donderdag 16 september 2010

De poes is in de tuin

De eerste schoolweken zijn altijd hectisch, maar dit jaar duizelt het me als nooit tevoren. Ik behandel de Renaissance met de tweede klassen, de prehistorie en oude beschavingen met de vierde klassen en de Nederlandse parlementaire geschiedenis met de examenklassen. Ik geef les aan havo, vwo en gymnasium, ben bezig met een vakoverstijgend project, probeer namen te onthouden en een sectie voor te zitten. Tussendoor saus ik muren en plafonds, ruzie ik met mijn vrouw, schilder ik kastjes en pak ik dozen in en uit. Terwijl ik gisteren met mijn schoonmoeder voor de veertiende keer telefonisch overleg voerde over de gordijnen, reed ik pardoes de verhuiswagen tegen een viaduct dat ik verkeerd inschatte. Het jaar begint fraai.

Mijn vrouw en ik zijn verhuisd naar een woning nabij het plantsoen. Het is een schippershuis uit het einde van de negentiende eeuw. We kochten het van een eloquente dame die er 23 jaar had gewoond. Ze had de woning eind jaren tachtig betrokken toen ze vijftig was en nog klassieke talen doceerde aan een gymnasium.

Ik bezocht de woning voor het eerst zo’n drie maanden geleden. Het huis stond vol met boeken, rook naar katten en ademde de klassieken. De dame en ik spraken elkaar kort. Ze plande een reis naar Italië op haar laptop. Ze was duidelijk bij de pinken. Haar kat heette Hannibal. ‘Toch niet de Carthaagse generaal Hannibal, de schrik van Rome?’, vroeg ik haar. Ze lachtte: ‘Ik ben bang van wel…’.

Enige tijd terug liet ik haar naam vallen in de personeelskamer. Mijn collega van Latijn keek op. Mevrouw van Assendelft zei je? M. van Assendelft? De kiene dame bleek de schrijfster te zijn van Via Nova, misschien wel het meest gebruikte lesboek voor het schoolvak Latijn.
Iedereen die als leerling gewerkt heeft met Via Nova herinnert zich nog de avonturen van de tweeling Marcus en Lucius Flavus. Ecce, Lucius Claudius Flavus. Flavus est pater. Pater in tablino sedet, zo luiden de eerste zinnen van het boek: Kijk, daar heb je Lucius Claudius Flavus. Flavus is vader. Vader zit in het werkvertrek.

Mevrouw van Assendelft schreef het boek in wat vroeger haar en thans mijn werkvertrek is. Dat is een inspirerende gedachte. Ze schreef die eerste zin en de volgende misschien wel daar waar ik nu zit. Natuurlijk, ze sliep net zo goed in de kamer die nu onze slaapkamer is, ze kookte in de keuken waar wij nu ook ons eten bereiden, liep over dezelfde eikenhouten vloer en warmde zich in de winter aan dezelfde haard – maar het idee dat ze met hetzelfde uitzicht, met dezelfde achtergrondgeluiden, hetzelfde licht, tussen dezelfde muren en onder hetzelfde plafond gewerkt heeft aan een lesmethode voor middelbare scholieren, dáár word ik warm van.

En niet alleen dat, ze heeft bovendien honderden, misschien wel duizenden lessen voorbereid in dat kleine vertrek. Noem me gevoelig, maar ik geloof dat ik van dat verleden ga profiteren. Die werklustige, intellectuele vibe is niet meer uit die kamer weg te sausen, hoe hard mijn moeder het ook heeft geprobeerd.

De werkkamer kijkt uit op een kleine achtertuin die omringd wordt door schuttingen. Feles in horto est, schreef mevrouw van Assendelft aan haar bureau: de poes is in de tuin. Maar Hannibal is verhuisd. En wij hebben besloten geen poes te nemen.

woensdag 1 september 2010

Sessie op de hei

Zeven weken vakantie gaan je niet in de koude kleren zitten. September naakt en dus begint het Grote Omschakelen. De pittoreske Franse landweg tussen de wijngaarden slingert nog vers door het geheugen, maar is opeens de A7 richting Drachten. Barbecue wordt teamvergadering. Happy hour wordt nablijfuur. ‘Kom er gezellig bij zitten’ wordt ‘Ga je maar melden’. Vrienden worden collega's. Zomer wordt herfst. De avonden donkeren al. Nee, ik zeg het, het is afzien.

Directies sluiten de vakantie niet zelden af met een zogenoemde ‘sessie op de hei’. Daar wordt dure wijn bij gedronken, stel ik me zo voor, om vrijuit te kunnen spreken en om met elkaar te kunnen lachen. Misschien komt er een flink betaalde spreker te gast die een cursus aanbiedt over probleemgericht oplossen, zelfreflectief leidinggeven of zen-boeddhistisch vergaderen. Dat is dan allemaal mooi meegenomen. Maar ik hoop, en dat doe ik ten zeerste, dat directies tijdens hun sessie op de hei vooral praten over de inhoud van het onderwijsbedrijf waar zij leiding aan geven.

Het schijnt mij na vier schamele jaren onderwijservaring toe, dat binnen veel scholen niet de inhoud, maar vooral de vorm toonaangevend is geworden. Scholen zijn bedrijven die zichzelf presenteren in een glossy met fraaie cijfers en mooie plaatjes. Zoals in een campinggids een 'rustige gezinscamping' beschreven staat, maar níet de caravanburen, die de nachtelijke gewoonte hebben vloekend en schreeuwend met elkaar te praten. Of dat het 'ruime, schone zwembad' een bomvol hutjemutjebad blijkt, waarin gillende kleuters hun plas de vrije loop laten - de gids maakt er geen gewag van.

Ik wil weten wat ik aan een school heb, zoals ik ook wil weten wat ik aan een camping heb. Ik wil kwaliteit.

Je kunt er als directie alles aan doen de doorstroom van leerlingen te bevorderen, maar dit mag niet ten koste gaan van de kwaliteit van het onderwijs. De overgangsnorm versoepelen, zodat opeens 15 % meer leerlingen naar havo 4 kan – zo is elke kwibus in staat probleemgericht op te lossen. Maar de kinderen die anders niet, maar nu wel zijn overgegaan hebben minder in hun mars dan de leerlingen die een jaar eerder doorstroomden. De kans is groot dat zij op hun weg naar het examen zullen sneven.

Uniformering, door bepaalde regels te laten gelden voor alle vakken, is ook zoiets. Tuurlijk, de inspectie vindt het overzichtelijk en de ouders snappen het zo ook beter. Lekker transparant zo. Maar als bijvoorbeeld een maximum aantal toetsen per vak wordt ingesteld, betekent dat voor sommige vakken een didactische degradatie. Vakdocenten weten zelf het beste hoe en wat er wanneer getoetst moet worden, dat is niet aan managers.

Het verschil tussen de schoolexamencijfers en de eindexamenresultaten kan tot een minimum beperkt worden – naar de pijpen van de inspectie – door de schoolexamens door te schuiven naar het examenjaar, maar als dit botst op vakinhoudelijke bezwaren, brand je vingers er niet aan. Een nieuw schoolgebouw – o, dat moderne! – kan geënt zijn op didactische noviteiten, maar als die elders gedoemd tot mislukken blijken, wijzig dan de bouwplannen. In hun keuzes lijken directies vooral gestuurd door de inspectie, de media, de trends en door media- en trendgevoelige ouders, maar weinig door docenten.

Natuurlijk telt de vorm, en dat is ook waar directies zich mee bezig moeten houden. Maar laat de verpakking niet ten koste gaan van de content, want inhoudelijke kwaliteit is uiteindelijk de beste reclame die een school zich kan wensen. Ik hoop dat de wijn op de hei uitmuntend was.

woensdag 23 juni 2010

Vreemd haar

Zoals altijd werd enkele dagen voor de Tweede Kamer verkiezingen op honderden scholen middels schaduwverkiezingen gepeild wat middelbare scholieren zouden stemmen als ze dat toegestaan werd. Niet zelden geeft de uitslag van deze spek-en-bonen-verkiezingen de heersende tendensen in het land vergroot weer. Jongeren zijn sterker geneigd tot extremen, maar ook trendgevoelig en daarom verontrust de uitslag mij niet al te zeer.

