zaterdag 6 april 2013

Iemand moest het doen...


De afgelopen drie weken bracht ik met mijn collega M. door op St. Maarten, maar jongens, het viel niet mee. Het is er alle dagen zonnig, de zee is er azuurblauw, het bier is er goedkoop en tot overmaat van ramp kwamen onze vrouwen ook nog over.

Nee, de omstandigheden logen er niet om. We gingen ernaartoe in het kader van een uitwisselingsprogramma van het Europees Platform. Europa heeft geld en daarvan moesten wij natuurlijk aan het werk op een tropisch eiland waar je tot in de late avond in korte broek op een terras kan zitten. Laat ik het zo zeggen: iemand moet het doen en wij zijn de minste niet.

De privéschool die we bezochten heet de Caribbean International Academy, kortweg de CIA, en het schoolsysteem is Canadees. Ik bestudeerde dus de Canadese geschiedenis en legde die uit aan een internationaal stel intelligente leerlingen voor wie soms geldt dat Engels, soms Frans, soms Nederlands, soms een andere taal de moedertaal is. Het gebouw heeft een eigen zwembad, jonge, enthousiaste docenten en de gymlessen vinden deels plaats op het strand. De lokalen zijn er ruim en kijken uit op de zee, er zijn geen tussenuren, het loon is in orde, docenten krijgen een auto van de zaak en daarbovenop een flinke som geld voor een appartement.

Maar dat is niet het ergste.

Neem bijvoorbeeld de klassengrootte: de geschiedenisklas die ik dagelijks doceerde was ongeveer de grootste en had twaalf leerlingen! Het is maar goed dat er twee Nederlandse docenten op bezoek kwamen om die losgeslagen bende te temmen. Ik bedoel, iemand moet zich toch opofferen?

Als de lessen om half drie dan eindelijk afgelopen waren gingen M. en ik frisbeeën op het strand om de druk van de schouders te halen. Daar waren we echt aan toe. Je moet het ook niet te bont maken in de Antillen. Als het werk gedaan is, is het werk gedaan.

De vrije uren vulden we met plichtmatigheden. Je bent per slot van rekening gast; je hebt je te schikken naar de lokale mores. Men stond er op, ja werkelijk, men drong er nogal op aan ons mee te nemen naar de beste restaurants, de mooiste uitzichten en de witste stranden. Het zou ongepast zijn geweest die uitnodigingen te weigeren. Er zat in feite weinig anders op dan maar mee te gaan – zucht! – en inderdaad te proeven van de beste gerechten, ons te vergapen aan de plaatjes die je tegenkomt in reisgidsen en mee te zwemmen in de Caribische Zee. En ondertussen namen we op de koop toe dat we bruiner en bruiner werden. We zeiden er maar niets van. Op zulke momenten moet je het maar gewoon op je af laten komen.

Zo sleepten we ons na schooltijd van strand naar restaurant en van restaurant naar vergezicht. 

Omdat M. en ik tot halverwege de middag in touw waren ons te verdiepen in het schoolsysteem, doceerden, overleg voerden, het project kortom vormgaven, waren onze vrouwen op elkaar aangewezen. Hen restte niets anders dan te gaan shoppen en te bruinen. Puur tijdverdrijf, inderdaad. Een kwalijke zaak.

Uitwisselingsprogramma’s zijn cruciaal voor internationalisering. Dat besef ik heel goed. Een andere, in dit geval buitenlandse, school bezoeken en kennisnemen van het daar vigerende onderwijssysteem, de didactiek, de lesstrategieën en pedagogiek is een bijzonder verrijkende ervaring. Dat besef ik terdege.

Maar het is van de zotte dat ik zo lekker bruin ben geworden, dat ik heb kunnen werken aan mijn frisbeeskills, dat mijn vrouw overkwam en dat ik uitgerust weer in het vliegtuig ben gestapt. Mijn jaloersmakende Facebookupdates werden dan ook niet altijd even vriendelijk beantwoord. Dat snap ik heel goed. Maar oké, iemand moest het doen. Toch?

(gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op 21-02-13)


donderdag 21 maart 2013

Romeinse Krijt


Als geschiedenisdocent word je regelmatig geconfronteerd met de vraag welk nut het heeft, de geschiedenisles. Wat móet je ermee, met de kennis van wat is geweest en nooit meer zal komen? Het is klaar, afgelopen, gedaan, het boek kan dicht. Geschiedenis, zand erover en nooit meer opgraven.

Schattingen zeggen dat er in totaal zo'n 100 miljard mensen hebben geleefd. Op dit moment leeft dus 6 à 7 % van alle mensen die ooit waren. Dat vind ik een fascinerende gedachte. De overige 93% is dood of gereïncarneerd. Wat rest zijn hun voetstappen, soms marginaal, als de scherf van een trechterbeker, soms kolossaal, als een Romeins theater. Soms verblijdend, als een schilderij van Vermeer, soms confronterend als de schedels in een massagraf.

Waarom de geschiedenis van deze aarde en haar bewoners belangrijk is – zo luidt mijn voorgebakken antwoord – is omdat je de wereld moet beschouwen als een vriend. Vrienden met problemen kan je alleen helpen als je de bepalende gebeurtenissen van hun leven kent. Zo is het ook met de wereld om je heen. De wereld is je vriend.

Hoe geweldig en idealistisch dat ook klinkt, dat verhaal slikt niet elke leerling. Geschiedenis is soms saai en zo ver van je bed. Vond ik zelf af en toe ook op de middelbare school. Geef ik toe. Ik moet onwillekeurig denken aan Hans Teeuwen die de reactie op de geschiedenisdocent nadoet: ‘Oh ja joh? Is dat zo? Boeiuh!’

Zou het niet veel mooier zijn de geschiedenis af en toe een draai te geven? Er een eigen versie van te maken? Er mee aan de haal te gaan? Het grote gebeuren op te pakken, het uit elkaar te trekken, te schudden, om te draaien en weer neer te zetten? Zoals ze dat in totalitaire landen doen, maar dan zonder propagandistisch doel. Gewoon, omdat het kan.

Ik zou mijn klassen kunnen vertellen over het Romeinse Krijt, die periode in de Europese geschiedenis, waarin de Romeinse falanxen ten strijde trokken tegen het leger der brontosaurussen. Dat verdwenen tijdperk waarin de tyrannosaurus heer en meester van het colosseum was en waaraan zo plotseling een einde kwam door een Germaanse meteoriet.

Of ik zou ze aantekeningen geven over de Koele Oorlog, inderdaad, die oorlog die gewoon supercool was, omdat allerlei technische vernuftigheden het verloop ervan bepaalden. En dat duizenden mensen er op uittrokken, richting het Heilige Land, om te protesteren tegen kruistochtraketten. Juist, kruistochtraketten. Wat? Kruistochtraketten.

Sowieso verhaal ik nog wel eens dat mijn beppe Aaltje de buurvrouw en de rest van het dorp liet weten dat ik mij verdiepte in kaarsen, carbidlampjes, gloeipeertjes en spaarlampen nadat ik haar een week eerder uit de doeken had gedaan dat mijn afstudeerscriptie te maken had met de Verlichting. Misverstand? Nee. Gewoon een eigen versie.

Ik zou kunnen fantaseren over de landing op Mars, over de Boston Coffee Party, de Franse Renaissance, de Industriële Evolutie, de Derde Wereldoorloglanden; ik zou leerlingen zelfs wijs kunnen maken dat de aarde en alles wat daarop leeft zo’n 6000 jaar geleden werd gemaakt door een man met een baard. Voor zoete koek.

