggen: kijk, die rijke muziekcultuur van onze school, het feit dat het vak muziek weer serieus genomen wordt, dat begon allemaal in die laatste schoolweken van het seizoen 2011–2012 toen we met dat schoolbandje dat geweldige nummer opnamen. Want echt, een school met bandjes, daar zit muziek in. En oh ja, het nummer hoort u vanzelf.

(Gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op 26-06-12)

dinsdag 4 september 2012

In de naam van het hek en de dam


Al meer dan een week ligt mijn telefoon ’s avonds naast me op de bank, maar ik vermoed dat ik niet meer door de tweede corrector gebeld zal worden. Dat vind ik niet netjes. Uiteraard, geen bericht is goed bericht. De door mij toegekende punten blijven staan. Dat is de winst. Toch had ik dat liever even uit de mond van de tweede corrector gehoord.

Sommige tweede correctors maken zich er te gemakkelijk van af. En sommige eerste correctors gokken daarop. Ze wagen het veel door de vingers te zien in de hoop dat de tweede blik slechts vluchtig en alles behalve kritisch zal zijn.

Zelf was ik ook tweede corrector. Van twee scholen nota bene. Alsof men dacht, die Posthumus is nog jong, die kan dat wel velen. Ik kreeg de meeste tweede correctie van al mijn collega’s.

Kort nadat ik mij zwetend door het werk van de eigen leerlingen had geslagen en die had laten versturen, vond ik in mijn postvak een blauw briefje. De tweede correctie lag klaar op de administratie. Tot mijn geluk werd mij een map met maar vijftien leerlingen in de hand gedrukt. Een meevaller! Ik meende minstens veertig examens door te moeten ploegen en was op voorhand al chagrijnig. Nu maakte ik een sprongetje van geluk toen ik de deur van de administratie achter me sloot.

Een dag later lag het blauwe briefje nog steeds in mijn postvak. Althans, dat dacht ik even. Maar ik had me vergist. Natuurlijk viel het niet mee. Er was nog meer tweede correctie binnengekomen. Nog eens twee mappen met wel vijfenveertig leerlingen, maar nu van een andere school.

Ik werk doorgaans steekproefsgewijs: ik neem de examens van vijf willekeurige leerlingen integraal door en richt me daarna nog op vier of vijf vragen die landelijk tot nakijkproblemen hadden geleid. Dan is wel duidelijk of het correctiewerk nauwkeurig is gedaan.

Maar helaas. Ik had nog geen twee examens doorgenomen van de op het eerst meest gunstige map, die van vijftien leerlingen, of het was al zonneklaar dat de docent te inschikkelijk was geweest. Waar leerlingen een bron moesten aanhalen in het antwoord, maar dat niet deden, stond wel het maximaal aantal punten in de kantlijn geschreven. Advies, zoals gegeven bij de regiobespreking, werd hier en daar genegeerd. Ontbrekende antwoorddelen werden ten onrechte gewaardeerd. Ik typte drie A4-tjes met kritiek en mailde dat na een kort telefoongesprek door.

In zijn vriendelijke reactie verwierp de collega mijn kritiek, imponeerde hij met kennis van vakliteratuur en nodigde hij zichzelf uit om met mij de examens nog eens samen door te nemen. Ik slikte even en nam de uitnodiging schoorvoetend aan. Ter voorbereiding googlede ik zijn naam.

Ondertussen keek ik de twee dikke mappen van de andere school na. Ik had er niet veel werk van: de docent had messcherp geoordeeld. Zo hoort het. Zo zou iedereen het moeten doen in naam van het hek en van de dam en van het einde dat anders zoek raakt.

Zo zat ik op vrijdagmiddag met de vreemdeling in onze sectieruimte. Ik kende hem al van het YouTube-filmpje dat ik van hem zag, maar deed alsof ik niets van zijn politieke carrière wist. Hij vond mijn columns goed. Ik zei dank. We liepen de antwoorden stuk voor stuk na. Hij gaf uiteindelijk ruiterlijk toe te soepel zijn geweest. We hebben gepolderd, compromissen gesloten en consensus bereikt. Maar wat een gedoe.

Ik hoop dat mij dit in de toekomst bespaard blijft. Docenten moeten strak en eerlijk nakijken en niet anderen met hun werk opzadelen. En tweede correctors moeten gewoon even bellen als ze klaar zijn met het werk. Dan kan ik tenminste rustig op de bank voetbal kijken. 

(gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op 12-06-12)

maandag 9 juli 2012

De Grote Boze 'N'

Een potlood, een puntenslijper, een vlakgom en een hoop geduld, raadpleging en navraag, dat is wat het corrigeren van geschiedenisexamens vergt. Ik ben al dagen in gevecht met de twee vwo-klassen die ik dit jaar doceerde. Dertig open en dikwijls opgedeelde vragen maal 45 leerlingen. Do the math. Eenmaal klaar met eigen werk wacht nog de tweede correctie: nog eens een stapel van gelijke hoogte kritisch doorwerken om eventuele onvolkomenheden in het nakijkwerk van de collega op te sporen.

Soms volgen dan telefoongesprekken. Daarin moet je scherp zijn, want je eigen oordeel moet helder verwoord worden. Maar ik heb een hekel aan bellen, of het nu mijn vrouw is of een vriend, dus op een telefoontje van een academisch geschoolde historicus die mij een uur lang op docententoon met vakliteratuur om de oren mept zit ik al helemaal niet te wachten.

Opgejaagd door de inspectie vraagt elke docent zich tijdens het nakijken af of de leerlingen wel of niet afstevenen op het gemiddelde van de schoolexamens. In de nieuwsbrief van de inspectie staat het volgende: “Van scholen die drie jaar achtereen een driejaarsgemiddeld verschil se-ce [schoolexamen - centraal examen, JP] van één punt of meer hebben (zeer groot verschil), kan in de nabije toekomst de examenbevoegdheid tijdelijk worden ontnomen. Dit geldt ook voor scholen die vijf jaar achtereen een driejaarsgemiddeld verschil se-ce hebben van een half punt of meer (groot verschil).”

Dat is een niet mis te verstaan dreigement. Mijn twee vwo-klassen presteerden de afgelopen jaren ruim voldoende op de schoolexamens. Ze scoorden gemiddeld een 6.9. Dat betekent dat hun examenresultaten niet onder de 6.4 mogen uitkomen, als het aan de inspectie ligt.

Ik zou het zonnig inzien, mits de de eindresultaten niet voor een flink deel af zouden hangen van de grote boze N (van normeringsterm) die bepaald wordt door het College van Examens. Bij een examen van goed niveau is de N-term 1.0. De afgelopen jaren waren de vwo-examens geschiedenis ronduit slecht: de grote boze N werd vastgesteld op 0.3, 0.1 en 0.1. Mijn beste leerlingen vorig jaar, die op schoolexamens rond de 8 scoorden, bleven steken op een lage 7. Zwakkere leerlingen, die hun stinkende best hadden gedaan en in eerste instantie een voldoende leken te halen, eindigden nu onder de 5.5.

En dan dit. Als je de gemiddelde landelijke cijfers van de afgelopen jaren naast elkaar legt, springt een opmerkelijke verschuiving in het oog. Van 2005 tot 2008 was het gemiddelde een 6.4, maar vanaf 2009 is het steevast een 6.1. Boze tongen beweren dat die 6.1 de hoge SE-cijfers moet compenseren, om devaluatie van het vwo-diploma te voorkomen. Is het niet een farce? Hameren op de SE-CE-verschillen en ondertussen het CE-gemiddelde naar onder trekken! Bovendien: vwo-leerlingen kunnen excelleren, maar zo wordt het hen bijkans onmogelijk gemaakt. Dit compensatiebeleid leidt tot middelmatigheid. Een vwo-groep scoort niet gemiddeld een 6.1 – daar zijn ze te ijverig en slim voor.