De PVV werd de grote winnaar, gevolgd door de VVD. De dagelijkse peilingen hadden al de ouderlijke en grootouderlijke neiging daartoe getoond. Zoals de ouden zingen, zo piepen de jongen. De SP en het CDA incasseerden inderdaad het grootste verlies. Net echt. Bij de gemeenteraadsverkiezingen afgelopen maart was de PvdA nog de grootste partij. Jongeren gedragen zich naar trends. En Geert Wilders is momenteel een trend.

Tieners zijn niet bezig met de verhoging van de AOW-leeftijd of met de hypotheekrenteaftrek. Een miljoen meer hier, een miljoen minder daar, een procent zus en een procent zo – het laat ze koud. Je zou denken dat ze zich misschien zorgen maken over het milieu, of over armoede, maar helaas, uiteindelijk vindt een groot deel het gewoon cool, stoer en kicken om te stemmen op jan Klaassen en zijn poppenkast. Op tv hoorde ik een meisje haar stem op de PVV toelichten: ‘hij heeft zulk vreemd haar’, giechelde ze. Aha, vreemd haar. Persoonlijk vind ik dat koningin Beatrix vreemd haar heeft, maar daarom ben ik nog geen voorstander van de monarchie.

Als ik in een willekeurige klas vraag wat mijn leerlingen zouden stemmen, is er altijd een flapuit die met een grote grijns ‘Wilders’ roept. Als ik vraag naar een motivatie, dan blijkt die te ontbreken. De grapjas riep ‘Wilders’ zoals hij ook ‘Terror Jaap’ zou roepen als ik had gevraagd naar zijn favoriete Gouden Kooi personage, of ‘Maradona’ wanneer gevraagd naar zijn favoriete bondscoach. Zo werkt dat dus. Opvallende types scoren, ongeacht hun verleden, hun wanstaltig gedrag of hun discriminerende opmerkingen, enkel en alleen omdat ze in het oog springen, omdat ze karikaturen zijn.

Bij het doorbladeren van een schrift stuit ik zelfs nog wel eens op een hakenkruis. Die leerling is uiteraard geen supporter van de holocaust, maar hij vond het ongetwijfeld stoer dat weerzinwekkende symbool in de kantlijn te krassen. We zouden de jeugd echter overschatten als we achter elke uiting een doordachte motivatie vermoedden.

Je zou ook kunnen denken, de jeugd stemt niet op een poppenkast, maar heel rationeel, want tégen de machthebbers die er een soepzootje van hebben gemaakt. De blonde Mozart-lookalike uit Venlo is een populist; de regerende partijen worden door hem afgeschilderd als een elitair clubje en alle Henken en Ingrids in het land zijn daar de dupe van. Een stem op de PVV is dus een tegenstem en daar houden jongeren van, lekker tegen zijn. Waar het tegengeluid vroeger aan de linkerkant van het spectrum zat, vinden we dat tegenwoordig ter rechterzijde.

Maar ik betwijfel dat. Dat strijdlustige elan is de jeugd sinds de democratisering van de welvaart kwijt, maar om nu te zeggen dat de volgende generatie kiezers uit intolerant hout is gesneden, dat is overdreven.

Als de Surinamer Elia een passeerbeweging maakt, of als de Marokkaan Afellay de bal dood op zijn voet legt, is het de jeugd die het hardst op de vuvuzela blaast.

woensdag 9 juni 2010

Infobees of webwurm?

Ik keek niet op toen vriend D onlangs opbiechtte dat hij lijdt aan infobesitas. ‘Ik heb last van infobesitas’, zei hij. ‘Dat weet ik’, zei ik. ‘En je vindt het nog cool ook.’ Vriend D is verslaafd aan informatie. Zonder internet is hij onthand en rusteloos. Met zekere regelmaat heeft hij een informatie-injectie nodig. Dan checkt hij zijn mail of surft van link naar links over het internet. Daar wordt hij kalm van.

Infobesitas dus. Een nieuwe ziekte. Een trendy ziekte zelfs. Eind vorig jaar stond de term opeens bovenaan de toptien van jongerentrends van 2010 en schijnbaar komt de voorspelling uit, althans in zoverre dat de benaming voor informatieverslaving steeds vaker opduikt. Ik vind het zorgelijk dat iets met de naam van een ziekte aangeduid wordt als trend.

Infobesitas bestaat, maar nu ik er over nadenk geloof ik niet dat vriend D infobees is. Hij is eerder een webwurm, iemand die naar parels vist in een grote oceaan. Hij weet de knikkers van de stront te scheiden. Hij zoekt naar oorspronkelijkheid, naar originele uitingen op het web. En daar zijn er genoeg van.

De infobees daarentegen is het om het even welke informatie aangeboden wordt en slurpt alles blind op. De stereotiepe patiënt is een tiener die 75 sms’jes per dag verstuurt, er evenzoveel ontvangt, die onrustig wordt zonder mobiel, die lid is van minstens drie sociale netwerksites en die op de hoogte móet zijn, want al het nieuws – hoe triviaal ook – is superbelangrijk.

De datastroom lijkt eindeloos en veroorzaakt daarom stress. De oorzaak is voornamelijk peer-pressure: het idee niets te mogen missen, omdat je dan een stap achterloopt op de rest.

Een flink deel van mijn leerlingen is patiënt. Het is aan het onderwijs om leerlingen wegwijs te maken op het internet. In de eindeloosheid van de informatie zitten juist de mogelijkheden. Van infobesen moeten we webwurmen maken.

Het is een veelgehoorde klacht dat leerlingen onzorgvuldig hun bronnen kiezen. Teksten worden niet meer gelezen, maar direct gekopieerd en geplakt in het verslag. De informatie die gebruikt wordt staat onder de eerste hit die Google levert – dus elk levert hetzelfde werkstuk in. Google als gezaghebbende autoriteit op het gebied van… Tja, autoriteit op álle gebieden!

De oplossing? De informatie optimaliseren. Internetbronnen kunnen spelfouten bevatten, zijn vaak onvolledig of slecht geschreven. Sites als Wikipedia zijn open-source – met andere woorden: iedereen kan meeschrijven. Laat leerlingen eens een tekst aanvullen, verbeteren, of laat ze een eigen mening over de aangeboden informatie formuleren. Of laat ze reageren op samenvattingen, werkstukken en websites van leerlingen van andere scholen.

Overigens, ik zeg niet dat het gebruik van internet een doel in het onderwijs moet zijn, maar verstandig gebruik van internet moet dat wél zijn.

Eerlijk gezegd herken ik zelf ook die welhaast onstilbare honger naar informatie. Als ik mijn mobiele apparaat niet in mijn broekzak vind, omdat die ergens is blijven liggen of als de batterij leeg is, dan word ik een beetje nors. Wanneer ik mijn mail niet kan checken, begint er iets te knagen. Ik móet online zijn, anders voel ik me gemankeerd, alsof ik oogkleppen draag. Offline zijn veroorzaakt een onrustig gevoel.