De meeste leerlingen zijn van nature niet kritisch. Ik zou er soms gemakkelijk mee weg kunnen komen, met zo’n kulverhaal. Bonifatius bevriend met Willem van Oranje? Natuurlijk, meneer.

Ik hou van fantaseren, maar als het om de geschiedenis gaat, dan gaat het om het verleden van de wereld, en de wereld is als een vriend. En over een vriend moet je geen onwaarheden vertellen. Daar is niemand bij gebaat. Dus ik vertel het verhaal gewoon zoals het was, of zoals we vermoeden dat het was. Maar het Romeinse Krijt, dat idee kan ik niet laten liggen. Stel je voor.

(gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op 07-02-2013)

maandag 11 maart 2013

Ochtendshow


Ik had ooit een geweldige collega met een grijze baard die hij eens in het jaar kort liet knippen. Hij is inmiddels gepensioneerd. Bij zijn afscheid toonde ik een e-mail die hij mij ’s ochtends om kwart voor zes had gestuurd. Dat tijdstip was niet ongewoon voor deze man. ‘Een dag heeft 24 uur, Jelte’ , zei hij eens. ‘Daar kan je ontzettend veel mee doen.’ Dat was een geweldige openbaring, maar ik deed er niets mee. De waarheid is, als ik om acht uur ’s ochtends moet beginnen, dan is dat een straf.

Ja, een dag heeft 24 uur. Ongeveer een derde daarvan slaap je, dus we brengen maar liefst 25 jaar van ons leven zoek met slapen. Mensen die maar vier, vijf uur slaap nodig hebben zijn geluksvogels. Ze zijn meer dan tien jaar langer wakker en hebben dus aanzienlijk meer mogelijkheden om carrière te maken.

Een glansrijke loopbaan zit er voor mij helaas niet in. Ik slaap altijd zeven of acht uur. En dan nog. 's Ochtends ben ik op, maar niet wakker. Rond mijn hoofd hangt een ochtendnevel die pas na elven optrekt. Tot die tijd ben ik een routinerobot die zichzelf bestuurt vanuit de bovenhoek van het lokaal. Ik hou er serieus rekening mee dat ik tijdens het stille gebed dat ik bij de dagopening voorzit eens in slaap zal vallen, zodat de klas in afwachting van mijn bevrijdende ‘amen’ onrustig wordt en mij na enkele minuten wakker roept, omdat ik begin te snurken.

Misschien ben ik een uitzondering. Ik hoor met name van oudere collega’s dat ze juist graag vroeg beginnen. Heeft met de biologische klok te maken. Ik voel me er jong bij.

Hoe dan ook, een docent kan ’s ochtends niet eerst even de benen op het bureau leggen, rustig aan een dubbele espresso nippen, gapend de binnengekomen mails lezen, een kletspraatje maken bij de koffiemachine, de make-up bijwerken, nauwgezet aan de kont krabben, een ontbijt op het bureau uitstallen, dan nóg eens een koffie halen, het winterweer bespreken, of gewoon, stomweg voor zich uit staren.

Nee, op halve kracht beginnen is er niet bij. Begin je de dag niet met de volle honderd procent, dan raakt de trein snel van de rails. Reken er niet op dat die twee voetbalteams plus reservespelers, die bruisende jeugdigheid die fris van de fiets is gestapt en die zich rekkend en strekkend voor je neus in de banken heeft genesteld dat toestaat. Oh nee. Hun puberhoofden zijn ook nog niet wakker, maar ze doen donders goed alsof. Het zijn gapende apen klaar voor een uurtje apenkooi. Het zijn geeuwende leeuwen klaar voor hun prooi. Er zit niets anders op: je moet scherp zijn.

Soms geven ze toe aan hun dromerigheid. Eens viel een leerling in slaap tijdens mijn les. Ik liep stilletjes naar hem toe, terwijl de rest van de klas grinnikend toekeek, in afwachting van wat komen zou. Ik tikte de slaper aan. 'Slaap je?', vroeg ik zacht. Hij opende één oog. 'Slaap maar lekker verder', fluisterde ik toen en dat deed hij. Ik snápte die jongen.

En dan klinkt de eerste bel. Ik zie mezelf vanuit de bovenhoek van het lokaal de leerlingen verwelkomen. Ze hebben rode blossen op de wangen van de frisse buitenlucht en zijn al druk met elkaar in de weer. Ik heb het haar warrig, de slaap nog in de ogen en een bleke snoet. Ik sta bij de ingang van het lokaal, loop dan wat voor het bord heen en weer, verplaats een stapel papier. Iedereen vindt z’n plek. Ik laad me op. Het is tien over acht en de show begint.

(gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op 24-01-13)

zaterdag 9 maart 2013

donderdag 28 februari 2013

Tien-vinger-systeem blind

Ik stuitte enige dagen geleden op een artikel van de Nationale Onderwijsgids dat gewag maakte van een regionale trend: in Almere zijn verschillende basisscholen begonnen met het aanbieden van typecursussen. Ik was verrast. Het tien-vinger-systeem blind in een tijd van tablets en spraakherkenning, dat klinkt als een opleiding tot schildknaap in een tijd van drone-aanvallen. Nou ja...

De bron waar de Nationale Onderwijsgids zich op baseert is niets meer dan een reclame-artikel. Er zit een lokale computerboer achter en natuurlijk sleept die er indrukwekkende, maar niet nader uitgelegde cijfers bij. Zo biedt volgens het artikel slechts 7% van de basisscholen een typecursus aan, terwijl 77% van de mensen vindt dat typevaardigheid een basisvak op school zou moeten worden! Waar komen die cijfers toch vandaan?

Eerlijk gezegd, als ik typecursus hoor, dringt zich het beeld op van sexy secretaresses met knoetjes in het haar, in typekamer 4, toren B van een grauw kantoorgebouw, die na elke 'bling!' van de typemachine een trek van hun mentholsigaret nemen. Heerlijk.

Ik leerde in groep 8 blind typen in een bijgebouw van de kerk. Er was welgeteld één meisje dat een elektrische schrijfmachine had. Zij zat op de cursusavonden in de hoek, bij het stopcontact. De rest zweette boven zo'n mechanische machine; zo'n loodzware kaboutertribune, meegedragen in een zwarte koffer die onder de snelbinders ging, maar die je het liefst in de sloot had geflikkerd.

Terwijl ik me dit herinner, ontdek ik dat de percentages van de computerboer niet helemaal uit de lucht komen vallen. Ze komen uit de koker van percentagetovenaar Maurice de Hond die in 2009 in opdracht van het bedrijf TICKEN een peiling deed. Geheel onafhankelijk schijnt me dit onderzoek niet toe, maar toegegeven, ze hebben een punt: typen is een onmisbare vaardigheid anno 2013.

Ik doe de kennismakingstest van TICKEN. Op de eerste oefening heb ik een nauwkeurigheid van 99,5% en een snelheid van 514 aanslagen per minuut. Daar kan Al Qaida nog een puntje aan zuigen, als je het mij vraagt. Daarna speel ik een game: ik moet geletterde eieren in een mandje vangen. Een blonde vrouw spreekt me tussendoor moed in. Uitstekend natuurlijk. De typecursus is duidelijk niet meer de mensonterende beproeving zoals ik die me herinner.