De grote boze N is een rotzak. Als de inspectie van docenten verwacht dat ze op niveau toetsen, mogen we dat van het Cito, de verantwoordelijke instantie, ook verwachten. Het behoeft geen verbazing te wekken dat docenten soepeler zullen nakijken, om de grote boze N voor te zijn. Inderdaad, om de compensatie te compenseren.

En ondertussen zitten we maar mooi met dat dreigement van de Onderwijsinspectie. Opnieuw een lage normeringsterm betekent dat ik me moet verantwoorden. Ik kan niet anders dan mijn SE-cijfers kunstmatig laag houden en vaker over het hart strijken bij het nakijken centrale examens. Ik bereid me voor op een lang telefoongesprek met de tweede corrector. Ik zal hem bovenstaande uitleggen.

(gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op 29-05-2012)

P.S. De N-term voor het VWO-examen was dit jaar 0,6. Van het landelijk gemiddelde ben ik nog niet op de hoogte. 

dinsdag 26 juni 2012

Kroegcollege

Het is weekend als ik dit schrijf en ik probeer me voor te stellen hoe de al ingerichte examenzalen er 's nachts uitzien, van buiten verlicht door slechts het zwakke licht van straatlantaarns en een vale, halfvolle maan. Ik beeld me in dat er 'tumbleweeds' langs de rijen tafels rollen, dorre takkenbollen, voortgejaagd door woestijnwind. Buiten klinkt het blaffen van een hond. Er passeert een late auto. De gekooide klok tikt en tikt en tikt tot het aarzelende licht van de nieuwe schoolweek door de ramen valt. En dan begint het. De examens. Opeens moet de verworven kunde van het hoofd naar de hand gevoerd, met inkt geschreven worden.

Zelf heb ik twee keer examen gedaan. De eerste keer was ik alles behalve scherp. Het enige dat ik mij nog herinner is dat ik op één van de examendagen met een te groot tweedehands colbert de gymzaal binnenliep, plaatsnam en mij vooral druk maakte om het door mijn moeder de dag ervoor gekapte kapsel. Het was onevenwichtig en alles behalve hip. Eerst al was het knipwerk mijns moeders niet geslaagd, kort daarop zakte ikzelf.

Deze herinnering vertelde ik een aantal examenkandidaten, terwijl we in het licht van de avondzon op het balkon van het paviljoen stonden. Ze moesten lachen om mijn slechte kapsel van toen. We dronken een drankje en keken uit over de Leijen. Over enkele minuten zou het kroegcollege beginnen: mijn twee collega's en ik hadden elk een kort verhaal voorbereid over de twee examenonderwerpen van dit jaar. Ook hadden we twee gitaren meegebracht voor de verrassingsact: een sectie-uitvoering van het Dylan-nummer Blowin' In The Wind.

Inmiddels staat een video-opname op YouTube. Mijn collega Herman zingt een geweldige eerste stem, maar wil er niet van weten.

Ja, een kroegcollege. Een leerlinge kwam er mee: of we niet eens een college in een bar konden doen, dat had ze van een vriendin uit Rotterdam. Herman – liefhebber van een borrel om het af te leren – leek het wel wat. Mij ook wel.

De animo was enorm en binnen de kortste keren hadden zich 60 leerlingen aangemeld. Ze betaalden hun eigen consumptie vooraf en waren bereid kilometers te fietsen. Sommige bezitters van een rijbewijs arriveerden per auto. Vijf, zes jaar geleden wisten ze op hun kinderfiets de tegenwind nog nauwelijks te verslaan. Moest je ze nu eens zien.

De Leijen, in volle glorie zichtbaar door de manshoge ramen, vormden een passend decor voor de drie colleges in de bovenzaal van het paviljoen. Het door veenafgraving ontstane meer representeerde even het waterige Holland van de 17e eeuw. Een klas van 60 leerlingen is veel, maar de nieuwe omgeving maakte van de leerlingen gewillige luisteraars.

Een enkeling had tijdens het eerste college al twee biertjes op – veel sneller moest het niet gaan, veel gekker niet worden. Sterker: iemand had mij de dag ervoor nog gevraagd: “Hoe laat begint het drankcollege, meneer?” Ik was even onzeker geworden over wat we tegemoet gingen. Drankcollege? Króegcollege, met de nadruk op college, alstublieft!

Maar het bleef de hele avond gemoedelijk. De oranje zon raakte het spiegelende vlak van de Leijen tijdens het college van collega Henk en verdronk toen ik na de pauze van wal stak met mijn verhaal over de muziek van de Vietnamoorlog. We luisterden Jimi Hendrix, Country Joe McDonald, Barry McGuire en Marvin Gaye.

Na onze ode aan Dylan, met Henk op zijn eerste elektrische gitaar, een Egmond uit 1967, was het afgelopen. Kort daarop verdwenen de tientallen rode achterlichten van de leerlingen in de donkere nacht, zoals we de meesten straks na de examens ook uit het oog zullen verliezen. Het zal ze lukken, mits ze zich niet al te druk maken om hun kapsel.


(Gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op 15-05-2012) 

dinsdag 12 juni 2012

Ministeriële nukken

Pats boem en klaar was Kees de Jager. In een scheet en een zucht kwam de gelegenheidscoalitie tot een akkoord. Voor de onderwijswereld heeft het nieuwe convenant twee belangrijke gevolgen: salarissen van leraren worden bevroren en de bezuinigingen op het passend onderwijs zijn van de baan. Dat eerste, het hanteren van de zogenaamde nullijn, was voor Samsom een reden om niet uit dezelfde koffiekan te drinken als de gewillige Sap en Slob op de kamer van Pechtold. Daarmee profileert de PvdA zich meer als onderwijspartij dan de D66, wat dat verder ook waard moge zijn. Misschien is pragmatisme wel veel meer waard, want pragmatisme gaf populisme afgelopen week een draai om de oren.

Toch voel ik mee met Samsom. Nog eens twee jaar vasthouden aan de nullijn voor leraren betekent dat het onderwijs nog langer kan wachten op de impuls die het nodig heeft. Je kunt het getalenteerde studenten niet kwalijk nemen achter het geld van het bedrijfsleven aan te lopen – in het onderwijs word je alles behalve rijk. Maar wie neemt de komende jaren de leeggevallen plekken van de doorgewinterde en goed opgeleide grijsaards in?

Het bevriezen van de salarissen is voor onderwijsland zonder meer de grootste teleurstelling van het akkoord, maar daartegenover staat dus dat er een dikke, rode streep door de bezuinigingen op passend onderwijs is getrokken. De bezuinigingen waren in maart de reden voor zo'n 50.000 leraren en leraressen uit het basisonderwijs om te demonstreren in de ArenA. Het Amsterdamse colosseum zag groen van verbijstering. Iedereen zag de bui al hangen.

Het ging om 100 miljoen euro minder geld in 2013, 200 miljoen het jaar daarop en 300 miljoen in 2015. Van Bijsterveldt schreef het snijden toe aan de 'conjuncturele situatie': de ingreep was een economische vereiste, onderwijsland kon niet om de maatregel heen. Ze was stellig.

De voorgenomen bezuiniging zouden volgens de onderwijsbond ongeveer 5000 mensen de baan kosten. Regionale expertisecentra zouden in 2013 ophouden met bestaan, in het speciale onderwijs zouden klassen 10% groter worden, terwijl 10% van het personeel zou verdwijnen. Voor gepensioneerden zouden geen vervangers meer komen en ook het ondersteunend personeel zou klappen krijgen.