Infobesitas dus. Een kinderziekte. Het fenomeen dat we via smartphones non-stop online zijn is relatief nieuw. Niemand heeft de kinderen in mijn klas verteld hoe je om moet gaan met die eindeloze stroom data. Iemand met infobesitas moet gezond gaan surfen. Maar dat moet je wel leren.

woensdag 26 mei 2010

Observaties van een surveillant


-->
Ik zit nog maar net op mijn surveillancepost als buiten de zon gaat schijnen en een vaal licht de gymzaal binnenvalt. Aan de muur is een geel papier gehangen dat een verzoek laat lezen: wil diegene die thee wenst, het roerstaafje dwars op de beker leggen. Langs de halfgeblindeerde ramen van de gymzaal schieten de schaduwen van vogels. Het zijn meeuwen en kraaien. Er start een brommer. Enkele leerlingen kijken geërgerd op, maar al snel ebt het ronkende geluid in de verte weg. Dan is het weer muisstil in de examenzaal – iedereen is geconcentreerd.
Vandaag is het de eerste examendag. Ik zit bij het examen Nederlands. Op Twitter is dit examen vandaag in Twitter-jargon trending, dat wil zeggen wereldwijd één van de meest besproken onderwerpen op de site. Examenleerlingen delen hun stress, emoties en klachten op internet. Dat doen ze meer dan ooit.
Als surveillant mag je niets doen, behalve leerlingen voorzien van een nieuw vel papier of hen begeleiden naar het toilet. Toch kan mijn collega van wiskunde het niet laten met zijn grafische rekenmachine te spelen. Af en toe loert hij over zijn leesbril en scant hij de rijen op zoek naar opgestoken vingers.
Op elke tafelhoek staat een plastic automaatbeker in een bruine houder; bij de koffiedrinkers met het roerstaafje er naast, bij de theedrinkers er dwars op.
Daar zeg je zo wat. Waar blijft eigenlijk de koffie?
Tegenover mij, aan de andere kant van de zaal, zit een collega van geschiedenis. Hij grijnst. Vanuit onvrede met de gang van zaken op school bedacht hij ooit de kreet ‘een erectie tegen de directie’. Ik herinner het me en grijns terug. Hij maakt met gebolde wangen en grote ogen – als blies hij een ballon op – duidelijk dat het hem allemaal te lang duurt. Hij zat liever op zijn motor. De zon is immers gaan schijnen.
De in strakke rijen opgestelde tafeltjes, elk voorzien van een nummer, de geur van jarenlang zweten in de gymzaal, de blauwe vloer met lijnpatronen, het gymmateriaal in de berging – die sfeer bekoort mij zeer. De meegebrachte boterhammen, mueslirepen, het knisperen van sultanaverpakkingen, het openen van blikjes energydrink. Kliksssshhh! De klimwand, de nooduitgang, het knagen aan de pen. Het verzitten. Benen over elkaar en weer niet. Hier en nu moet het gebeuren. In drie uur de helft van je schoolcijfer scoren. Wippende voeten. Gedoe met haar.
De stilte.
Tsja, hier en nu. Dat was voor de leerlingen tot dusver vooral het motto búiten school.
Daar is de koffie. Ik lees nog eens het verzoek op het gele papier. Als je een roerstaafje op een beker legt, leg je dat dan niet per definitie dwars erop?
Na de koffie en thee gaan er vingers omhoog. Er gaan vooral veel meisjes naar het toilet – mijn geschiedeniscollega blijkt later te hebben geturfd. Slechts één op de zeven toiletgangers was een jongen.
Bij de ingang, naast een doos automaatbekers – 3000 stuks 180 cc wit – liggen de talloze mobiele telefoons op een tafel. Daarop schrijven de leerlingen na afloop hun sms’jes, krabbels en tweets. Over hoe het ging. Hoe zwaar kut het was of hoe fucking simpel misschien.
Ik neem een slok van mijn koffie en kijk opzij. De muurklok zit in een kooi, beschermd tegen rondvliegende ballen. Nog een uur te gaan. Ik mag niets doen. Mijn collega’s evenmin.
Tweet. #Gymzaal: Surveilleren bij examen Nederlands. Wachten op vingers. Gelukkig koffie.

dinsdag 11 mei 2010

Collega van L.O.

Het was leuk opgezet en ik ben blij dat ik de tweestrijd won, maar had ik de grimmigheid van het duel voorzien, ik had er vermoedelijk voor bedankt.

Mijn collega N. is van de sectie lichamelijke opvoeding – hij is sportief, competitief, zelfverzekerd en kent geen ander doel dan de overwinning.

En bij verlies is er het excuus.

Toen ik de trofee had ontvangen en even later met collega N. alleen was, vertelde hij me lachend dat hij de jury had geïnstrueerd mij op het tweede onderdeel te laten winnen. Heus, dat zei hij. Dat hij me ronde twee had láten winnen.

Enfin.

Eindexamenleerlingen hadden collega N. en mij uitgedaagd voor een tweegevecht dat gefilmd werd en op de laatste schooldag in een overvolle aula getoond zou worden.

Zo zagen de leerlingen ons in de supermarkt, als bezetenen. In twee minuten voor zeven personen eten kopen voor niet meer dan een tientje. Ik verloor omdat ik 32 eurocent teveel aan artikelen in het wagentje had. De aula hoorde collega N. gnuiven: ’32 cent Posthumus! Net teveel! Jammerrr!’.

Wat de leerlingen in de aula niet zagen was dat een halfuur voordien wij elk in de auto met enkele leerlingen richting supermarkt waren gereden. Ik had nog maar net een week mijn eerste auto. Collega N. reed in zijn snelle Volkswagen achter mij, op bepaalde momenten wild claxonnerend en flitsend met zijn groot licht. In mijn spiegels zag ik de grote grijns in de auto achter mij. Mijn rug prikte van het zweet, vooral toen ik tot groot genoegen van collega N. de parkeergarage miste. Na de supermarkt stond het 1 – 0 in mijn nadeel.

Op weg naar mijn woning – waar de tweede ronde zou plaatshebben – wederom getoeter en verblindend licht. Het scheen me toe dat de strijd was losgebarsten als een onweer dat nog wel even aan zou houden.

Ronde twee was een kookwedstrijd, wederom gejureerd door de filmende leerlingen. Er moest een pasta geserveerd worden, bereid met de in de supermarkt aangeschafte producten. Collega N. verstopte mijn teentjes knoflook, maar faalde in timing en accuratesse. De aula zag hoe ik in mijn bloemetjesschort uiteindelijk de tweede ronde binnensleepte. Het stond 1 – 1. Dat collega N. achteraf zei dat hij mij de ronde cadeau had gedaan vond ik een onbetamelijke belediging. Mijn pasta overtrof de zijne qua smaak én presentatie.

De filmbeelden toonden overigens niet dat ondertussen in de woonkamer mijn spelcomputer was aangezet. Terwijl de pasta op het vuur stond, waagden collega N. en ik ons aan een partijtje bowlen. Leuk, zou je zeggen, maar dat collega N. mij af en toe aanduwde als ik aanlegde voor een strike, ervoer ik als kinderachtig en onnodig.

Ronde drie was beslissend. Het aanvankelijke plan van de leerlingen ons zoveel mogelijk telefoonnummers van vrouwen te laten verzamelen werd eensgezind verworpen. Collega N. vond verliezen een te groot risico en ik bedacht me tijdig dat het een beschamend schouwspel zou zijn geworden.

Het kwam daarom op een wat flauwe schattingsvraag aan. Ik won, omdat ik vrij nauwkeurig de leeftijd van de mensen in de kroeg wist te raden. Ik kreeg een bierglas met fietsbel en was vooral opgelucht dat het afgelopen was.

Collega N. bracht de nacht door op mijn logeerbed, maar was ’s ochtends al vroeg vertrokken. Bij de vertoning van de filmbeelden in de aula tijdens de laatste schooldag heb ik hem niet gezien.

woensdag 28 april 2010

Proost! Op de tieners

Kortgeleden is in kaart gebracht dat in Nederland zo’n vijftienhonderd zogenaamde drinkketen staan, voor een groot deel in de provincies Friesland en Overijssel. Een andere recente publicatie laat lezen dat het aantal jongeren dat opgenomen wordt met een alcoholvergiftiging het afgelopen jaar is toegenomen tot meer dan vijfhonderd per jaar.

De reactie is altijd dezelfde. Onze jongeren! Met hun tere hersenen! Zie hoe ze op YouTube emmers bier wegdrinken alsof het water betreft na een week in de woestijn. Er moet iets gebeuren! De reacties zijn overtrokken. Het is waar, de fontanel heeft zich nog maar pas gesloten, maar het probleem moet niet groter gemaakt worden dan het is. Ik hef daarom het glas op relativering.

In de media komt een verwrongen beeld van de tiener naar voren. Ze worden bij de haren gepakt en gezamenlijk neergezet als alcoholverslaafden. Met terugkerende termen als zuipkeet en comazuipen wordt het plaatje nog somberder. Alsof tieners zich in het weekend en masse terugtrekken in dat hok in de weilandhoek om zichzelf bewust tot een coma te drinken.