Haha! Reclame voor typecursus anno 2013

Nee. In mijn tijd waren de zware druktoetsen beplakt met gekleurde stickers, zodat het onmogelijk was niet blind te typen, maar na enkele weken cursus en zweetverlies begonnen ze los te laten, zodat de inspanningen toch íets opleverden. Mijn kleine jongenspink verdween af en toe tussen de toetsen door in de diepten eronder en bleef dan bloedend steken. Thuis deed ik huiswerk. Backspace was er niet bij. Een fout teveel betekende opnieuw die lap tekst overtikken. Ik huilde af en toe uit frustratie; hoe dikwijls vloog het cursusboek niet door de woonkamer! Maar ik slaagde. Met 200 aanslagen per minuut.

Het bedrijf TICKEN en Maurice de Hond zitten op dezelfde lijn. Ze zeggen: kinderen groeien op in een wereld waarin nauwelijks nog met de hand geschreven wordt. De helft van de beroepsbevolking zit dagelijks achter de computer. Blindtypers werken efficiënter, hebben tijd over, kunnen de aandacht verleggen en hebben minder last van RSI-klachten door de juiste werkhouding. Het is kortom een schande dat typen niet als basisvak aangeboden wordt in het primaire onderwijs.

Ik ben voorstander van verplichte typevaardigheid, maar vind niet dat Maurice de Hond peilingen moet gaan doen die zo naadloos aansluiten op zijn eigen stokpaardjes, zoals de door hem bedachte Steve JobsSchool. Kwestie van geloofwaardigheid, geloof ik.

Jammer eigenlijk dat typecursussen zo gepimpt zijn. Ik bedoel, 514 aanslagen per minuut haal je toch echt alleen met bloed, zweet en tranen. Deze column tikte ik in iets meer dan een minuut. Foutlo0s.

(gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op 10-01-2013)

zaterdag 23 februari 2013

Moe


Het is een bekend verschijnsel: docenten werken zich uit de naad tot de schoenzolen versleten zijn en hun het hoofd omloopt, maar ze houden vol tot de laatste dag. En dan, pff, eindelijk, gelukkig, het moest niet langer duren: de vakantie! Maar juist dan, de zinnen verzettend op de bank, wordt de doorzetter overvallen door griep, door hoofdpijn, keelpijn, door een pijntje hier, een pijntje daar, door pijntjes overal.

Hoe dat kan? Het adrenalinepeil is voortdurend hooggehouden door de schoolse inspanningen, inderdaad, zoals bij iemand op de vlucht of in gevecht, maar kakt van het een op het andere moment als een plumpudding in als de vakantie begint. Het lichaam reageert en wordt ziek, zwak en misselijk. De remedie? Ga in de vakantie bungeejumpen of skydiven, rij altijd door oranje, ga naar het casino, neem de zwarte piste naar de après-ski en dans naakt op de bar.

In de laatste week voor de vakantie lijkt iedereen er plotseling ook echt aan toe, aan die twee weken vrijaf. De gezichten worden bleker, de wallen onder de ogen lijken gedroogde pruimen en op de laatste dag douwt iedereen alleen nog maar video's in de speler. Iedereen is er zó klaar mee, dat je de indruk krijgt dat nóg een week mensenlevens zou hebben gekost.

Zelf probeer ik me altijd te laten verrassen door vakantie, want dan pas voelt het als de bonusaanbieding die het zou moeten zijn, maar de kerstvakantie, dat verlichte engelenkoor in de duisternis, wordt luidkeels voorafgegaan door een koor van gepuf, gehijg, gesteun en gekreun, dus nee, een verrassing is het nooit.

Ook de leerlingen zitten er in de laatste weken voor de kerstvakantie duidelijk doorheen. Ze worden lamzakkerig, ongeconcentreerd, moe. Ik heb een vwo-6-klas met vooral meisjes. Zij doen stuk voor stuk hun stinkende best. Twee weken geleden begon ik fanatiek aan een blokuur met de damesclub, maar ik merkte meteen dat er weinig leven in het anders zo gezellig kakelende kippenhok zat. Het was alsof de vos die nacht één van hen had meegenomen.

Ik keek de groep rond en constateerde dat de vermoeidheid was ingetreden. Lijdzaam namen ze mijn aantekeningen over, soms daarbij het hoofd op het schrijfblad naast het schrift gelegd. 'Vertel eens, wie van jullie is níet moe?', vroeg ik. Niemand stak de vinger op, behalve misschien één van de jongens. Iedereen leek een slaaptekort te hebben.

Ze lichtten hun toestand toe. Er moest een verslag ingeleverd worden voor het ene, een presentatie voorbereid voor het andere vak. In de avonduren sportten ze, of bliepten ze producten achter de kassa, er lagen flinke tentamens in het verschiet en ze gaven toe, in het weekend hadden ze dan ook nog feestjes die ze écht niet konden missen, want als je zo'n feestje miste, dan wist je niet wát je miste en dan moest je maandag de verhalen horen wat je had gemist. Dat kon écht niet. Maar serieus, ze hadden het vooral druk met schoolwerk.

In de donkere dagen voor kerst lijkt het alsof de school geen energie meer geeft, maar vooral neemt. De directie vergadert vermoeid op de kamers, de docenten zijn afgedraaid en de leerlingen gevloerd. Hiertoe is onderwijs dus in staat: mensen afmatten. Zelfs de conciërge heeft last van zijn bloeddruk.

Ik liet de les voor wat die was en niet meer zou worden en besloot dat we het tweede uur een keer 'helemaal niks' gingen doen. Ik gaf geld aan twee meisjes om lekkere dingen bij de supermarkt te halen. Met twee andere meisjes haalde ik warme chocolademelk en thee en op de beamer projecteerde ik een haardvuur. Ondertussen draaide ik kerstmuziek. Het kakelen kwam daarna langzaam weer op gang. Gelukkig.

(gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op 27-12-12)

woensdag 23 januari 2013

Signaalsterkte uitstekend


Bij aanvang van mijn geschiedenisles leveren de leerlingen hun mobiele telefoon in. Dat is inmiddels een ritueel en ik weet, rituelen zijn belangrijk. De terugkerende handeling, het gevoel 'zo doen we dat hier', dat komt een les ten goede. Ik zou natuurlijk ook met mijn leerlingen een jodelsessie kunnen houden, of ze hallucinerende wortelsap kunnen toedienen, maar ik geloof niet dat we daarmee echt verder zouden komen.

Nee, het inleveren van de mobiel volstaat en dient bovendien een hoger doel: gefocuste leerlingen. Vorig jaar kwam ik tot de conclusie dat de mobiele telefoon vooral afleidt en dat scholen toe zijn aan algemene regels. Het schrijfsel dat ik aan die conclusie wijdde, is één van mijn meest gelezen columns, vertellen mijn blogstatistieken. Hoe dat kan? Het probleem van de mobielendebielen is actueel, zowel thuis als op school.

Ik voegde de daad bij het geschreven woord en nam dit schooljaar de proef op de som. Begin dit schooljaar bracht ik een afzichtelijk biezen mandje mee naar school, zo'n kerstpakketmandje dat rommel geeft. Het staat sindsdien bij de deur van mijn lokaal.