En inderdaad, al snel vielen op honderden deurmatten een ontslagaanzegging. Ongeveer 240 mensen lieten de onderwijsbond weten dat hun de zak gegeven werd. Helioskoop, een belangrijke instelling voor speciaal onderwijs in Noord-Holland, liet weten dat tot 2015 ongeveer een derde van het personeel ontslagen zou worden. Ook de Stichting Speciaal Onderwijs Noord- en Midden-Limburg kondigde al aan dat bij de zes scholen ongeveer een zesde van het personeel ontslagen zou moeten worden. De plannen sorteerden effect. Ten nadele van de experts.

Maar nu knikt de minister zonder blikken of blozen instemmend als haar gevraagd wordt naar het nieuwbakken akkoord. Het geeft meer lucht, zegt ze. Er kan nu volgens haar constructief gesproken worden over een nieuw stelsel waarin elke leerling zo goed mogelijk onderwijs kan volgen. Want dat is toch de bedoeling. Tja, het is maar hoe de politieke wind waait. Niettemin, de demonstratie in de ArenA is wel effectief gebleken.

En nu dan? Zullen de ontslagbrieven weer teruggenomen worden? Alsof er niets is gebeurd? De ene dag krijg je een ontslagaanzegging op de mat, stort je hele wereld in, zie je jezelf de komende jaren met je ingelijste diploma's thuis op de bank zitten, de volgende dag gloort er weer hoop. Maar pas op, door de plannen van de minister zijn ook de leerlingenaantallen op speciale scholen en expertisecentra teruggelopen. Er is onzekerheid ontstaan, ook onder ouders. De kans is groot dat veel leraren en ander personeel in het speciaal onderwijs slachtoffer worden van de nukken van de minister. 

(Gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op 01-05-2012)

maandag 28 mei 2012

Een teug frisse adem


Afspraken werden niet nagekomen, collega's liepen woedend weg, regisseurs volgden elkaar op als wolken op een winderige dag, leerlingen kwamen niet opdagen bij de tekstrepetities, er werden boze, bezorgde en te late mails gestuurd en iedereen wees naar iedereen, kortom, de voorbereiding van de musical verliep alles behalve soepeltjes. Op voorhand leek het project iedereen te rijpen voor de bedrijfsarts, maar uiteindelijk werd een doktersbezoek er juist jaren mee uitgesteld.

Toen tijdens het slotlied van de eerste voorstelling mijn ogen branderig werden, besefte ik dat ik in de vijf jaar die ik doceer maar zelden zo'n heerlijke schoolweek had meegemaakt. Ik zag bevestigd worden wat ik eigenlijk al wist: leerlingen, maar docenten evenzogoed, hebben zo nu en dan een creatieve uitbarsting nodig, een teug frisse adem als het ware, om die starre structuren, die precieze procedures, die rigide roosters eens flink te ventileren. Artisticiteit zou minstens eens, liever nog een aantal keer per schooljaar aangesproken moeten worden. Dus vooruit: organiseer talentenjachten, foto-exposities, open podia, toneelstukken en bandjesavonden!

De leerlingen reageerden in eerste instantie terughoudend op het plan een musical te doen, maar ik ben ervan overtuigd dat als we morgen audities zouden houden voor een volgende editie, we veel te veel aanmeldingen zouden krijgen. Zij die niet meededen zagen nu met jaloezie hoe de andere leerlingen schitterden op het podium.

In wezen is elk kind een artiest. Het is vooral de vraag in hoeverre zijn of haar creativiteit wordt aangesproken. Ik kreeg aan het einde van de week een e-mail van een moeder. Ze schreef over haar zoon: “Groeien kun je in je eentje, maar je groeit zeker met mensen om je heen die je vertrouwen geven, waarderen en stimuleren.”

Zonder uitzondering hoorde ik afgelopen week de band al spelen als ik 's ochtends op school arriveerde. Stel je eens voor dat de leerlingen al vol enthousiasme met de neus in de boeken zouden zitten, nog voor de docent het lokaal binnenstapte! Omdat de leerlingen een doel hadden en omdat hun creativiteit werd aangesproken, waren ze über-gemotiveerd. Dagenlang klonk het musical-repertoire door het gebouw. Ik werd er 's ochtends mee wakker.

Als leerlingen 's ochtends popelen om naar school te gaan, omdat ze weer met de band kunnen repeteren, als ze 's middags het liefst tot vijf uur op school zijn om te werken aan de nummers, als ze zelfvertrouwen ontwikkelen, steviger in hun schoenen staan, met een glimlach en zingend door school lopen, dan is het geen vraag meer of het de chaos, de stress, het gedoe waard is.

Maar daarvan is niet iedereen op school overtuigd. In feite is het hele schoolsysteem daar niet op ingericht. Creatieve vakken als kunst, muziek, en vooral dans en drama staan onderaan het prioriteitenlijstje. En door halsstarrig vast te houden aan 1040 lesuren is er maar heel weinig ruimte voor projecten die creatief talent de ruimte bieden. Omdat gedurende projectweken ander werk vaak ook gewoon doorgaat, treft het enthousiasme slechts een klein deel van de docentengroep. Veel collega's geven af op de chaos en vermijden het liefst enige betrokkenheid. Zij zijn blij als de week weer achter de rug is.

Want dan zijn ze weer in hun element, in hun natuurlijke toestand. Maar kijk, de meeste leerlingen zijn dat waarschijnlijk niet. Voor de meeste leerlingen geldt wiskunde, Engels of geschiedenis niet als een talent; ze raken er niet gepassioneerd door. Ze zouden het liefst weer de gitaar oppakken, op het drumstel meppen, danspasjes oefenen, kostuums ontwerpen, decorstukken bouwen en nog eens zo'n geweldige show neerzetten. We moeten ze daartoe veel meer kansen bieden, want in hun geluk nemen ze uiteindelijk de docenten mee.  

(Gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op 17-04-2012)

maandag 14 mei 2012

Weerzien


Het schoolgebouw aan de Raai in Drachten gaat deze zomer tegen de vlakte, omdat het zijn beste tijd heeft gehad. Uit de as herrijst volgend jaar een nieuw gebouw, gecomponeerd naar de eisen van de tijd. De sloop zet een streep onder een periode.

Sloopkogels treffen straks de stenen muren die oren hadden. Aan diggelen de vensters waardoor de leerlingen verlangend naar buiten loerden, omdat de lente jong was. De vaklokalen, de wandschilderingen, de geuren, de toiletdeuren met kleine teksten en tekeningen, het geluid van de pauzebel – een cultuur wordt van zijn habitat ontdaan. Daarom is er binnenkort een reünie. Om het nog één keer samen te beleven.

Re-ü-nie, de; v -s bijeenkomst van mensen die elkaar van vroeger kennen.

De middelbare schooltijd is een bijzondere periode in een mensenleven. Als je ergens een spurt meemaakt, dan is het wel in die vier, vijf of zes jaar van het voortgezet onderwijs. Je bent bij binnenkomst een pietepeuterig klein kind met lijm in je haar dat zomaar van de stoel rolt om een kleurpotlood aan de andere kant van het lokaal in iemands neus te drukken; je noemt meneer meester en mevrouw juf, maar bij vertrek ben je een boomlange jongvolwassene met baardgroei of borsten en allerlei experimenten achter de kiezen die smaakten naar meer. Een eerste sigaret, een eerste zoen, een eerste verkering, een eerste dronkenschap; de nieuwsgierigheid naar zulks is onstuitbaar als je puber bent. Wat een feest! Wat een geluk! Wat een schijnbare zorgeloosheid.

Hoewel. In het gebouw zijn ook plekken waar gehuild is. Zie hoe sommige plekken in de gang uitgesleten zijn door geplengd verdriet: tranendalen door gestrande liefdes, verloren verwanten, onvoldoendes, ruzies, het blijven zitten, het zakken en slagen, wegens wissewasjes, beuzelingen, nulliteiten die uitgroeiden tot rampen, catastrofes, tragedies. Het ging uit, het ging aan, je bleef zitten, je kon gaan. Toch verlang je soms terug naar die momenten, naar die plek. Daarom melden zoveel mensen zich aan voor zo'n weerzien met de uit het oog verloren vrienden van toen.