Dat is een bezopen generalisatie. Veel van mijn leerlingen van vijftien of zestien hebben nog nooit een druppel alcohol geproefd. Anderen zeggen wel eens aangeschoten of dronken te zijn geweest, maar uit alles blijkt dat het doorgaans allemaal nog erg onschuldig is. Ik maak me niet ongerust over de tieners. Ze zijn precies als hun voorgangers, ze zoeken af en toe de grens op, maar kennen hun verantwoordelijkheid.

Tuurlijk. In de weekenden gaan ze naar hun keet, of naar donkere hangplekken met een plastic tas vol blikbier of mierzoete kleurdrankjes. Er wordt wat wiet gerookt en soms fietst er een de sloot in. Maar zo hoort dat als je jong bent. Er zijn in Nederland twee miljoen tieners die experimenteren. Dat moet je ze gunnen, maar vertel ze wel dat buitensporigheid nooit gewoon mag worden. Waarschuw ze en licht ze goed in.

De VNG wil nu de leeftijdsgrens voor het kopen van drank verhogen van zestien naar achttien jaar. Een zot plan. Met softdrugs werkt dat ook niet. Probeer eerst eens een strengere handhaving van de huidige leeftijdsgrens. Bestraf supermarkten die de regels overtreden. Een leeftijdsverhoging zal de excessen niet voorkomen. Sterker nog: het aantal uitspattingen zou waarschijnlijk toenemen omdat de controle afneemt.

Boven alles: breng het woord comazuipen niet in verband met de jeugd. Een coma is nooit het doel. Beschuldig mijn leerlingen er niet van dat ze zich bewust bewusteloos drinken. Zijn het niet vooral volwassenen die in staat zijn zich bewust de zorgen uit de kop te spoelen met alcohol? Het is misschien juist die begerenswaardige zorgeloosheid van de jeugd die de overspannen reacties heeft gewekt. De mens is van zichzelf een jaloers wezen, vooral als het jeugdigheid betreft.

Dus wat zou het. Proost! Gun de jeugd de jeugd, maar schilder ze niet af als een stel bezopen idioten. Geef toe, het liefst zouden we er allemaal onbekommerd er op los leven. Helaas leveren we met het passeren van de jaren steeds meer van onze jeugdige vrijheid in. Dus als er al een levensfase is waarin je de sloot in fietst door een biertje teveel, laat het dan de tienerjaren zijn. Ik vind het beeld van een beschonken volwassen man bedekt met eendenkroos tamelijk sneu, maar een jonge knul het water in zien slalommen, daar lach ik hartelijk om.

woensdag 14 april 2010

Meisjes zijn beter

Meisjes. Je moet er van houden. Maar als je er van houdt zijn ze geweldig. Je hebt meisjes in alle maten en soorten. Ze zijn dun, dik, luid, stil, links, rechts, dromerig, scherp, stoer, bescheiden, donker, blond, emo, alto of hip, maar als het er op aan komt zijn ze zonder uitzondering serieus. Ze heten Selena, Thirza, Elise, Janna en Laura. En ze zijn mooi. Meestal zijn meisjes op de eerste plaats mooi. En als het lente is, zijn de meisjes nog mooier.

Het zit ze mee. De meisjes hebben de wind flink in de zeilen. Ze blinken uit en laten de jongens achter zich. De oorzaak is zonneklaar: het onderwijs is als een rode loper voor de vrouw geworden.

Op crèches, naschoolse opvang en kleuterscholen is de man een nagenoeg uitgestorven soort. In het basisonderwijs is het plaatje niet anders: vier op de vijf leerkrachten daar is vrouw. Voorlopig zal deze samenstelling ook niet veranderen, want de pabo blijft slecht in trek bij mannen.

Dat lijkt nadelig voor jonge jongens, want die hebben volwassen ballen nodig om zich aan op te trekken. Jongens moeten op jacht, ze moeten rennen, onderzoeken en schreeuwen. Anders schieten ze in de stress. Meesters laten de jongensapen daarom lekker uitbrullen op het plein, maar juffen roepen de druktemakers eerder tot de orde.

Ondertussen kleuren de meisjes fijn tussen de lijntjes. Geconcentreerd en met de tong in de mondhoek. Ze wachten hun successen rustig af. En ze observeren. Jongens hollen, gooien en trappen, terwijl meisjes de kunst afkijken van volwassenen. Daarom leren ze sneller.

Net chimpansees.

Ook biologisch zijn jongens telkens net enkele stappen later. Jongens hebben nog nauwelijks een haar in de okselholte, als meisjes al hun eerste bh uitzoeken bij de h&m.

In groep 8 zijn de prestaties van jongens en meisjes niettemin vergelijkbaar, maar eenmaal op een middelbare school lopen jongens sneller tegen een muur op. Dat komt enerzijds omdat hun taalontwikkeling achterligt. Anderzijds vindt dat zijn oorsprong in het ‘taliger’ worden van het onderwijs.

Sinds de Tweede Fase is de nadruk komen te liggen op zelfstandigheid, plannen, werken in groepjes, het schrijven van verslagen en presenteren, kortom, op verbaal-linguïstische vaardigheden waar meisjes beter raad mee weten. Bovendien zijn ook exacte vakken als wiskunde en natuurkunde veel taliger geworden. De focus op abstract-ruimtelijk is verlegd naar een meer linguïstische bedrevenheid. De meisjes glunderen. Redactiesommen! Een ramp voor jongens en zeker voor hen die thuis geen Nederlands spreken.

Deze schoolse manier van werken wordt bovendien steeds meer gekopieerd in het hoger onderwijs en op de arbeidsmarkt. Op hbo’s en universiteiten zijn pop-verslagen en tussenevaluaties gewone elementen in het curriculum geworden. Jongens verliezen van de weeromstuit alle motivatie; meisjes plannen, schrijven en babbelen zich er doorheen.

Aangezien meisjes beter scoren op het Centraal Examen, worden zij buitendien in grotere getale toegelaten tot studies met een gewogen loting, zoals geneeskunde. Tel hier het pabo-probleem bij op en constateer dat de twee grote probleemposten van de overheid, onderwijs en zorg, de komende halve eeuw door vrouwen gedomineerd zullen worden.

Maar voorlopig kraaien in de top nog steeds de mannen. Boven op de heuvel zijn ze nog in hun element, omdat ze daar nog mogen hollen, trappen en spelen. Omdat ze mogen schreeuwen en brullen als apen. Maar let op! Op een dag schrijven ze hun eerste pop- of zelfreflectieverslag, letten ze even niet op en zwaait een vrouw de scepter. Dat is een kwestie van tijd.

dinsdag 30 maart 2010

Wachten op de tjiftjaf

In de vroege ochtend worden aan de zonkant van het schoolgebouw de zonweringen naar beneden gelaten. Het wordt snel heet in de lokalen. Ik laat het zonnescherm omhoog, geef de zon vrij spel in het lokaal een gooi de ramen open. Naast mijn lokaal op de derde verdieping is een klein hoekje groen aangelegd. Alsof de natuur zelf het boetseerwerk deed bestaat het uit een slingerpad, een kleine waterpartij, wat bomen en enkele struiken. Ik luister. Nog steeds geen tjiftjaf. Dus nog geen lente.

Als de leerlingen het lokaal binnenkomen hoor ik van buiten de het zachte koeren van een houtduif. Ik maan de groep tot stilte, houd een opgestoken vinger naast mijn oor en wijs ze op het geluid. Kennen jullie dit geluid? Dat is de houtduif! Ja, roept een meisje enthousiast, dit hoor ik altijd op de camping! Ik doe het raam nog verder open en probeer te communiceren met de duif door op mijn bijeengehouden handen te blazen. Even later doet de hele klas met gebolde handen een houtduif na: roe-koeeee-koeee-koe-koe. Dan zie ik plots twee eksters op het schooldak. Kijk! De Pica pica! Iedereen kijkt. Het klassikale koeren verstomt.