Leerlingen keken eerst raar op van hun schermpjes toen ik ze de regel uitlegde, maar inmiddels is het Posthumus-cultuur. Uiteraard houden sommige leerlingen hun telefoon diep in de tas, uit, of op stil, soms misschien onhoorbaar trillend, maar daar ga ik niet moeilijk over doen. Ik ga niet agressief alle tassen op de kop houden om alle mobiele telefoons in dat mandje te krijgen. Ik ben niet van de mobiele eenheid. De leerlingen weten dat het hanteren van de telefoon not done is in mijn lokaal. De grote meerderheid staat de mobiel met een glimlach af.

Om het belang van het ritueel te vergroten, ga ik zo nu en dan met de mand door het lokaal, om de vergeetachtigen of de onwelwillenden een helpende hand te bieden. Het levert soms nog wel drie, vier of zelfs meer exemplaren op. Eén jongen góóit zijn mobieltje altijd: hij is duidelijk toe aan een nieuwe. Anderen vragen zich juist af of hun telefoon geen schade oploopt door de stugge biezen. Een zachte bekleding zou een goed idee zijn, menen zij.

Soms sta ik aan het eind van de les bij de deur, met de gevulde mand voor mijn borst, als een bakker die broodjes uitdeelt. Ik geef daarbij professioneel commentaar op hoesjes en types.

Er kleven uiteraard haken en ogen aan dit mobielenbeleid. Is het bijvoorbeeld niet doodeenvoudig om aan het eind van de les die iPhone 5 uit het mandje te grissen, op de fiets te springen en naar de zwarte markt te racen? Zo'n ding kost 800 euro! Toch blijft de leerling zelf verantwoordelijk. Je kan die telefoon ook in je kluisje doen. Of thuislaten. Tot dusver verloopt het overigens probleemloos.

In de pauzes, in tussenuren en tijdens de leswissel mogen leerlingen wat mij betreft de hele wereld bij elkaar whatsappen. Je kan ze niet verplichten die slimmefoon thuis te laten. Maar in de les? Nee.

Mijn suggestie de regel op de hele locatie in te voeren heeft gehoor gevonden. Binnenkort heeft elk lokaal een eigen mobielenmandje. Het wordt schoolbeleid. Sterker nog: het is het symbool geworden van een frisse wind die door de school waait. Signaalsterkte uitstekend.

De havo-4-klas, die doorgaans wat tegensputtert als het gaat om het inleveren van de mobiel, gaf mij vorige week zelfs een nieuw, keurig bekleed mandje cadeau voor mijn verjaardag. Ze snappen het belang van het ritueel. Maar ze willen natuurlijk vooral niet dat hun schermpje krassen oploopt. Daarom liggen hun geliefde hebbedingen nu elke les zij aan zij te rusten in een zacht bedje. Op stil. Of uit. Of stiekem trillend.

(gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op 13-12-12) 

maandag 7 januari 2013

Externe pief


Soms heb ik de indruk dat het kikkerland achter de schermen wordt gerund door adviesbureaus, aanbieders van cursussen, projectmanagers, communicatiebureaus, mediators en interims. Als directeuren of teamleiders de paperassen niet op orde kunnen krijgen, als er een personeelsprobleem gesignaleerd wordt waar ze niet een pasklaar antwoord op hebben, als er kritiek klinkt die niet verijdeld kan worden, als ze de controle kwijt denken te zijn, dan wordt er in paniek iemand van buiten gehaald. Zo gaat het overal, dus zo gaat het ook in het onderwijs.

Externe hulp wordt duur betaald. Zo'n freelance hulppiet incasseert zonder blozen soms meer dan 1000 euro per dag. Dat is om nijdig van te worden. Maar dat niet alleen: de externen staan zo ver van de organisatie af, dat ze durven hakken met de botte bijl. Plotseling volgen maatregelen die men niet aan zag komen: er wordt iemand geslachtofferd, er ligt opeens een nieuw organisatieplan, een hele afdeling wordt gereorganiseerd, het hele team moet op cursus. Ik word er gallisch van, want het toont de onmacht van de onderwijs bv.

Scholen die besluiten tot het inschakelen van een adviseur, mediator, interim-manager of cursus, zouden zich eerst moeten afvragen of de kwestie ook intern aangepakt kan worden, want reken er nou niet op dat na het bezoek van de duurbetaalde adviseur het paperassen-, personeels- of imagoprobleem opgelost is. De school moet zelf aan de slag. Zul je zien dat zo'n externe pief juist dát adviseert: jullie moeten het zelf doen. Shit, wat makkelijk. Hupsakee, taken verdelen, werkgroepen installeren, tijdpad uitzetten en de klus is geklaard. Duizend euro per dag. Ik kan wel janken.

Cursussen die gaan over het mentorschap, over didactiek of over het opzetten van projecten zijn in eerste instantie overbodig. Scholen barsten doorgaans van de ervaring. De oudere docenten kunnen de jonge nog zoveel leren op het gebied van mentorschap, didactiek en pedagogiek, of bijvoorbeeld over het organiseren van een buitenlandreis. Andersom kan de jonge lichting de oudere weer op de hoogte stellen van het nieuwste lesmateriaal of de nieuwste activerende didactiek.

Waarom zou je een onbekende in je les laten, terwijl er nog nooit een collega achterin het lokaal heeft gezeten? Waarom zou je didactische trucjes van een cursusleider willen leren, terwijl de collega in het lokaal naast je elke dag de trukendoos opentrekt? Waarom geeft diezelfde collega niet eens op een middag een uurtje les aan zijn collega's? Er is vast ook een collega die een ster is in het maken van toetsen. Of handig met digitaal lesmateriaal. Of ervaren met hoogbegaafdheid. Benut toch het potentieel! Word professioneel! Deel!

Er komen ook communicatiebureaus bemiddelen op scholen. Het is lachwekkend: onderwijs is een communicatievak pur sang, maar blijkbaar is er toch behoefte aan een externe oplossing voor een intern communicatieprobleem. Er worden anno 2012 zoveel communicatiespecialisten opgeleid dat ik wel eens denk dat zij zelf de vraag ernaar scheppen. Sterker nog: de communicatieproblemen zijn alleen maar groter geworden. Er studeren ook zoveel mensen psychologie dat het niet anders kan of dit kikkerland is straks goed gek. Waanzinnig.

In plaats van adviesbureaus in de hand te nemen, moeten scholen zichzelf bij de hand nemen en profiteren van de 'good practices', van elkaars ervaring en specialiteiten, van interne bezieling. Sluis het bespaarde scholingsgeld of de enorme interimgage door naar het eigen personeel en naar mooie projecten. In plaats van voor korte tijd vreemdelingen aan te stellen, zou de school zelf aan de slag moeten gaan.

Als je de problemen binnenshuis zelf niet durft te tackelen, dan ben je als school gewoon een zak patat. Pak je de moeilijkheden zelf wel aan, dan blijken de externe krachten voor een flink deel overbodig. 

(gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op 29-11-1)

vrijdag 28 december 2012

De schoolfotograaf


Twee weken terug rende ik de hal binnen waar tot mijn verrassing de groepsfoto werd gemaakt. Mijn collega's hadden bijkans de pyjama nog aan, zo vroeg was het. Als het jaar niet succesvol wordt, zullen we later zeggen: kijk, het team zag er niet fit uit, bleekjes, niet uitgeslapen. Geen wonder dat het jaar rampzalig verliep. Loopt het jaar geweldig, dan zeggen we later: ze liepen op hun tandvlees, die dappere strijders!

Flits.