Re-ü-nie, de; v -s gezellige bijeenkomst van oud-leden, oud-leerlingen, oudgedienden, enz.

De ontmanteling van het schoolgebouw vormt op allerlei manieren een breuk met het verleden. Er wordt al flink opgeruimd, want het tijdelijke gebouw heeft niet de ruimte die de vergeelde, verstofte papierhopen vergen. Lokalen, kasten en sectieruimtes worden daarom overhoop gehaald, de bezem gaat er door. Veel gaat regelrecht richting vuilcontainer: gestencilde opdrachten volgens afgeschreven didactiek, buitengewoon fraaie werkstukken in kaft van stof, handgeschreven toetsen, videobanden, cassettedecks, dia's, oude lesmethodes met heel veel tekst, een encyclopedie in bruin leer.

En wat gebeurt er straks met de zwartgrijze schoolborden die de gewiste sporen van aantekeningen, van opgegeven huiswerk meedragen? Vinden we ze straks terug tussen de puinhopen van het gebouw, prijkend als grafstenen erbovenop, of misschien als fossiele krijtlaag eronder? Het is anno 2012 'active whiteboards' wat de klok slaat – het Krijt is een afgesloten era.

De reünisten komen ook om nog eens de docenten in hun biotoop te treffen, de leraren die zij een periode lang soms vaker dan hun vader of moeder zagen. Als het gebouw straks neerzijgt, zal in een zucht de echo van hun woorden, voetstappen, misstappen, eigenaardigheden en terugkerende grappen met het opwaaiende stof vervliegen. Daarmee wordt de reünie ook het afscheid van een oude oom.

Re-ü-nie, de; v -s bijeenkomst van mensen die vroeger een groep vormden.

Tussen reünisten bestaat een oud verbond. Samen maakten ze een opwindende periode in hun leven mee, als soortgenoten. Nu de meest symbolische plek van dat gezamenlijke verleden tegen de vlakte gaat, zien ze elkaar weer. Na de sloop heeft dat niet veel zin meer, want het is dat gebouw dat hen bindt.

(Gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op 03-04-12)


zondag 6 mei 2012

Houdbaarheidsdatum


Hoewel inmiddels al meer dan 60 jaar achter de rug, is de Tweede Wereldoorlog nog springlevend. Onder het motto 'opdat wij niet vergeten' wordt die donkerste periode van de contemporaine geschiedenis telkens en opnieuw gereanimeerd door publicaties, verfilmingen en in het onderwijs. Centraal moment is de vierde dag van mei; eens in het jaar staan we twee minuten stil bij hen die stierven in het gevecht, in de kampen, bij de bombardementen. Ik geloof dat zo'n centrale dodenherdenking een houdbaarheidsdatum heeft. Jongeren zouden een genuanceerder beeld van vrijheid ontwikkelen, als ze vaker met meer recentere geschiedenis in aanraking zouden komen.

Waar in schoolboeken de recente geschiedenis van Srebrenica, de moord op Pim Fortuyn en Theo van Gogh slechts in enkele regels of alinea's geschetst wordt, is aan de Tweede Wereldoorlog doorgaans een volledig hoofdstuk, soms zelfs een compleet boek gewijd. Subsidie genoeg voor de Tweede Wereldoorlog, honderden educatieve websites zijn gewijd aan de verschrikkingen van de Holocaust, Anne Frank heeft sinds kort zelfs haar eigen iPhone-applicatie. In mijn geschiedenisles vragen leerlingen geregeld of en wanneer we de Tweede Wereldoorlog gaan behandelen, want inderdaad, ze zien het als een spannend jongensboek. Niet vreemd: dat karakter hebben de oorlogsdocumentaires op National Geographic ook meestal.

Uit onderzoek blijkt echter dat jongeren onder de 25, eenmaal van school, de feiten niet meer helemaal helder hebben. Ze herinneren zich nog wel dat er miljoenen joden omkwamen en dat Hitler de boosdoener was, maar ze denken ook dat de Jodenvervolging de eigenlijke oorzaak van de oorlog was. Ze weten er gewoonweg niet veel meer van. En toch zadelen we ze op met een jaarlijkse dodenherdenking. Is dat terecht? Die twee minuten, begrijpen ze daarvan nog wel de stilte? Of wordt hen die oorlog in de schoenen geschoven als een zware erfenis waar ze mee aan zijn, waar ze niets mee kunnen, behalve als spektakelstuk? En nu stil zijn! De trompet klinkt al!

De Tweede Wereldoorlog is een gruwelijke geschiedenisles die we inderdaad nooit mogen vergeten, maar de dodenherdenking is vooral een eerbetoon aan hen die de oorlog overleefden en nog in ons midden zijn. Een moment van herinnering voor de nabestaanden. Een buiging naar de oude heren en dames die met eigen ogen zagen hoe de Duitse jagers de blauwe lucht doorkruisten. Naar hen die de gevechten, de kampen en de bombardementen overleefden. Daarom is de dodenherdenking zo'n zwart-witte gebeurtenis: omdat het uit eerbied eigenlijk niet anders kan. Maar de ooggetuigen verlaten ons stilaan. En wat als ze er niet meer zijn?

Dan komt het moment dat we de nadruk moeten leggen op álle verhalen van de oorlog, op dat grijze midden. En tegelijk verleggen we dan eindelijk de aandacht op het begrip vrijheid in onze tijd. Wat gebeurde er in Joegoslavië? Wat deden Nederlandse soldaten in Afghanistan? Welke ontwikkelingen maakte de Nederlandse politiek de afgelopen tien jaar door? Hoe gaan Nederlanders en Nederlandse politici vandaag de dag om met het begrip vrijheid? We moeten ze leren nuanceren en relativeren om de problematiek van vandaag in alle redelijkheid te kunnen bediscussiëren. (On)vrijheid is hier en nu. Niet daar of toen.

Het televisieprogramma EenVandaag onderzocht hoeveel jongeren weten van Pim Fortuyn. De conclusie? Erg weinig. Als we sommige jongeren mogen geloven kwam in 2002 de extreemrechtse politicus Pim Fortuyn, partijleider van de PVV, om het leven. Zijn leus luidde: 'Niet rechts, niet links, maar recht door zee.' Hij werd vermoord door een moslim-extremist. Zie daar: de recente geschiedenis. (Voor de onnauwkeurige lezer: Fortuyn was niet extreem-rechts, noch leider van de PVV, zijn leus was 'at your service' en hij werd omgebracht door een milieuactivist).

Dit gegeven zegt genoeg. Jongeren hebben op alle mogelijke manieren toegang tot de oorlog van hun grootouders, maar kennen de politieke omstandigheden waarin zij leven nauwelijks. En ondertussen blijft van die oorlog van lang geleden slechts een ongenuanceerd zwart-wit beeld hangen.

Maar de dodenherdenking als instituut staat nauwelijks discussie toe. Dat helpt de jongeren geenszins. Vorig jaar was er het geschil omtrent een 4-mei-toespraak van de zoon van Meinoud Rost van Tonningen, de beruchte NSB'er. Hij mocht spreken, omdat hij duidelijk afstand had genomen van zijn vaders gedachtegoed. Nu is er het geweigerde scholierengedicht over de oud-oom die SS'er was en het protest tegen de herdenking van gevallen Duitse soldaten in Vorden. De wonden zijn nog te vers, zegt men, maar ik geloof dat het een kwestie van tijd is. De houdbaarheidsdatum van de dodenherdenking zoals die nu is, nadert. Daarna laten we iedereen aan het woord over toen en gaan we in discussie over hoe we hier en nu verder moeten.

(Gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op 4-5-12) 

maandag 30 april 2012

W88 op taalbeleid


Taal kent veel domeinen, taal is – mede daardoor – ontzettend dynamisch, maar kent ook regels. Het is die combinatie van eigenschappen die de discussie rond taalgebruik onder jongeren ingewikkeld maakt. Maar eigenlijk is het doodeenvoudig: het woord is aan de middelbare scholen.

Van alle creatieve uitingsvormen kent taal de meeste regels. Elk woord kent doorgaans maar één schrijfwijze, werkwoorden kunnen vaak maar op één manier worden vervoegd en grammatica zit vol met struikeldraden en valkuilen als die van hun en hen, van de gevreesde d's en t's en de lange ij en korte ei. Wat betreft de vorm is taal nogal star. Althans, de standaardtaal. 

Open daarentegen eens wat tweets of chat-gesprekken van mijn leerlingen en de creatieve vondsten vliegen je om de oren. Dát taaldomein barst van de acroniemen, afkortingen, letterwoorden, cijferwoorden, klinkerloze woorden en andersoortige neologismen. Jongeren durven veel creatiever om te gaan met taal dan hun ouders en grootouders.

Op scholen moeten leerlingen zich nochtans aan de taalregels houden, maar helaas blijkt de middelbare school vaak een stap terug in de taalontwikkeling. In groep 8 van de basisschool maken kinderen minder fouten dan in de examenklas van de middelbare school. Veel docenten wijzen naar de taaldomeinen van de smartphone en computer als oorzaak van deze 'verloedering', of ze beweren dat leerlingen niet meer lezen of te weinig met taal bezig zijn. Beide beweringen zijn onjuist.

De beperking van 140 tekens (Twitter), van beltegoed (sms), van typsnelheid (chat) dwingt tot talige creativiteit. Ik zeg niet dat we dat nieuwe vocabulaire gelijk in de Van Dale moeten opnemen – laat de jeugd maar een eigen woordenboek schrijven – maar ik ben er van overtuigd dat kinderen een vernuftig taalgevoel ontwikkelen. 

Taalverloedering? Integendeel. Leerlingen hebben bovendien niet veel moeite met het omschakelen van het chat- en sms-domein naar dat van de school. Er glipt natuurlijk wel eens een 'ff w88' doorheen, maar ze weten heus wel dat ze in sollicitatiebrieven, repetities en presentaties de standaardtaal, zeg maar correct Nederlands, dienen te bezigen.

Dat jongeren niet met taal bezig zijn is dus ook onzin. Wat heet! Nooit eerder schreven zoveel jongeren zoveel tekst. Per dag verschijnen er gemiddeld 250 miljoen berichten op Twitter. Dat zijn ongeveer 10 miljoen afleveringen van de column die u nu leest; dat is zo'n 2000 kilometer papier. 

Momenteel worden via WhatsApp, de gratis chatdienst, per dag gemiddeld 2 miljard berichten verstuurd en per dag wordt 3 miljard keer iets gezocht op Google. Geloof me, een miljard is heel veel. Ik vertel leerlingen ter illustratie – om grote hoeveelheden tijd, mensen of geld aanschouwelijk te maken – dat een miljoen seconden 11 dagen is, maar een miljard seconden liefst 32 jaar. Van al die Twitter-berichten per dag zijn trouwens 5,5 miljoen in het Nederlands geschreven. Onze kleine taal is daarmee de zesde Twittertaal van de wereld.

Dat bedoel ik. Leerlingen zijn op een creatieve manier bezig met heel veel taal. Hoe kan het dan toch zo zijn dat slechts 25% in groep 8, maar een schrikbarende 75% van de leerlingen in vwo 6 fouten maakt in de werkwoordsvormen? Ik las het onlangs in de NRC Next: het heeft te maken met slecht onderhoud. Meester of juf maakt plaats voor een team vakdocenten, van wie alleen de docent Nederlands de spelling- en grammaticavaardigheden meeneemt in de becijfering. Ik geef toe: ik onderstreep als geschiedenisdocent fouten in toetsen, maar trek daarvoor geen punten af.

Docenten moeten zich niet zorgen maken om het taalgevoel van leerlingen. Veeleer zouden ze zich moeten buigen over het taalgevoel van de school. Taalbeleid is essentieel. Scholen moeten zelf het heft in handen nemen en niet verwijtend wijzen naar andere taaldomeinen of vermeende taalluiheid onder leerlingen. Daar lijken ze evenwel voorlopig niet naar te talen.

(Gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op 20-03-12)

maandag 16 april 2012

Zes voor de slapjanus


De zes is een mooi getal. Een perfect getal zelfs, want zo noemt men een cijfer dat de som van zijn delers is. Zes vormt de basis van de Babylonische getallenreeks. Het hoogste aantal ogen dat je kunt gooien is zes en de zes is voldoende. Maar de zes komt maar zelden goed in het nieuws. Sterker nog: de zes is de schlemiel onder de getallen geworden.

Hadden we eerst al de zesjescultuur, de zesmincultuur en de zesjesmentaliteit, sinds kort zijn de genadezes en oprotzes er bij gekomen. Ik heb ze net toegevoegd aan mijn digitale woordenboek.

Vorige week liet de krant lezen dat één op de tien universitair docenten wel eens een zogenaamde genadezes geeft, een onverdiende voldoende. Niet alleen bij tentamens, maar ook bij afstudeerwerk wordt de hand veel over het hart gestreken. Die redt het toch wel. Ach, het gaat maar om één vak. Ik ken zijn vader. Zó, een hele doos wijn!

In Groningen wordt zelfs het begrip oprotzes gebruikt, om die zessen aan te geven waarmee je zwakke, vervelende of stinkende studenten de universiteit uit bonjourt: “De Vries? Ik heb er een zes van gemaakt. En nu oprotten!” Ook docenten hebben dus last van een zesjesmentaliteit. En niet alleen op universiteiten, maar ook op middelbare scholen. Ergerlijk is het.

Van de zesjescultuur onder scholieren en studenten heb ik overigens nooit opgekeken. Alles boven de zes is overbodige moeite, hoorde ik eens een leerling zeggen voor een volle aula, terwijl hij zijn vwo-diploma triomfantelijk in de lucht hield. Voor de meeste leerlingen is het trouwens ook helemaal niet 'master' om hoge cijfers te halen. Je bent 'baas' als je heel chill een zes weet te scoren. Nerds waren nooit cool, vet, hip of blits.

Maar nu de docenten. Ook zij kampen dus met een zesjesmentaliteit, met het grote verschil dat het nu niet om de beoordeelde, maar om de beoordelaar gaat. En dat is levensgevaarlijk. We wisten al dat sommige hogescholen diploma's als strooigoed uitdelen om financiële redenen: elke afgestudeerde levert immers geld op. De genadezes heeft evenwel een andere oorsprong. Het cijfer is op verschillende manieren voordelig voor de docent.

Elke onvoldoende heeft extra werk tot gevolg. Als de docent ingeleverd werk onvoldoende beoordeeld, dan houdt het vaak in dat er opnieuw een verslag gelezen moet worden, opnieuw een toets gemaakt en gecorrigeerd, of opnieuw een presentatie aangehoord. Een onvoldoende betekent dus een kostbare tijdsinvestering. Daarom: een zes uit gemakzucht.

Ook geldt dat door veel onvoldoendes uit te delen de niveaubewaker nogal opvalt tussen al zijn genadige collega's. Pas de normering maar aan is dan het devies, of ga beter lesgeven, want dat die ene klas nou net bij jou allemaal onvoldoendes scoort, dat ligt heus niet aan de klas. Een schitterende lijst voldoendes, daar heeft een docent geen omkijken naar, maar de docent die toeziet op kwaliteit kan zich lelijk bezeren. Tel de andere voldoendevoordelen hier bij op – leerlingen vinden de barmhartige docent geweldig, ouders bellen niet voor een verklaring – en de zes blijkt een panacee.