Een beetje docent houdt er een merkwaardige hobby op na: een eigenaardige buitenactiviteit (hij van natuurkunde vangt nachtvlinders), een stiekeme verzameldrift (hij van klassieke talen verzamelt modeltreintjes en spendeert soms een weekloon aan één locomotiefje) of kennis van buitengewone zaken (zij van Frans weet alles van Italiaanse wijnen). Leerlingen zien er een sport in deze zwakke plek te ontdekken en er af en toe naar te vragen. Toe meneer, vertel nog eens over uw modeltreintjes. De docent houdt de boot eerst af, want zo hoort dat, maar geeft graag toe. De kinderen zakken onderuit, luisteren en stellen vragen om maar niet aan Latijn te hoeven beginnen. Als de bel gaat is het bord veranderd in een plattegrond van het spoorwegennet op de zolderkamer van meneer Reinders die rode konen heeft van enthousiasme.

Zelf had ik een docent wiskunde die verzot was op orgels. Ik was verzot op zijn dochter én op zijn bordtekeningen van kerkorgels waar hij soms een halve les mee bezig was. Mijn docent Nederlands was vooral bioloog. Hij kon met geweldig enthousiasme vertellen over zeldzame mossoorten in de omgeving van Buitenpost. Mijn gelukkigste momenten op school waren die, waarop de boeken in de tas bleven en de docent zijn stokpaard van stal haalde. Zeg kinderen, heb ik jullie wel eens verteld dat ik in mijn vrije tijd de vrije natuur in ga om paddestoelen te fotograferen? Nee, meneer! Grinnik. Vertel! Een docent zonder merkwaardige hobby is invalide.

Mijn extra-curriculaire specialisatie is de vogelliefhebberij. Niet dat ik erg veel van vogels weet, maar ik doe graag alsof. Mijn kennis van vogels rond het huis is weliswaar indrukwekkend, maar kom alstublieft niet met steltlopers aanzetten.

Nu een jonge lente binnenwaait overweeg ik zelfs hagenpreken te organiseren, lessen in de buitenlucht, om tussen de instructies door te kunnen wijzen op het geluid van het winterkoninkje, de merel, het roodborstje en de verschillende mezen.

Maar het wachten is op de tjiftjaf. Hier en daar al gehoord in den lande, maar nog niet in de boomtoppen naast mijn lokaal. Als het zover is stop ik de geschiedenisles, zet ik het raam wagenwijd open en ga ik luisteren met de gelukkige leerlingen die ik op dat moment doceer. Samen horen we dan dat de lente is begonnen.

dinsdag 16 maart 2010

Avatar

Bij de Oscaruitreikingen vorige week legde de gelauwerde animatiefilm ‘Avatar’ het af tegen de veel goedkopere, maar realistische Irak-film ‘The Hurt Locker’. Daar keek ik van op. ‘Avatar’ symboliseert als geen andere film de huidige tijdsgeest. Niet alleen verwijzen titel en verhaal naar de zelfgekozen identiteit van mensen in online gaming, op internetfora of binnen andersoortige sociale netwerken, de film is tegelijk een spetterende uiting van wat momenteel technologisch mogelijk is.

Dat de film niet de grote winnaar werd stelde me nochtans gerust. Ik ben geneigd de keuze voor de ‘The Hurt Locker’ te zien als een voorkeur voor mensen van vlees en bloed boven de doorgeschoten ‘second life’ die op internet bestaat. Ik deel die voorkeur. Mijn leerlingen bezitten allemaal een online identiteit die dagelijks onderhouden wordt, maar met de creatie van hun alter ego raakte hun aardse profiel alras in de vergetelheid.

Nu sinds enkele decennia naast de echte wereld een tweede, virtuele wereld is opgetrokken meten steeds meer jonge mensen zich een online identiteit aan: een zogenaamde avatar. Het is een incarnatie die je zelf in elkaar mag knutselen. Soms blijft die beperkt tot een fantasienaam of een plaatje, maar soms gaat het verder en verschijnt iemand als een gespierde magiër in een driedimensionale wereld. Je avatar is zoals andere mensen je online zien, maar meer nog is het een identiteit die je jezelf toewenst.

Op internet ben je een echte wereldburger. Het aantal samenlevingen waaraan je kunt deelnemen op het wereldwijde web neemt alsmaar toe. Hyves, MySpace, Facebook, LinkedIn: het is het bekende rijtje sociale netwerksites. Nieuwste telg is Twitter: elk volgt elk elke minuut van de dag. In 140 tekens per keer.

Gesprekken worden getypt, niet gevoerd. Muziek wordt gedownload, maar niet echt geluisterd. Waar zijn de grijsgedraaide cd-collecties (of liever: lp-collecties!) gebleven op jongenskamers die trots aan een nieuw vriendinnetje werden getoond? Hoe kun je überhaupt tien gigabyte aan muziek grijsdraaien?

Tegenwoordig zoenen een jongen en een meisje terwijl ze elk één oordopje van hun iPod in hebben, waarop verschillende nummers draaien die eigenlijk alleen maar irritant klinken, omdat ze slechts in één oor binnenkomen. En als ze praten, moeten ze schreeuwen, omdat ze elkaar niet verstaan. Ze werd trouwens verliefd op het grote aantal hyvesvrienden dat hij had.

En ze kunnen elkaar niet hun boekenplanken tonen, die zoveel zeggen over wie ze zijn en wat ze interessant vinden. Ze lezen hapsnapinternetlectuur of downloaden een boek op hun e-reader. En het ontbreekt ze aan dikke fotoalbums om door te bladeren. Jij als baby op het strand en de foto vergeeld. De foto is onvindbaar op de harde schijven. Hij laat een foto zien van hem in de discotheek, de avond ervoor, op zijn mobiel. ‘Oh gaaf’, mompelt het meisje. ‘Die staat ook op je Hyves.’

Een wandeling? Samen op de bank? Nee, liever zitten ze achter de computer, omdat ze zichzelf daar uitbundiger presenteren. Daar zijn hun honderden vrienden die allemaal op elkaar lijken. De meisjes met schalkse blik, de jongens poserend in stoere houding. Iedereen doet aan imagomanagement, maar alleen online. In het klaslokaal zijn het gewoon kleine kinderen. Maar hun identiteit staat online. Toegankelijk via mobiel, laptop of pc.

Ik vond Avatar een spectaculaire film, maar de blauwe wezens werkten op mijn zenuwen. Ze waren met teveel en ze leken op elkaar. Ik was de enige die geen traan wegpinkte van achter het 3d-brilletje, toen de bulldozers kwamen om een einde te maken aan die samenleving van groot uitgevallen Pocahontassmurfen.

dinsdag 2 maart 2010

Open dag

Ik had nooit de indruk dat de pubers die ik geschiedenis doceer zich in tussenuren in alle rust toeleggen op een partijtje schaken of dammen. Daarin had ik mij blijkbaar ernstig vergist. In mijn rondgang door het schoolgebouw tref ik op een lage tafel in de gang een dambord. Speelklaar. Ik knik goedkeurend, maar plots dringt het door. Natuurlijk! Het is open dag! Het speelbord is net te nonchalant neergelegd - ik heb te maken met een decorstuk.

Als de Cito-toetsen op de basisscholen achter de rug zijn, begint het wenken van de middelbare scholen. Vaak hebben ouders al wel een school in gedachten voor hun kind, maar een gebouw van binnen bekijken kan nooit geen kwaad, niet waar? Het is als het kopen van een nieuw bed. Je moet er een leuk uitje van maken. In de Ikea liggen ook tijdschriften op nachtkastjes die nooit gelezen worden. Dus ouders pakken de agenda erbij en noteren bij enkele namiddagen: open dag.

Wat zoeken ouders op een havo-vwo? Meestal veiligheid, orde en een schools klimaat, dat wil zeggen: een plek waar iets geleerd wordt. Vandaar het dambord in de gang. En daarom ging net nog een schoonmaakploeg met gezwinde spoed door het gebouw. Midden op de dag! Op het plein staan zelfs mooie houten vuilnisbakken die ik nog nooit eerder heb gezien. Alles op de prikborden hangt recht en de schoolborden zijn strak schoongeveegd. De stoelen staan keurig onder de tafels. Gekamde haren. Gerechte schouders. Teveel parfum. Een meisje speelt voorbeeldige pianomuziek ergens in de gang. Zomaar.