Twee jaar geleden zag de fotografe mij bij het sorteren van de foto's onbedoeld aan voor een leerling. Opeens zag ik het, in het voorbijgaan: daar hing mijn hoofd, na de gymnasium-2 groep, tussen de honderden portretten van leerlingen. Ik lijk blijkbaar op een tweedeklasser. Hoewel. Iemand had met een sleutel op de doorzichtige plastic beschermplaat gekrast, precies op de plek van mijn portret, zodat vanuit sommige hoeken mijn foto onzichtbaar werd achter een waas. Pijnlijk.

Flits.
 
De schoolfotograaf is een opmerkelijk fenomeen, juist in dit tijdvak waarin portretfotografie van iedereen is geworden. Kinderen leggen zichzelf en anderen aan de lopende band vast voor de eeuwigheid. Er was een eeuw waarin moeders zich de moeite getroostten de kinderen in de zondagse kleding te hijsen als die ene schooldag aanbrak waarop de fotograaf langskwam. Het was welbeschouwd misschien de enige kans in het jaar op een fatsoenlijke foto van de kinderen.

Flits.

Ik vind de schoolfotografe een aantrekkelijke vrouw, maar ze komt nooit op de foto. Volgende keer neem ik een foto van haar.

Flits.  

De examenklassen doen er alles aan om zo gek mogelijk op de groepsfoto te komen. Georganiseerd via de sociale media, stel ik me zo voor, die gekkigheid. Dus daar staan ze, in badpak in de hal. Zwemvliezen. Badlaken. Strandbal. Bikini. Nee, dat van die fatsoenlijke foto geldt anno 2012 niet meer.

Flits. 

De docentenfoto komt voor mij altijd als verrassing. Zo komt het dat ik twee foto's van opeenvolgende schooljaren bezit, waarop ik onder mijn colbert hetzelfde Elvis Presley T-shirt draag. Ik ben geeneens fan van The King, maar sta er toch maar mooi twee jaar achtereen mee op de kiek, tot in de eeuwigheid, amen.

Flits.

Meisjes zijn op hun meisjesachtigst als de schoolfotograaf in het gebouw is. Ze vragen altijd of ze vijf minuten eerder richting de fotograaf mogen, om zich op te tutten bij de toiletten. Steeds meer jongens doen dat ook – zo'n Justin Bieber-kapsel vraagt de aandacht van een beeldhouwer, moet je maar rekenen.

Flits.

In de film Le fabuleux destin d'Amélie Poulain vindt de hoofdrolspeelster telkens verscheurde fotovelletjes van dezelfde man. Ze vraagt zich af wie hij is en waarom zijn portret telkens opduikt bij de fotohokjes op stations. Ze ontdekt het. Hij blijkt de reparateur. Misschien begint de schoolfotografe elke dag met een serie van zichzelf om het licht te testen en liggen in de prullenbak van haar computer talloze series van haar portret.

Flits.

Als ik de docentenfoto's van de afgelopen jaren naast elkaar leg valt me de continuïteit van het grijze en de discontinuïteit van het groene op. Vijftigers, ja. Veertigers, ook. Dertigers, weinig. Twintigers, nauwelijks.

Flits.

Een pasfoto is als een tijdspiegeltje. Enkele seconden voor dat ultrakorte moment ging je zitten, daarvoor deed je je haar nog even goed, dat uur gaf je les, die dag had je een goed humeur, die week werd het herfst, die maand kon je de slaap moeilijk vatten, dat jaar kwam je tot de ontdekking dat alles anders moest.

Flits.

Ik sta linksachter. Ik mocht van de fotografe op een tafel staan, tussen de andere dappere strijders. Ik ben de jongste. Mijn hoofd hangt straks weer tussen de leerlingen ben ik bang.

(gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op 15-11-2012)

donderdag 13 december 2012

Klein en groot bestuurlijk falen


Ik lees de agenda op de dorpswebsite. Zou de spooktocht nog wel doorgaan? Iedereen ziet zonder tocht tóch al spoken. En de sinterklaasmiddag voor basisschoolkinderen? Ik vrees het ergste, want er is straks geen basisschool meer. De school in Wijckel telt 49 leerlingen, maar vanaf deze week zijn dat er nog maar 15. De school zal waarschijnlijk moeten sluiten. Negen mensen verliezen hun baan. En ja, er was iets met een e-mail.

Aan de andere kant van het land ligt Rotterdam. Havenstad. In de Tweede Wereldoorlog verloor Rotterdam haar hart door een bombardement. Zadkine maakte daarover een imposant beeld, 'De verwoeste stad', het staat op het Plein 1940. Maar als je op internet zoekt naar Zadkine vind je niet één-twee-drie dit geweldige kunstwerk, nee, je stuit al snel op het ROC met de naam van de kunstenaar, een school met maar liefst 18.000 leerlingen. Het Zadkine is een reus op lemen voeten die in financieel noodweer verkeert. 150 mensen moeten worden ontslagen. Ik vraag me af, moest de school nou echt op de eerste rang gehuisvest worden? Pronkerig op de Kop van Zuid? Nee dus.

Zowel in het kleine Friese dorp Wijckel, als in de wereldstad Rotterdam ligt onder meer bestuurlijk broddelwerk ten grondslag aan de malaise.

Onderwijskoepel Nije Gaast meldde in de discussienota van april dat basisschool De Regenboog te klein werd om te blijven bestaan. Er staat: “Deze school fuseert met De Klinkert (...) Locatie Wyckel wordt gesloten.” Kinderen trokken in juni met grote spandoeken door het dorp. Reken er maar niet op dat ze die oude lakens, waartussen ze verwekt waren, zelf hadden voorzien van teksten: de ouders waren pisnijdig. De school was een jaar eerder nog genomineerd voor de Friese Onderwijsprijs. Het ging uitstekend. Het slecht onderbouwde plan ging zo snel het tevoorschijn was getoverd weer terug in de la, maar de onrust was al gezaaid. En toen moest die e-mail nog komen.

Terug naar Rotterdam. De geldproblemen van Zadkine zijn niet uitzonderlijk. Die mbo-besturen hebben natuurlijk allemaal diezelfde cursus geldverkwisting gevolgd. Eerst was er al Amarantis, nu komen daar het Zadkine en het ROC Leiden bij. Natuurlijk, de kosten stijgen, subsidies zijn ingetrokken, de leerlingenaantallen dalen, maar deze bestuurders weten niet wat een school nodig heeft, terwijl ze zich ondertussen wél wagen aan vastgoedinvesteringen, risicovolle beleggingen en het verzwendelen van geld. Omhooggevallen ijdeltuiten zijn het, graaiende apen aan het roer van uit hun voegen gegroeide onderwijsinstellingen. De schooldirecteur van het Zadkine noemde zichzelf CEO. Ik word daar misselijk van.

In Wijckel keken de protesterende ouders ondertussen al uit naar een andere koepel om de school bij onder te brengen. Het bestuur beschreef daarop haar weerzin in een brief aan het dorp en liet die tot overmaat van ramp vouwen en bezorgen door de leerlingen. De burgemeester – die de communicatiewijze van Nije Gaast 'onnozel' noemde – kwam bemiddelen. Er werd een projectleider door het bestuur aangesteld, maar schijnbaar opzettelijk te laat. Het was ongetwijfeld een schnabbelvriend uit het netwerk van de bestuursvoorzitter.