Duidelijk. De zes is er voor de slapjanussen. Voor de leerling die gember in de kont nodig heeft en voor de docent die zich er met een jantje-van-leiden van afmaakt – en dat ten koste van kwaliteit en niveau. Zij vinden elkaar in het midden: de docent geeft maar een zes om van het gedoe af te zijn en de leerling is al lang tevreden met die zes. Stelletje lummels. Maar ze hebben geluk: de zes is ook het cijfer dat de zwakkeren beschermt. Ze komen er misschien toch genadig van af.  

(Gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op 06-03-12)

zondag 15 april 2012

Alle Gekken

It Doarp op Aaipop 2012
Alle Gekken 



Sjong
dyn fredesliet
bliuw by dyn wurd,
dat skreaun stiet yn de beambast.
Doch it net
Lit it noait gean
Die moaie tiid
dy’tst sa helder yn de holle hast

Dream,
fan it hea,
droech op 'e wein
En in pilske nei de tiid.
En de sinne
skynt as in stoer
oan de loft.
alle gekken binne wolkom hjir

De dei begjint
de dûns giet oan.
Mar wa wit hoe't it rint?
Moatst net útgean fan moarn.
De famkes wachtsje,
hja wachtsje op dy,
hjoed is de dei.

Smiet,
nochris in stien
yn de poel
de sirkels driuwe fan dy ôf.

Sa kin it gean
wat hast by't ein,
it set útein

it wurdt mar grutter en mar grutter
it wurdt mar grutter en mar grutter


Ik bin de stêd

It Doarp op Aaipop 2012 
Ik Bin De Stêd



It hout wie droech en it fjoer gie hurd,
mei de gong fan in dief yn 'e nacht
en in mes yn it liif.
Ik woe't ferjitte, ik haw it besocht,
myn ferline om 'e nocht,
mar it spoek fan myn ferline hat my nea wer ferlitten.

Myn peallen binne ferskûle,
ûnder lagen fan tiid.
It spoar fan in binde,
dwerstroch myn hert,
en in stik út myn siel.
It spoar út it sicht, ûnder bulten stien,
dat hat de oarloch mei my dien,
mar it spoek fan myn ferline hat my nea wer ferlitten.

Ik diel de wien (hy dielt de wien)
Bin ik echt wurch? (is hy echt wurch?)
Myn lekkende dakken, myn drokke strjitten,
sizze fan wol.

Ik bin in tiran, mar in slaaf bin ik ek,
ik bin in swerver, ik bin in bêrn,
ik haw neat, hja nimme my de 'self made man'.
Op myn poarte stiet myn namme,
foar myn minsken haw ik my skamme,
mar it spoek fan myn ferline hat my neat wer ferlitten.  



dinsdag 3 april 2012

De glimlach van een kind

In weerwil van mijn verwoede pogingen het lerarenambacht uit het slijk te trekken, mijn tour of duty de docent weer aanzien en status te geven ten spijt, nog telkens hoor ik leerlingen zeggen: “Ik word écht geen leraar. Never nooit niet dus!” Dat dacht ik zelf vroeger ook. Als je je diploma hebt ingelijst en je boeken ritueel verbrand, is de middelbare school wel de laatste plek waar je wilt werken: geen aanzien en te weinig loon. En oh ja, het is op school.

Volgens een recent onderzoek van het Nibud, het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting, zijn jongeren ontzettend optimistisch over hun economische toekomst. Té optimistisch, als je het instituut mag geloven. Twee derde van de jongeren van 12 tot en met 24 jaar denkt sowieso een goede baan te zullen krijgen. Meer dan de helft is er van overtuigd meer te gaan verdienen dan de ouders – een netto maandsalaris van 3000 of zelfs 4000 euro vinden zij niet onrealistisch. Blijkbaar hebben ze nog niet kennisgemaakt met Jan Modaal. Hij verdient nog niet de helft van het door Jan Optimist verwachte inkomen.

Moeten we de kinderen hun valse hoop uit het hoofd praten? Moeten we ze wekken en zeggen dat ze niet met een glimlach om de mond mogen dromen? Nee, nergens voor nodig – ze lopen er vanzelf tegenaan. 'Ervaring is wat je krijgt als je niet kreeg wat je wilde', hoorde ik onlangs. Laat dat dan de meerwaarde van dromen zijn.
           
Het optimisme past bij de wereld waarin de jongeren leven. Anno 2012 claimt jan en alleman zijn moment van roem. De in 1968 door Andy Warhol voorspelde '15 minutes of fame' voor de massa lagen nooit eerder zo voor het grijpen als nu.
           
Ik zag gisteren op YouTube iemand 155 T-shirts over elkaar heen aantrekken – ik bedoel maar. Iemand anders had zes jaar lang elke dag een foto van zichzelf genomen en al die kiekjes achterelkaar gezet. Beide filmpjes zijn inmiddels miljoenen keren bekeken. YouTube-roem is slechts één cameraklik van ons verwijderd.
           
En dan de televisieroem! Dat summum van het illusionaire succes, de talentenjachten! Tienduizenden kinderen wilden idool worden. Een enkeling kwam bovendrijven. Een ervaring rijker? Nee, vooral een illusie armer. Ik geef toe, veel talent hoor – nou, nou, zo, zo – maar vooral veel kinderen die in dit geval wél tegen zichzelf in bescherming genomen hadden moeten worden. Maar het behoeft geen verbazing dat kinderen tegenwoordig een rotsvast geloof in de maakbaarheid van hun leven hebben.
           
Opmerkelijk is wel dat het Nibud-onderzoek ook laat zien dat de jongeren zich bewust zijn van de economische crisis. De helft zegt van 2012 niet veel goeds te verwachten – ze zeggen zelfs bedachtzamer met hun geld om te gaan. Het optimisme laat zich dus niet verklaren door hun onwetendheid omtrent de financiële actualiteit.
           
Vraag de mediterrane jeugd eens hoe ze tegen de toekomst aankijken – dan hoor je vast andere verhalen. Het uiterste noordwesten van het continent is momenteel niet de hoek waar de klappen vallen, zoveel is duidelijk.
           
Dromen behoort de jongeren toe. Later, als ze een discutabel hbo-diploma op zak hebben, of misschien academisch geschoold zijn en solliciteren op werk onder hun niveau, maar de juiste papieren of ervaring missen, later, als blijkt dat de opleiding toerisme of journalistiek wel een erg grote vijver is, ja later, als de blauwe enveloppen op de mat vallen en de eindjes maar moeilijk aaneengeknoopt kunnen worden, dan worden dromen vanzelf realistischer.
           
Tot die tijd, zeg ik, kan grenzeloos optimisme geen kwaad. Vertrouwen is één van de pijlers van een gezonde economie. En dromen, dat moet je altijd blijven doen. 

(Gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op 21-02-12) 

woensdag 21 maart 2012

Staken

Ik was er bij hoor. In Utrecht. Niet vanwege die ene zomerweek. Nee, het onderwijs heeft gewoon een schop onder de kont nodig, in plaats van een schop in het gezicht. Daarom ging ik.

In de trein dus. Met een treinkaartje van de onderwijsbond in de hand richting Utrecht. Spannend hoor. Ik zag veel brillen en truien in de coupé. En rugzakken, hoog op de rug gedragen. Voor de azuurbodes en broodtrommels natuurlijk, die rugzak, en voor de zure appels en mueslirepen. Veel wallen ook, onder de ogen. Want ze hebben het druk, de docenten.