Maar ook de kinderen, de mogelijke nieuwe aanwas, moeten over de streep getrokken worden. Daarom staat in de aula plotseling een band geïnspireerd rockmuziek te spelen. En daarom ontploft er iets bij scheikunde. En de rook! En de stoom! En je haren gaan overeind staan als je je hand op de bol legt! De indruk wordt gewekt dat elk vak een kermisattractie is. Zelfs klassieke talen heeft een spelletje te doen. Kinderen zoeken zo ongeveer het tegenovergestelde van wat hun ouders zoeken: actie, vertier en gezelligheid.

Nou ja. Een poster van een raket kan misschien al overtuigend werken. Of een opgezette marter in het biologielokaal. Ik wil naar die school, want daar hebben ze zo’n beest mama.

De intercom! Het begint.

Attentie, attentie. De eerste gasten zijn gearriveerd. Wil iedereen naar zijn plek gaan. Herhaling. Wil iedereen naar zijn plek gaan! Ik kijk naar buiten. Inderdaad, daar draait een auto het verder lege parkeerplein op. Ik heb mijn turqoise Corsa moeten parkeren bij een hotel in de buurt. Elk afschrikwekkend object uit het zicht, is de gedachte.

De docenten installeren zich langs de route van het hoge bezoek. De collega’s van de natuurwetenschappen trekken hun witte jassen aan en zetten hun brillen op. Ik drentel rond in de geschiedenishoek. Ik heb een stapel boeken, iets spannends over mummies en een vikingschip klaargezet. Je moet toch wat.

Als de open dag weer achter de rug is wordt de piano terug naar het muzieklokaal gereden en verdwijnen de houten vuilnisbakken van het plein. Poppetje gezien, kastje dicht. Ik ben altijd blij als de voorstelling is afgelopen. De schoolse werkelijkheid is duizendmaal fraaier. Liever de posters scheef en aantekeningenresten op het bord. Liever een beetje vies en wat minder parfum alstublieft. Maar laat het dambord maar staan. Want je weet maar nooit.

dinsdag 16 februari 2010

Opel Corsa

Voor veel jongens hebben auto’s een onweerstaanbare aantrekkingskracht. Dat begint vaak al op jonge leeftijd. In het babyzitje op de achterbank verschijnt een glimlach als de motor gestart wordt. Op de driewieler neuriet de jonge knaap al motorgeluidjes. Later wordt aan de wielvork van de fiets een speelkaart bevestigd die door aanraking van de spaken ratelt als een motor. Nog weer later wordt een brommer aangeschaft en op de achttiende verjaardag staat de lesauto voor de deur. Eindelijk. Lessen!

Zo’n jongen is Douwe. Douwe is een klein blond baasje van dertien, misschien net veertien jaar oud, met verstand van auto’s. Hij zit in de tweede klas. Eerder had hij zijn verbazing al geuit over het feit dat ik op mijn leeftijd nog geen rijbewijs had. Sinds de dag dat ik het applaus van de klas ontving voor het behalen van het roze brevet, vroeg Douwe of de aanschaf van een voertuig enigszins vorderde. En waar mijn interesse naar uitging.

Mijn interesse! Ik had geen idee. Zelf was ik als kind geïnteresseerd in planeten en vogels. Iets later in geschiedenis. Pas toen ik bijna dertig was ontspon zich het idee autorijlessen te nemen. Nu ik plotseling mijn rijbewijs had, was ik geheel in het ongewisse wat betreft de aanschaf van een vehikel.

Een aantal jongens uit de zesde meende dat ik maar een Audi moest kopen. Dat reed wel lekker. Ze keken voor me op Marktplaats. Of een Volkswagen, meneer! Ik dacht aan mijn leeftijdsgenoten uit het dorp die op hun achttiende allemaal een Golf GTI aanschaften en daarmee tegen een boom reden. Of het kanaal in. En die zelf sleutelden aan hun auto. Nieuwe uitlaat, spoilers, de hele reutemeteut. Altijd zwarte handen, die jongens. Ik zette liever nieuwe snaren op mijn gitaar.

Collega’s zagen mij wel in een Mercedes rijden. Of in een Saab. Ja, een Saab, dat past wel bij een docent geschiedenis. Welnu, alle raad ten spijt, het is een Opel Corsa geworden. Voor vijfhonderd ballen. Ik ben de koning te rijk.

Hoewel.

In de personeelskamer kan ik maar beter mijn mond houden over mijn turqoise Corsa, want ik ben van de ene op de andere dag gedegradeerd tot onderwerp van scherts. Hoe laat ben je vandaag klaar, Jelte? Vier uur, hoezo? Nou, dan zorg ik ervoor dat ik wat eerder weg ben. Oh zo. Zeg Jelte, ga je ook carpoolen? Misschien wel. Wel een aanrader hoor. Hoezo? Dan heb je wat hulp met aanduwen. Oh zo. Zeg Jelte, je moet niet teveel praten over je Opel Corsa. Hoezo? Over sommige dingen kun je beter niet praten, weet je wel. Oh zo.

De eerste dag dat ik per auto naar mijn werk reed, nam ik voor de zekerheid twee collega’s mee terug naar Groningen. Je weet maar nooit. Straks pech.

Toen ik tweedeklasser Douwe vorige week toefluisterde dat het een Corsa voor 500 euro geworden was, keek hij op. Welk jaar? Vierennegentig. Hoeveel op de teller? Iets meer dan 180.000. Dat is niet veel. Mijn opa heeft ook een Corsa. Via Marktplaats. Trekt wel lekker op, hè? Elektrische ramen? Ja, elektrische ramen. Drie- of vijfdeurs? Vijfdeurs. Nou meneer, dat is een goede deal.

Ik heb me voorgenomen op school alleen nog met Douwe over mijn Corsa te praten. Die heeft namelijk verstand van auto’s.

woensdag 3 februari 2010

Donkere wolk

Als de resultaten van een school ondermaats zijn komt vroeg of laat de schoolinspectie op bezoek. De inspectie is visite die je liever niet te vaak en te lang over de vloer hebt, zoals tantes die spontaan de afwas doen en daarna thee blijven drinken tot het donker wordt. Een inspectiebezoek komt een school nooit gelegen. Sterker nog, schoolbesturen poepen natte derrie in de broek als het zover komt. Bereid de manschappen voor! De inspecteur komt er aan! Snel zelf de afwas doen, de ramen boenen en de vloer vegen, vooraleer de inspectie rode strepen in haar notitieblok trekt. Het lijkt wel een open dag!

Hoe zijn ze te herkennen, vraagt iemand zich af tijdens de koffiepauze. Dragen ze lange regenjassen, zoals Roel zei? Een inspectiebezoek, dat klinkt als iets uit de oorlog. Men roert zwijgend de koffie en kijkt naar het draaikolkje in de plastic beker. Ze halen alle kasten overhoop om te kijken of we de papierwinkel wel goed op orde hebben, zegt iemand. Ze nemen je mee in de auto met geblindeerde ramen voor een gesprek op de achterbank, meent een ander. Reken erop dat ze je lokaal binnenkomen, mompelt een vierde.

De inspectie kijkt vooral naar de resultaten en het onderwijsleerproces. Resultaten kun je eenvoudig aflezen, maar de vraag is welke criteria men hanteert. Waarom wordt voor het voortgezet onderwijs bijvoorbeeld zoveel gewicht gehangen aan het verschil tussen de schoolexamencijfers en de prestaties op het centraal examen? Leerlingen kunnen toch geweldig scoren voor het SE en berekenend het CE ingaan? Bovendien behelst het SE-deel geheel andere vaardigheden en kennis dan het CE-deel. Een verschil is dus goed verklaarbaar. Gewiekste scholen passen de normering van hun schoolexamens zo aan dat het gemiddelde een 6,4 wordt en de inspectie niet gaat blaffen.

Een groot verschil tussen het schoolexamen en het centraal examen is echter wel een reden voor een inspectiebezoek. Als een donkere wolk hangen plotseling de woorden ‘zeer zwak’ boven het gebouw. De wolk verdwijnt als de inspectie de voorgenomen verbeterpunten en het onderwijsleerproces voldoende acht. Dat moeten ze met enkele snelle gesprekken en lesbezoeken gepeild hebben. Docenten waren er op berekend en tonen didactische kunstjes als nooit tevoren, dansend naar de pijpen van meneer de inspecteur. Activerende didactiek, zoals u wenst!