En toen, pats-boem, de lont in het kruitvat: de mail van een leerkracht die niet voor de ouders was bestemd, maar wel óver de ouders ging en uiteindelijk in handen van de ouders terecht kwam. Wijckel is een klein dorp. De mail hing vast op A3-formaat bij de bushalte tegenover de hervormde kerk. Bemiddelen had geen zin meer. Tien ouderparen haalden hun zoons en dochters van de dorpsschool.

Slecht onderbouwd plan. Onnozele communicatie. Einde verhaal.

In Rotterdam is de school te groot geworden, in Wijckel juist te klein. Beide besturen lieten hun schip tegen de klippen lopen. Het Rotterdamse bestuur willens en wetens, het bestuur van Nije Gaast uiteindelijk tegen wil en dank.

(gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op 01-11-12)  

zaterdag 1 december 2012

Arme Docent


Een succesvolle docent beheerst de vijf sleutelrollen. Hij is eerst gastheer, dan presentator, vervolgens didacticus, altijd pedagoog en tenslotte afsluiter. Boordevol open deuren hoor, deze theorie, maar er zijn docenten die haar eens zouden moeten raadplegen.

1. De gastheer. De bel heeft al geklonken. De leerlingen staan al enige tijd voor het lokaal als de arme docent nog eens aan komt lopen. Hij moppert. “Jongens, aan de kant. Hup. Laat mij er even bij!” Het lokaal loopt vol. Iemand gooit een etui. Er valt een stoel. De arme docent ziet het eerst niet, want hij is onder zijn bureau gekropen, rommelt met computerkabels, kijkt dan op en zegt: “Hé, jij! Pak dat eens op!” Dan kijkt hij weer weg. Zijn computer weigert. Het etui blijft in een hoek van het lokaal liggen.

2. De presentator. Terwijl de leerlingen nog het weekend doornemen, begint de arme docent op het bord te schrijven. Het wordt iets stiller, maar rumoer overheerst. Hij draait zich om, wiebelt op zijn benen en mompelt twijfelachtig: “Vandaag aantekeningen en een aantal opdrachten bij paragraaf 2, of nee, euh, bij paragraaf drie. Het hoeft allemaal niet af vandaag, maar goed, we zien wel even...” De leerlingen luisteren maar half. Dan zegt de arme docent: “Ik heb alle tijd hoor! Ik wacht gewoon tot jullie stil zijn!” Hij doet zijn armen over elkaar heen. Een aantal leerlingen doet hem na. Hij wiebelt. En wacht. En wiebelt.

3. De didacticus. Er klinkt nog steeds getier. De arme docent draait zich opnieuw om en schrijft een aantekening op het bord. Zijn soms piepende krijtje komt nauwelijks los van het zwarte vlak. Er verschijnt een zweetplek op zijn rug. Achter hem komen mobieltjes tevoorschijn. Op diverse tafels staan nog steeds tassen. Als het bord volgeschreven staat, zegt de arme docent met verheven, maar overslaande stem: “Deze aantekeningen overnemen en daarna opdracht 1 tot en met 10 maken. Dat is het huiswerk! Kom op jongens, aan de slag!” Dan loopt hij het lokaal uit om koffie te halen. Daar is hij wel aan toe. Op de gang spreekt hij een collega. De arme docent zegt: “Ze zijn níet te motiveren, die kinderen.” Zijn collega zegt: “Vertel mij wat.”

4. De pedagoog. Als de arme docent zijn koffie heeft gehaald en het lokaal weer wil binnenlopen is de deur van binnen op slot gedraaid. Zijn sleutels liggen nog in het lokaal. Hij bonkt op de deur, kijkt boos door het raam, maar ziet zijn blik ontmoet door lachende gezichten. Driftig gebaart hij dat iemand de deur moet openen. Ten langen leste staat het meisje op dat alle aantekeningen al heeft overgenomen en zelfs al begonnen is met de opdrachten. Ze opent de deur. De arme docent zegt: “Ga jij je maar melden!” “Maar...”, begint ze. “Uit mijn ogen!”, wijst hij. Twee jongens protesteren. Hij stuurt hen ook weg: “Oprotten!” Vijf leerlingen lopen uit protest mee. De arme docent zijgt ziedend neer achter zijn bureau. De zweetplek is groter geworden. Hij voelt het. Het is muisstil. Eindelijk controle.

5. De afsluiter. De bel gaat. De arme docent schrikt op en klikt nog snel Facebook weg. De meeste leerlingen hadden hun boeken al lang in de tas gedaan. Ze komen nu in beweging. “Volgende les een overhoring over de aantekeningen!”, probeert de arme docent nog, als de meeste leerlingen al buiten staan. “Fok jou”, klinkt het vanaf de gang. “Nu eerst koffie”, denkt hij.

Arme, árme docent. Dat krijg je ervan, als je de rollen niet kent.  

(gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op 18-10-12)

woensdag 14 november 2012

Volle bak en onrust

Mijn vrouw zat achterin het lokaal tussen de stoere jongens van havo 5 die alles uit de kast haalden zich in haar schijnwerpers te spelen. Ik heb een mooie vrouw, dat vind ik ook, maar ik had niet verwacht dat haar aanwezigheid hen zo zou activeren. Ze gedroegen zich als kleine, opgewonden aapjes. Überactief. Over elkaar heen buitelend. Ik had mijn vrouw voor een lesbezoek uitgenodigd en gezegd: 'Dit móet je eens meemaken!'

Die oversture jonge honden maken namelijk deel uit van een examenklas van 33 leerlingen. Dat zijn zóveel kinderen dat je in de laatste weken van het jaar nog steeds af en toe een onbekend gezicht ziet.

Ik las net in het Onderwijsblad dat het aantal leerlingen per docent dit jaar met vier procent is toegenomen. Dat is niet vreemd als je weet dat het aantal leerlingen op middelbare scholen steeg, maar dat er toch 1800 fulltimebanen verdwenen. Kortom: klassen zijn groter geworden. Maakt niets uit, zegt het ene onderzoek, maakt wél uit, zegt het andere. Ik zeg: zou de klassengrootte geen invloed hebben op de prestaties, zonder twijfel heeft die dat wél op de mogelijkheden van de docent.

Ik geef het je te doen, een klas van meer dan 30 pubers. Het klassenmanagement, de verschillende namen, karakters en thuissituaties, de absentiecontrole, de didactische en pedagogische differentiatie, de oudergesprekken, de voorbereiding op de examens, de inhalers, de herkansers en ga zo maar door: het vergt nogal wat uithoudingsvermogen van een docent. Als het lokaal 's ochtends volstroomt en even later tot de nok toe gevuld is met dampende kinderen, als leerlingen bijkans op de grond moeten zitten of door het raam vanaf de gang de les gade moeten slaan, als de ramen beslaan, dan is het aantal didactische trucs gedaald tot één: allemaal stil zijn en opletten.

Een klas van 33 leerlingen. Dat zijn zóveel kinderen dat je op een ouderavond de ouders van Marieke de hand schudt, maar dat je geen flauw idee hebt wie Marieke is. Alle meisjes zouden opeens Marieke kunnen heten.

Er zijn onderzoeken die uitwijzen dat naarmate de klassengrootte krimpt het aantal slimme koppen ook afneemt en daardoor het gemiddelde niveau van de groep daalt. Dit zegt me niets. Er is simpelweg meer ruimte voor individuele aandacht in een kleinere groep. In een overvol restaurant met slechts één ober laat de service immers ook te wensen over. Maar toch, de belangrijkste vraag blijft hoe goed de ober zijn vak verstaat.