Het is eenvoudig. We geven 175 lesuren meer dan het Europese gemiddelde, maar we werken maar ongeveer 50 uur meer. Dat kan twee dingen betekenen: of we steken heel veel vrije tijd in voorbereiding en nakijkwerk, óf we komen daar niet aan toe. Ik werk vier dagen. Op mijn vrije dag bereid ik voor en kijk ik na. Dat doe ik overigens ook steevast op zondagmiddag, vrijwel elke middag, sommige avonden en af en toe ook op zaterdag. Maar dan liggen er altijd nóg wel een aantal mappen vol toetsen. Die doe ik in de vakantie. Nakijken moet altijd, maar zou ik over vijf jaar, als mij de wallen over straat slepen, nog steeds de moeite nemen mooie lessen te bakken?

De minister sluit politieke compromissen over de rug van onderwijsland. Ze noemt de staking daarna onverantwoord. En ze zegt vervolgens doodleuk dat de gestaakte uren ingehaald moeten worden. Ze slaat drie keer de plank mis.

Tegen de adviezen van commissie-Cornielje in, ondanks de protesten van docenten én leerlingen, maar dankzij politieke handjeklap kwam er tóch in de nieuwe onderwijswet te staan dat 1040 uur de norm was. Maar extra geld is er niet. Dus hoe gaan scholen dat organiseren? Straks tellen ze de uren die een klas in het trappenhuis doorbrengt ook mee. Dát is onverantwoord. Staken niet. Staken is een goed recht.

En de gestaakte uren inhalen? Briljant! Dan hebben we niet gestaakt. Inderdaad.

Dat aob-bestuurslid Marten Kircz op de stakingsdag de minister in een radio-interview intellectueel onvermogen verweet, was misschien niet netjes. Zeg nou zelf, als je via de mavo en verpleegkunde-A en zonder onderwijseelt het tot minister van Onderwijs weet te schoppen, dan ben je toch een slimmerik. Zo zie je: een politieke loopbaan kan simpelweg een carrièrekeuze zijn. Als je het spel handig speelt kun je zomaar de eindverantwoordelijke van Project Toekomst worden.

Het onderwijs moet beter. Dat wil de minister ook. Dat wil iedereen. Maar kom op, maak dan in elk geval een gebaar in die richting. Doe wat aan de salarissen – dan trek je hoog opgeleide docenten. Giet gootsteenontstopper in de harige managementput en blijf toch bij de originele 1000-urennorm, dan schep je meer tijd voor kwaliteit en voorkom je ophokuren. Kijk naar Finland: daar is 780 de norm, maar het land staat steevast bovenaan in de kwaliteitslijstjes. Het is niet: hoe meer, hoe beter.

Als lesgeven je passie is, bestaat er niets mooiers. Maar je komt van een koude kermis thuis als er niet genoeg stoelen voor de leerlingen zijn, omdat ze met teveel zijn. Als je vijfentwintig uur in de week lesgeeft aan dat vuurpeloton energydrink-pubers, dan ben je aan het eind van de dag gewoon bekaf.

In de jaarbeurs was zag het zwart van eensgezindheid. De onderwijsbond had mutsen en sjaals meegebracht. Er waren spandoeken. Ergens in het midden kon ik me registreren en mijn retourticket ontvangen. Ik bleef één ophokuur, toen nam ik de trein terug. Thuis wachtten nog zes mappen met nakijkwerk.  

(gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op 07-02-12) 

woensdag 7 maart 2012

De wondervraag

Ik begon blijmoedig en serieus aan de cursus oplossingsgericht coachen, maar gaandeweg sloeg mijn humeur om en toen ik op de derde dag een aanvaring had met de cursusleidster wist ik precies wat daarvan de oorzaak was.

De oplossingsgerichte methode is eenvoudig van opzet en gaat uit van een heldere gedachte: de gecoachte is de expert, de coach is respectvol, stuurt en 'weet niets'. De methode biedt handvatten om via vragen en doorvragen iemand te helpen een oplossing te vinden voor een probleem.

De methode is iets meer dan 30 jaar geleden in Milwaukee bedacht door het therapeuten-echtpaar Steve de Shazer en zijn vrouw Inoo Kim Berg. Volgelingen over de hele wereld roken geld, want het kan werken. Dat is waar. En als je het maar lang genoeg vaag houdt, duurt een cursus zo drie dagen. Kassa dus.

Bij de methode blijven het eigenlijke probleem en een diagnose buiten beeld. Er moeten kleine stapjes worden gezet op de weg naar de oplossing. In de gereedschapskist van de coach zitten diverse 'tools' om de klus te klaren. Zo is er de schaalvraag, zoals: “Als 0 betekent dat je de leraar Duits niet eens meer wilt zien en 10 dat je maar al te graag naar zijn les gaat, waar zit je dan nu?” Als de leerling antwoordt: “Op 3 of zo...”, dan zijn we op weg, want oei, oei, oei, er-gaat-dus-al-wat-goed! En het wordt alleen maar mooier, want de volgende vraag luidt: “Wat zou er moeten gebeuren om van een 3 naar een 4 te gaan?” Het kind kijkt op: zelfinzicht geboren. De eerste stap kan gezet worden. Ziet u? Eenvoudig en helder.

Ook het leren van successen in het verleden en van de uitzonderingen op de regel zitten in de gereedschapskist. Zijn die er niet, dan is er altijd nog de wondervraag. Jawel, de wondervraag! Als er vannacht een wonder zou gebeuren – simsalabim! – wat zou er morgen dan anders zijn? Het kind begint te stralen. Een wonder! Via een hypothetische uitzondering is het zelfinzicht geschapen en de oplossing nabij.

Veel meer is het niet, dat oplossingsgericht coachen. Je volgt de 'flowchart', doet wat interventies. Je laat stiltes vallen en geeft complimenten. Maar vooral: je laat het kind in zijn kracht. Dat werk. En dan tóch drie dagen vullen!

Ik zocht even op internet. Amerikaanse methodes genoeg in Nederland: Neuro Associative Conditioning, co-active coaching, destination coaching, Rationeel Emotieve Therapie en natuurlijk The Happiest Baby methode. Ik moet glimlachen van dat lijstje.

Slimme knakkers gaan met de Amerikaanse flauwekul aan de haal. Het is zo geregeld: website, huisstijl, briefpapier, pennen en blocnotes en nog een boekje zonder bronvermelding en klaar is kees. Pardoes wordt vergeten termen als 'hand-on-shoulder', 'coping-questions' en 'decent sense of failure' te vertalen. Zitten we mooi mee opgescheept.

Een cursus oplossingsgericht coachen kan zo 200 euro per dag per deelnemer kosten, lees ik. Als meer dan honderd werknemers van een afdeling de cursus moeten volgen, lopen de kosten zomaar richting een ton. Dat is bijna misdadig. Een school heeft meer baat bij nieuwe computers, goed lesmateriaal of een uitgebreide bibliotheek. En dan de lessen die uitvallen! Honderd mensen keer drie dagen keer gemiddeld vijf uur is 1500 lesuren. Vier mensen hadden de cursus in een dag kunnen volgen om daarna op een donderdagmiddag met een PowerPoint of flipchart de verworven kennis te delen met de collega's.

Stel, er vindt vannacht een mirakel plaats – stel! Dan denken scholen vanaf morgen twee keer na voordat ze een cursus van het één of ander boeken voor de hele goegemeente. Ik geloof niet dat een meerdaagse voorstelling van het Amerikaanse circus echt nodig is. Maar wie stelt mij de wondervraag?

(gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op 24-01-12)

maandag 20 februari 2012

Een kwestie van beeldvorming

Collega B. legde onlangs klas vijf een aantal vragen voor over de multiculturele samenleving. De meeste leerlingen waren ervan overtuigd dat in 2050 toch wel een derde, misschien zelfs twee derde deel van de inwoners van Nederland moslim zou zijn! Een schatting volledig bezijden de waarheid, maar die wel meteen een andere waarheid aantoont, namelijk dat de media hun taak niet goed vervullen. Het is een kwestie van beeldvorming.