Maar o wee! Als de inspecteur in zijn rondgang toevallig merkt dat een klas vijf minuten voor de bel al bij de deur staat, of dat enkele leerlingen onderuit gezakt in de banken hangen. Of als hij door de twee gaten in zijn krant ziet dat een docent vijftig minuten lang een film draait! Dan barst het onweer los en verkeert de school twee jaar in een depressie, want zolang krijg je om van je predikaat af te komen. En verbeteringen ten spijt, op internet is de school al die tijd ‘zeer zwak’.

De degradatie naar de lijst van zeer zwakke scholen is vaak een emotionele gebeurtenis. De school wordt een bordje om de nek gehangen met daarop het predikaat zeer zwak. Publiekelijk loopt een school te schande met dit nare ‘ezel-bordje’ . Kort na het inspectiebezoek laat de krant tot overmaat van ramp lezen dat de school onder curatele gesteld wordt. En op internet hetzelfde.

De docenten dachten al die tijd dat ze prachtige kinderen afleverden aan de grotemensenwereld. En dat deden ze ook, maar helaas niet volgens de juiste criteria.

dinsdag 19 januari 2010

Hitzum

Het is net middagpauze als de auto van Google Streetview door het terpdorp Hitzum rijdt. De dag is zonnig, maar als de auto de basisschool passeert is net een lichte wolk voor de zon geschoven. Een zachte schaduw ligt over het schoolplein en over de kleine groep kinderen die zich klaarmaakt naar huis te gaan.

Het is een kleine dorpsschool met aan de rechterkant een glijbaan, een klimrek en schommels. Voor de school is een bushalte en aan de andere kant van de straat liggen groene weilanden. Er lopen paarden. Daarachter windmolens, enkele boerderijen, en nog iets verder naar het noorden ligt Franeker.

Een still van Hitzum.

Mij kwam de film Être et avoir in de herinnering, dat ontroerende verhaal van een Franse dorpsschool met slechts dertien kinderen van alle leeftijden die les krijgen van één toegewijde meester. Kon het maar altijd zo klein, fijn en intiem zijn in onderwijsland. Zoals in die mooie film. Zoals in Hitzum.

Maar té klein is gevaarlijk in Nederland. Het rijk eist dat een basisschool minstens 23 leerlingen onder het dak heeft. Komt een school daaronder en toont de glazen bol geen groei, dan stopt de geldstroom. Zo kwam begin december het bericht dat 2010 voor basisschool Underweis in Hitzum het laatste jaar in zijn geschiedenis zal zijn. Het is een landelijke ontwikkeling: kleine scholen zien door vergrijzing en de trek van het platteland hun leerlingenaantallen afnemen. Steeds meer scholen zijn daarom gedwongen de deur te sluiten, omdat ze onder de opheffingsnorm komen.

Momenteel krijgen 22 kinderen les op basisschool Underweis. De vijf leerlingen in groep 8 vertrekken dit jaar, maar er komen volgend schooljaar geen nieuwe kinderen bij. Net zoals in veel dorpen de kruidenier, de bakker, de bank en het postkantoor zijn verdwenen, zo bloeden ook de kleine dorpsscholen dood. Welke ouders sturen hun kind naar een basisschool als in groep 3 maar één ander kind zit? En inderdaad, zeven mensen in dienst, dat is te duur voor die kleine groep leerlingen.

Er zijn wel oplossingen voor de kleine scholen. Een school kan proberen een nevenstichting te worden of trachten te fuseren, maar beide uitwegen gaan gepaard met de nodige mitsen en maren. Hitzum heeft het hoofd nog enkele jaren boven water weten te houden dankzij jonge asielzoekers uit Tzummarum, maar die werden blijkbaar weer teruggestuurd naar wie weet waarheen.

De gemeente en het schoolbestuur hadden trouwens eerder nog goede hoop op groei door de nieuwe woonwijk Franeker Zuid. In oktober 2007 werd in een officiële nota nog de voorspelling gedaan dat Hitzum zou meeprofiteren van de nieuw te bouwen wijk. Maar Franeker Zuid kwam te laat en nu gaat 1 augustus de deur definitief op slot. Volgend jaar toogt de Hitzumer jeugd naar buurdorp Achlum.

Op het plein wordt nog wat gestoeid en gedraald. Een meisje klimt op het hek. Een jongen staat op een lolobal en kijkt de passerende auto na.

Andere kinderen zijn al onderweg naar huis, zoals de twee zusjes op groene crocs die vrolijk huppelend de Hoofdstraat aflopen. De andere kant op, oostwaarts, ter hoogte van het kerkhof, fietst een vader met zijn twee kinderen. De zoon zit op de stang en de dochter achterop. Iedereen draagt een korte broek en T-shirt, want het is warm en in de groene kruinen van de bomen rond de school zingen vogels een zomers lied.

dinsdag 29 december 2009

Tafeltjesavond

Op veel scholen markeert de kerstvakantie het einde van een periode. De mentoren delen de rapporten uit aan de leerlingen die het papier soms achteloos in de rugtas stoppen en het uiteindelijk verfrommeld boven de dampende hutspot aan de ouders tonen. Oh ja, en dit briefje heb ik ook nog meegekregen: de uitnodiging voor het docentenspreekuur. Of jullie ook met iemand willen praten. Vader neemt een hap van de rookworst, bekijkt de cijfers en de uitnodiging. Een onvoldoende op wiskunde? Die man wil ik spreken. En hoe heet je mentor ook al weer? Schrijf maar op. Klaar. Belangrijker is de warme prak.

Docenten moeten altijd even slikken als de zogenaamde tafeltjesavond bij het openslaan van een nieuwe week plots in de agenda staat. In het postvak vindt de docent een bundel strookjes, keurig langs de stippellijn afgeknipt, bijeengehouden door een paperclip: de ouderlijke reactie. Er zijn docenten die van zeven tot half elf op school worden verwacht. Teveel onvoldoendes uitgedeeld.

In het schoolgebouw hangt op tafeltjesavond een typische sfeer. Binnen blijken collega's extra opgemaakt en in hun beste pak gestoken. Schone schijn voorop. De sectie L.O. is bijna onherkenbaar zonder trainingspak. Door de geur van parfum en koffie, gecombineerd met het tijdstip, zo net na het avondeten, is iedereen wat gezapig. Een enkeling is wat nerveus voor de gesprekken en neemt nog geconcentreerd de nodige data door.

Ouders verschijnen vaak plichtmatig om de mentor te ontmoeten of omdat ze ‘eens het gezicht bij een naam’ willen zien. Dat is met het handen schudden al achter de rug en verder is er in zulke gevallen niet veel te bespreken. Het kind doet het goed. Ach, misschien af en toe een beetje verlegen. Maar een mooie cijferlijst, hoor. De tien minuten zijn te kort om écht iets te bespreken, maar de secondenwijzer loopt door stroop als er niets te bespreken valt.

Handvatten voor het huiswerk maken, een tip voor een vakwissel of een suggestie tot huiswerkklas of bijles – ik geloof dat een telefoontje of e-mail zouden volstaan. Als een kind onvoldoende staat, moet eerst de stekker uit de computer, voordat de auto naast school geparkeerd wordt.

Tafeltjesavond is een schijnvertoning. Is het niet een beleefdheidsgetrouw bezoek, dan is het wel poppetjes kijken. In beide gevallen hebben de ouders niets op school te zoeken. Wanneer ze komen vanwege onvoldoendes of persoonlijke problemen, de enige legitieme redenen, dan vinden ze het belangrijk om verhaal te halen. De school doet vast iets verkeerd. Een verklaring graag.

Maar meestal zitten ze er, omdat het zo hoort. Laten we de leerling dus vooral complimenten geven. Het is tenslotte net kerst geweest. De ouders zijn verrast, het kind krijgt thuis een pluim en fietst de volgende dag een stuk lichter naar school. Misschien blijven de ouders een volgende keer zelfs weg.