Stel, er zijn twee opties: de dertig leerlingen komen onder de hoede van een bekwame docent, of de klas wordt gedeeld en de helft van de leerlingen wordt ondergebracht bij een tweede, maar onbekwame docent. Ik kies gelijk voor het eerste alternatief.

Het liefst zie ik louter bekwame docenten voor de klas staan, maar tot mijn ontsteltenis was onderwijs weer eens een non-issue in de afgelopen campagne-periode. Wat gaat de nieuwbakken coalitie met het passend onderwijs doen? Als de klassen groter worden en individuele aandacht moeilijker wordt, maar tegelijkertijd het aantal zorgleerlingen in het reguliere onderwijs groeit, dan voorspel ik een groot probleem.

Echt. 33 Leerlingen! Dat zijn zóveel kinderen dat je bij het nakijken van de examens op onbekende namen stuit. Dat je absenten niet meteen mist. Dat je verdwaalt in je lokaal en je bureau niet meer terugvindt.

Mijn vrouw zag hoe aan het begin van de les een wat slungelige jongen zich aan me voorstelde. Hij was van profiel gewisseld en volgde vanaf nu geschiedenis bij mij. Hij zei zijn naam, maar ik hoorde slechts “nummer 34”. Ik wees hem de laatste lege stoel in het lokaal. 

(gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op 04-10-12)

woensdag 31 oktober 2012

'Meneer Hoefnagels' gooit de peddels weg


Tijdens de docentenvergadering stelt meneer Hoefnagels de vraag hoe het docententeam het onderwerp homoseksualiteit bespreekbaar zou kunnen maken. Hij zegt: “Bij seksuele voorlichting hebben we het ook over de man die opgewonden raakt en die een stijve piemel krijgt, nou, dan lijkt me duidelijk, bespreek dan ook twéé mannen met stijve piemels.” Hij is bloedserieus, maar je proeft de ondertoon van een komiek. Eerder zei Hoefnagels: “Lesgeven is voor mij: laat maar gebeuren. Je zit in een bootje en je kan twee dingen doen. Of je gaat lekker met de stroom mee, of je gaat als een gek er tegenin peddelen. Doen veel leraren hè? En maar peddelen. En ik zeg: gooi die peddels weg en laat maar gaan.” Tja, wat moet je daar van denken?

Vorige week wees iemand mij op de zesdelige serie 'Hoefnagels – help, ik ben leraar', op de vroege zondagavond uitgezonden door de NTR. Op Uitzending Gemist keek ik de vier tot dusver uitgezonden afleveringen in één ruk uit. Ik moest er hard om lachen.

Hoefnagels is docent Nederlands aan een VMBO en heeft een zeer eigenzinnige kijk op onderwijs. Waar andere docenten linksaf gaan, gaat hij rechtsaf en andersom. Hij gooit inderdaad de peddels weg en schrijft een boekje over zijn onorthodoxe methodes. 

Hij heeft bijvoorbeeld een straffenpot. Leerlingen hebben zelf straffen bedacht, die op kleine papiertjes geschreven en in de pot gestopt. Wanneer nodig, trekt een leerling een papiertje en voert de aangegeven straf uit. Hoefnagels: “In mijn boekje heb ik het over de verantwoordelijkheidscirkels.” Hij toont een A4-tje met twee cirkels die elkaar deels overlappen. Hij wijst. “Dit is de verantwoordelijkheid van de leraar en dit is de verantwoordelijkheid van de leerling. En hier, dit is de overlapping. En hier zit ik ook met mijn straffenpot, hè?”

Ik vind de straffenpot een grappig idee, maar onuitvoerbaar, want inconsequent. Het cirkeldiagram kan niet serieus bedoeld zijn. Of...? Wat is er toch aan de hand met meneer Hoefnagels? Ik kan mijn vinger er niet op leggen.

Hoefnagels
Hoefnagels en zijn klas
Elke aflevering opent de ogen. Zonder aarzeling zegt hij het inderdaad honderd keer, als een meisje reageert met “Zo'n honderd keer” op Hoefnagels' vraag “Hoe vaak moet ik nog zeggen mobiel weg?” Als leerlingen hun cijfer goed raden, krijgen ze “hupsakee, een halve punt er bij” om zelfreflectie te stimuleren. Zijn theorieën illustreert hij telkens met merkwaardige afbeeldingen zoals een lijnpoppetje dat vastzit in een emotiedoosje en daar op het tweede plaatje uit klimt. Zijn mentorgesprekken slaan pedagogisch volledig de plank mis – hij is neerbuigend en weinig complimenteus.

Je hebt als kijker soms medelijden met de leerlingen; soms denk je dat ze zich juist erg gelukkig mogen prijzen. Hoefnagels is een komiek. Hij is eigenzinnig. Hij is creatief. Hij start het gesprek: laat alle docenten een pet opzetten tijdens de vergadering om de hoofddekseldiscussie nieuw leven in te blazen. Maar bovenal: hij beseft dat doceren meer is dan je lesprogramma draaien. Je hebt te maken met pubers en hun emoties en daar móet je wat mee. Maar ik kon Hoefnagels tegelijkertijd niet serieus nemen.

Na de vierde aflevering begrijp ik opeens mijn dubbele gevoel. Mijn oog valt op de aftiteling: Peter Hoefnagels gespeeld door Marco van Es. Ik spoel terug en kijk nog eens. Hoefnagels blijkt een verzonnen personage. Ik ben beetgenomen.

Ik google en lees een interview met de acteur. De leerlingen zijn échte leerlingen, maar hebben geauditeerd. De gehanteerde methodes zijn gebaseerd op bestaande theorieën. Het is aan de kijker te oordelen.

Op Twitter lees ik reacties van docenten. Waardeloos voorbeeld zeggen ze. Ik zeg: jongens, gooi die peddels eens weg en laat maar gaan. 

(Gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op 18-09-2012)

Mobieltjes Weg (Nederland 2, Vrijdag 5 Okt 2012)
Get Microsoft Silverlight
Bekijk de video in andere formaten.



zaterdag 20 oktober 2012

De vijf rollen van de leraar

Ter informatie
Mijn column 'Arme Docent' van afgelopen donderdag ging over de vijf rollen van de leraar. Voor meer informatie, bekijk hier het boek, of anders hier een filmpje. 
J.P.



dinsdag 16 oktober 2012

Zeven weken vakantie, dat valt niet mee


De zomervakantie is de periode van het jaar waarin ouders onderkennen dat docenten te weinig verdienen, las ik enige tijd terug. Kan ik me voorstellen. Zeven weken is een lange periode. Dat valt niet mee.

Je kunt je de huiselijke discussie voorstellen. Wat kunnen we morgen nou eens gaan doen? Pretparken zijn duur. En altijd die vriendjes over de vloer is ook maar zo zo. Al die troep moet opgeruimd. Kauwgom in het haar. Overal zand in huis. Verf op de muur. En dan oppas regelen. Of opvang. Of logeerpartijen. En dan de middagen die maar niet ingevuld wilden worden. 'Maaa-aam! Ik vervéééél me zo!' Áls er een groep is die opgelucht ademhaalt als september naakt, dat zijn het de ouders wel.