Volgens het CBS is het aantal in Nederland woonachtige moslims in 2050 8% van de bevolking. De groep groeit maar zeer gestaag – het aantal moslims dat naar Nederland komt heeft met een 'massa' weinig te maken. De 'tsunami van islamisering' is eerder een druppelsgewijs proces. Mensen ervaren soms de islam als een olievlek op de ondergelopen polder, maar kom nou, jaarlijks bekeren zich maar 500 autochtone Nederlanders tot de islam. En dan is er ook nog zoiets als 'ontmoskeeïng': niet alleen kerken, maar ook moskeeën lopen leeg.


Beeldvorming - Durk van der Meer


Feit blijft: onze leerlingen wordt telkens en opnieuw een verwrongen beeld van Nederland voorgeschoteld en daar zitten ze maar mooi mee opgescheept. Nu denken ze dus dat over veertig jaar de schoolbanken vol zitten met gesluierde meisjes en jongens met een vlassig baardje. Een kwestie van beeldvorming.

Het aantal moskeeën in Friesland is op één hand te tellen, maar o wee, ergens daar buiten het dorp gebeurt iets ernstigs. Nederland gaat naar de filistijnen denken ze, vooral omdat de media er een potje van maken door valse termen als massa-immigratie zonder oogknipperen over te nemen van de politicus die de Nederlandse politiek in zijn greep heeft. Hij bedrijft mediapolitiek. Strooit met soundbites die het achtuurjournaal halen. Twittert als een koekoek.

Het resultaat is een paradox. Ik lees in 'Moslims in Nederland', een uitgave van Forum, het instituut voor multiculturele vraagstukken, dat bijna 80% van de autochtone jongeren gelukkig is en tevreden met de woning en de woonbuurt. Daarover zijn ze net wat meer tevreden dan de allochtone jongeren. Maar ondertussen zijn ze juist minder te spreken over de Nederlandse samenleving dan de allochtone jeugd. Sterker nog: bijna 80% van de autochtone jongeren vindt dat het niet goed gaat in de natte polder. Onze eigen kinderen! Ontevreden! Terwijl het leven welvarender is dan ooit, vinden zij dat hét niet goed gaat. Je weet wel: hét! De crisis. Het gerommel in Europa. Het gegraai aan de top. Dat gedoe met de moslims. Een kwestie van beeldvorming.

Als het in de woning en woonbuurt goed leven is, waar komt de ontevredenheid over de samenleving, die verzameling woningen en woonbuurten, dan vandaan? Wel, als mensen aan Gouda denken, denken ze eerder aan Marokkaanse probleemjeugd dan aan kaas. Als ze denken aan migratie, schieten de woorden massa en tsunami te binnen. Als ze hoofddoeken zien, weerklinkt de kopvoddentax en als ze Job Cohen op televisie voorbij zien komen, denken ze onwillekeurig aan de bedrijfspoedel van het kabinet. Politici lijken onmachtig dit tij te keren en de media kopiëren de getweete oneliners van de man die de Nederlandse politiek in zijn greep heeft.

Doe toch eens normaal, man! Ik hoop dat 2012 een jaar wordt waarin we weer bij zinnen komen. Weg met Oh Oh Cherso, de echte Gooische meiden en die opgeblazen reporter van Powned! Zo leren kinderen toch nooit hoe ze met open armen de burgers van de wereld moeten ontvangen? Het is toch van de zotte dat we het als fatsoenlijk land van tolerantie zo ver hebben laten komen dat kinderen denken dat de islam ons over veertig jaar volledig in de greep heeft en dat we er bang voor moeten zijn? Het is een kwestie van beeldvorming inderdaad.  


(gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op 10-01-12)

maandag 6 februari 2012

Kerstpakketgevoel

In de aanloop naar de kerstvakantie die het schooljaar in tweeën breekt, sluipt een sfeer in het schoolgebouw die smaakt naar warme chocolademelk. In de personeelskamer heeft een conciërge de heidense spar weer opgetuigd. De kerststukjes schijnen in al hun lelijkheid en op de radio kabbelt zachtjes de bekende lijst kerstklassiekers. Docenten neuriën mee, kloppen elkaar bij de koffiemachine op de schouder en zeggen zonder woorden: nog even jongens, dan is het vakantie.

Zo geleidelijk als die warme-chocolade-melksfeer kwam, zo plotseling staat in de hoek van de personeelskamer opeens een muur van dozen – zo hoog, dat het binnenvallende decemberlicht geweerd wordt en de personeelskamer in een gezellige donkerte gehuld gaat. Eerst ligt er een gordijn over de dozenmuur, maar de nieuwsgierigen hebben er al lang onder gekeken: het zijn de kerstpakketten. Iemand is er zelfs al mee naar huis gegaan. Onder de snelbinders.

En hoe lijkt het, vraag iemand. Niet groot dit jaar, fluistert een ander. Het geld is op, zegt de derde.

Als het gordijn er eenmaal is afgehaald zoek ik mijn gezelligheidsdoos tussen de meer dan honderd andere. Ik schud de doos, terwijl ik mijn oor er tegenaan leg, en herken gelijk het klotsen van de wijn. De kerstman zij dank, er is wijn. Tegen het zere been van de kerstpakketpuristen, open ik de doos om het wijnetiket te bestuderen. Al snel staan collega's om mij heen, de keurende blik over mijn schouder ín de doos gericht. Mijn doos is die middag demodoos.

Een kerstpakket staat anno 2011 garant voor gesabbel. Dat was toch anders toen de boer voor de kerst zijn knecht een doos etenswaren meegaf. Reken maar dat die knecht de koning te rijk was met dat overlevingspakket vol brood en spijs in die barre winters van toen. En óf, dat hij na tweede kerstdag opgeladen en gemotiveerd en met een gulle lach terugkeerde naar het boerenbedrijf. En dat hij, hoe hard de grond ook bevroren was, de spade de grond injoeg alsof het boerenleven er van afhing. Dat deed een kerstpakket toen met de werknemer.

En dan nu. Ik denk soms dat alleen een iPad nog zou voldoen, want recessie of geen recessie, we hebben zelf altijd nóg betere wijn in huis en pas op, onze borrelschaaltjes zijn ontworpen door een échte designmeneer. En wie eet er nog ragout? Of kaasvlinders? Dat gebruikt Jamie Oliver toch ook niet in de keuken?

Bij thuiskomst zet ik de geopende doos op de keukentafel om de inhoud nauwkeuriger te bestuderen. De losjes beschilderde schaaltjes zijn nogal fragiel en het kistje waar alles in zit onbruikbaar, maar misschien goed voor de haard, zeg ik tegen mijn vrouw. Verder zulks als nootjes, chocolade en thee, het geheel op een bedje van nephooi dat, als ik het uit de kist pak, aanvoelt als kant-en-klaarnoedels die nog gekookt moeten worden en dat ontzettend veel rommel geeft, zodat ik even later met de stofzuiger in de weer moet.

Sla mij maar over volgend jaar, stort mijn deel maar op giro zoveel, schreeuw ik door het geblaas van de stofzuiger heen naar mijn vrouw.

Dan geeft ze mij de envelop die ook in de doos zat. Ik open die en lees tot mijn schrik dat het houten kistje gemaakt is door leerlingen van de praktijkafdeling, evenals de kwetsbare schaaltjes met het abstracte verfpatroon. Er staan zelfs foto's bij van de lieve jongelui, gewapend met verfkwasten en schroevendraaiers.

Opeens vind ik het kistje en de schaaltjes ontroerend mooi. Dat is ook kerst.

Ze staan nu in de kelder op een plank. Ik ga er geen vuur van stoken, ze misschien af en toe gebruiken, maar ik ga ze zeker niet weggooien. Het is goed zo.