Dus ik vertel dat dochterlief misschien niet uitblinkt in mijn vak, maar dat haar houding in de les voorbeeldig is en dat, als ze goed haar huiswerk maakt, ze het jaar zeker zal halen. Een prachtkind is het. Zo sociaal! Vader, die tot dat moment onderuit hing, af en toe mompelde en de moeder op halfwakkere momenten bijviel, schiet overeind: ‘Ik was ook nooit een ster in wiskunde’, roept hij. ‘Ik ben een typische alphaman’. Zijn vrouw herstelt hem: ‘Let nou even op, lieverd. Deze meneer is van geschiedenis.’

dinsdag 15 december 2009

Dag Sinterklaasje

Waar normaal gesproken elk lesuur heilig is, is op de dag van het sinterklaasbezoek alles even anders. Klassen worden uitgeroosterd om een uur lang Sinterklaas aan te horen die in de gymzaal, zitkuil, aula of het atrium leerlingen bij zich roept, die vermanend of bewonderend toespreekt en ze een presentje of een handvol pepernoten meegeeft. Als de bel gaat, vertrekt de luidruchtige bende in verwarring richting de lokalen.

Dat is voor autistische kinderen gevaarlijk, zo komt naar voren uit een recente discussie. Deze kinderen moeten de Sint en zijn pietengevolg duidelijk zien vertrekken, om te voorkomen dat ze zich de komende maanden nog dikwijls afvragen waar het circus zich verscholen houdt. Ze zien in elke bebaarde geschiedenisdocent een Sinterklaas en verwachten iedere ochtend een chocolademuis in hun schoen. Autisten behoeven structuur. Ze willen de Sint zien komen (zie ginds komt de stoomboot) en ze willen de Sint zien gaan (dag sinterklaasje, da-aag, da-aag). Een afgerond en duidelijk geheel alstublieft, anders is het verwarrend.

Maar het Sinterklaasfeest is toch sowieso alles behalve duidelijk? Want wie is toch die man die begin december het kindervlees komt snijden? Sinds de Amsterdamse onderwijzer Jan Schenkman in 1850 in zijn boekje Sint Nicolaas en zijn knecht gewag maakte van de heilige die per stoomboot uit Spanje kwam en terzijde gestaan werd door een zwarte adhd-er in een pagepakje, is Nederland het spoor bijster. Er valt geen touw aan dit toneelstuk vast te knopen. Als je kinderen écht wilt helpen, neem ze dan niet langer in de maling en schaf deze onzinnigheid af. En gooi dan gelijk de doos kerstballen, engelenhaar en lichtgevende rendieren in de kliko.

Ik keek niet vreemd op toen onze Argentijnse kroonprinses riep dat ons kikkerland identiteitloos is. Want waarin, behalve in onze christelijke wortels, zit dan onze eigenheid in die kakofonische decembertradities met pepernootstrooiende Moren, katholieke heilige met schimmel, Germaanse bomen en flikkerende arrensleeën in de voortuin?

Als Sinterklaas nou in een steeg gevonden wordt, doodgeschoten, is dat niet helder genoeg voor de kinderen? Als we maar duidelijk laten zien dat de schuldige pietenbende in het gevang verdwijnt, dan is er toch niets aan de hand? Klaar. Afgelopen. Niet meer over praten.

Sint arriveerde op onze school met een sigaar in de hand en zijn werkmijter op. Het scheen dat hij de avond tevoren een sinterklazenborrel teveel had gedronken en nu worstelde met een kater. Daarom riep hij telkens: ‘Hou je mond, rotkinderen! Ik heb barstende koppijn!’. Hij toog met drie pieten langs de lokalen, verstoorde de lessen en stuitte op geïrriteerde docenten in bloedhete lokalen. De goedheiligman leunde zwaar op zijn staf. Het was duidelijk dat hijzelf ook twijfelde aan de traditie waarvan hijzelf de kern vormde.

De baard begon steeds meer te jeuken en de mijter zat te strak. Na het rondje lokalen (‘Hoi, meneer Posthumus!’) en de terechtstellingen in de aula, streek ik bezweet neer in de personeelskamer - de mijter af en de baard nog half voor.

Ik word sindsdien door heel veel kinderen begroet alsof ik Sinterklaas ben en niet meneer Posthumus. Wat ik ook probeer, de leerlingen zijn er in hun verwarring van overtuigd dat Sinterklaas nu geschiedenis geeft. Blijkbaar heb ik niet duidelijk genoeg afscheid genomen. Of zou het helpen als ik de baard afdoe?

dinsdag 1 december 2009

Papierfabriek onderwijs

Ik moest hard lachen toen ik hoorde van de docent die ’s ochtends zijn postvak opende, de paperassen ongezien verscheurde en in de prullenbak gooide. Als zijn team in de late middag vergaderde, was hij al op weg naar huis. Het was wel eens gebeurd dat hij nog even buiten langs het raam wandelde en het team met een brede armzwaai een goede avond wenste. Ajuus, paraplu! Uitzonderlijk gedrag, maar tegelijk tekenend voor de dikke laag frustratie die de laatste jaren gegroeid is over docerend Nederland. Scholen zijn papierfabrieken geworden waarin teveel vergaderingen belegd worden en elk plan in diezelfde richting wordt instinctief weggewuifd.

De Volkskrant is pas gestart met de Onderwijsagenda, een online onderzoek naar de grootste problemen in het Nederlandse onderwijs. Er wordt gretig op gereageerd en de eerste resultaten bevestigen het beeld: van alle ergernissen staat de administratieve rompslomp bovenaan. Uit de vele reacties op de website blijkt dat docenten zich vooral willen bezighouden met lesgeven. Kennisoverdracht is taak nummer één van de leerkracht, zo is de algemene opvatting.

De reacties verbazen mij helemaal niet. Het gelamenteer over neventaken is zo gewoon, dat het bijna bij de schoolcultuur is gaan horen. Niet zelden staat dat extra werk in verband met de hete adem van de inspectie. Schoolbesturen krijgen poep in de broek als het woord inspectie valt. Deze onderwijswaakhond is vooral geïnteresseerd in procedures en protocollen en krijgt kwijl in de bek als een school het ‘Nieuwe Leren’ (waarin leerlingen zelf verantwoordelijk zijn voor het leerproces) omarmt. De inspectie gaat kwispelen als ze ziet dat scholen zich ontwikkelen in de door de inspectie gewenste richting en dat de school de boel procedureel op orde heeft, dus als de papierfabriek nog meer papier produceert.

Ik herinner mij nog goed de conclusies van commissie-Dijsselbloem in 2008. De overheid had zich niet te bemoeien met de inrichting van de school. Bovendien maakte de werkgroep korte metten met het Nieuwe Leren. Is het niet wonderlijk, het gemak waarmee dat rapport als een prop de prullenbak in verdween? Veel scholen dansen naar de pijpen van de inspectie en zetten alles op poten om tegen wil en dank reeds achterhaalde onderwijsideeën te implementeren. Het is toch van de zotte!

Momenteel schiet onderwijzend kikkerland zijn geweren leeg op de Onderwijsraad, omdat die in zijn nieuwste adviezen aanstuurt op tijdschrijven. Het onderwijs moet doelmatiger ingericht worden en als docenten hun activiteiten nou eens keurig bijhielden in een kladblok, zou een eerste stap gezet zijn. De klachtengolf was te voorspellen. Er is niets mis met efficiëntie, maar als de heren en dames van de raad één dag mee hadden gelopen op een willekeurige school, dat was hun duidelijk geworden dat dit idee met hoongelach ontvangen zou worden. Nóg meer papierwerk!

Minister Plasterk nam snel afstand van het advies, opgejaagd door de klachten uit het veld. Afgelopen zaterdag schreef hij niet in het advies van de Onderwijsraad te geloven.

En toch.

Ik vermoed dat het systematisch bijhouden van je tijdsbesteding best goed uit zou kunnen pakken voor de leerkrachten. Als de volgekrabbelde kladblokken eenmaal bestudeerd zouden worden, zou immers al snel blijken dat iedereen teveel uren maakt. Docenten zouden met recht neventaken kunnen weigeren. Sorry, ik ben vanmiddag niet aanwezig op de teamvergadering. Mijn tijd is op. Dus ajuus paraplu.