Nou ja, Frankrijk was leuk. Hoewel. In het zwembad van de camping zwom je zo tegen een losgeweekte pleister aan. En je stond in de file naar het strand. En de kinderen zeurden. En het was bloedheet. Er viel een ijsje op de achterbank. De hond werd ziek. Je nam een verkeerde afslag.

Gelukkig waren de pretparken geweldig, hoewel de kinderen al misselijk werden in de verzengende hitte in de rij vóór de achtbaan, het geld snel opraakte, de patat te vet en de mayonaise te zuur was en wie had eigenlijk bedacht dat oma zo nodig mee moest?

Wie had eigenlijk bedacht dat oma zo nodig mee moest?

Ik denk wel eens dat het de ouders zijn die die spandoeken langs en boven de weg hangen: de scholen zijn weer begonnen. Ik minder gas. Naast de tekst verbeeld ik mij de glimlachende hoofden van een ouderlijk paar, ze houden de duim omhoog. Ik lees: eindelijk verlost van die kutkinderen. Laat de docenten het maar weer doen. Wat voor werk ik doe? Ik zit in de kinderopvang.

Voor ouders kan de vakantie hunner kinderen niet kort genoeg duren, voor kinderen kan vakantie nooit lang genoeg duren. Voor docenten is de zomervakantie vanuit professioneel oogpunt vooral verwarrend.

Na zeven weken vakantie is het net alsof ik aan iets nieuws begin. Ik trek op de eerste dag mijn beste pak aan, omdat ik het gevoel heb een nieuwe baan te beginnen. Zeven weken lang moest ik dagelijks bedenken wat ik de volgende dag ging doen, ik ging op vakantie, ik had vrienden over de vloer, maakte er een troep van, logeerde hier en daar, verveelde me en opeens heb ik een baan. In het onderwijs. Zo voelt het. Onwennig.

Het is alsof je elk jaar datzelfde computerspelletje speelt – je komt meestal wel weer een level verder, maar elk jaar begin je opnieuw bij level 1. Steeds beter herken je de details van elk level – teamleiders zijn monsters, de directeur is de verschrikkelijke eindbaas die je te slim af moet zijn, maar gelukkig, leerlingen kunnen extra levens geven. Uiteindelijk zet de zomervakantie je weer terug bij het startscherm. Je vraagt je soms af of het spel ook gaat vervelen, maar je weet tegelijkertijd dat doceren als een vriend is, die je heel lang niet hebt gezien, die je zelfs vergeten was, maar die bij een volgend treffen comfortabel voelt als de oude trui die je zo graag draagt.

Ik raap mijzelf bijeen. Voorzichtig open ik de inbox van mijn werkmail in de laatste week van de vakantie en merk dat ik met halfgesloten ogen en afgewend hoofd op de mail met de titel 'Schoolstart 2012-2013' klik, alsof mij iets afschuwelijks staat te wachten. Ik gluur door mijn wimpers en slik. Ik word maandagochtend om 8 uur op school verwacht. Afschuwelijk.

De zomervakantie duurt vanaf volgend jaar zes weken. En dat is maar goed ook. Want zeven weken vakantie, nou, poeh, hé, dat valt gewoon niet mee. En dat weten de ouders maar al te goed. Nu alleen nog meer verdienen.

(gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op 04-09-2012)  

dinsdag 2 oktober 2012

VERHUISBERICHT

VERHUISBERICHT
Vanaf deze week staat mijn tweewekelijkse onderwijscolumn niet op dinsdag, maar op donderdag in de (vernieuwde) Leeuwarder Courant. 
J.P. 

De Leegte Na De Grijsgolf


De babyboomgolf, die enorme vloedgolf van vergrijzing, dat product van hersteld vertrouwen, spoelt de komende jaren aan op het pensioenstrand. Nu hoorde ik dit verhaal vijf jaar geleden ook al, maar blijkbaar geldt deze zich herhalende noodkreet nog steeds. Het is een flinke golf, moet je maar rekenen. Net las ik dat de komende vijf tot zes jaar veertig procent van het lerarenbestand stopt. Kort geleden passeerde het aantal gepensioneerden in Nederland de drie miljoen. In 2040, is de schatting, is bijna dertig procent van de bevolking 65-plus.

GrafiekEn dat merk ik. Wij zwaaien deze week zoveel collega's uit dat we mitella's voor de vermoeide armen zullen moeten bestellen. Maar hun vertrek is niet het enige dat opvalt. Wat betreft het docentenbestand lopen landelijk twee ontwikkelingen in het oog. Tegenover de voortdenderende grijsgolf staat geen vergroening. Anders gezegd: waar de ouden zongen, piepen nauwelijks jongen.

Uit een enquête van DUO blijkt dat tachtig procent van de Nederlandse scholen in het voortgezet onderwijs te maken heeft met krimp van het personeelsbestand, omdat het budget van middelbare scholen voor onderwijsgevend personeel met zestien procent daalt. Dat is niet mis. De vacatures die de pensionado's achterlaten worden niet ingevuld met jong talent. Bij een gelijk aantal leerlingen betekent het simpelweg dat docenten die er al zijn meer les moeten geven en dat er dus minder ruimte is voor andere taken die toch zo broodnodig zijn. Extraatjes als projecten, excursies, naschoolse activiteiten, maar ook het onmisbare mentorschap, de begeleiding van profielwerkstukken of extra lessen voor de excellente, of juist moeilijker lerende kinderen komen in het geding. Reken er maar niet op dat docenten vrijwilligerswerk gaan doen.

Voor krimpregio's, de leeglopende uithoeken van het land, lijkt de vergrijzing niet zo'n probleem te zijn. Minder leerlingen betekent immers ook dat er minder docenten nodig zijn. De bevolkingsdaling – met name veroorzaakt door ontgroening, dus door vertrekkende jongeren – lijkt daar mooi de grijsgolf te compenseren. Als er tien leerlingen minder zijn, kan er weer een docent naar huis. Maar eerlijk gezegd krijg ik de indruk dat deze vlieger niet altijd op gaat.

Zie. Mijn werkgever worstelt ook met een afnemende leerlingenpopulatie, maar weet die niet de vereffenen met de afzwaaiende grijzen. De jonge garde die de afgelopen twee jaar enthousiast de opengevallen plaatsen innam van de gepokten en gemazelden, moet nu weer het veld ruimen. Het geld is op. De lessen zullen voor bijna honderd procent gegeven worden door docenten met een vast contract. Naarstig werd gezocht naar 'slapende bevoegdheden'. Opeens leek iedereen bevoegd om ckv te geven. Een collega van geschiedenis verhuist volgend jaar naar de sectie Duits. Van collega's van Nederlands en aardrijkskunde werd de geschiedenisbevoegdheid wakker geschud. Alles stond op z'n kop om maar geen nieuwe mensen aan te nemen en alles intern op te lossen. Hand op de knip. Knip in het personeel. Personeel in de rats.

Maar de grijsgolf draagt een belangrijke eigenschap op zijn schuimende koppen mee: de eerstegraadsbevoegdheid. Het zijn immers de doorgewinterde grijsaards die de bovenbouw van de havo en het vwo voor hun rekening nemen. Zij zijn daartoe bevoegd. Van de 90.000 leraren in Nederland is zo'n 10% eerstegraads en daarvan is de helft straks met de camper vertrokken. Er is weinig nieuwe aanwas. Met name voor de bètavakken worden niet veel eerstegraders opgeleid, maar dit geldt in mindere mate evenzogoed voor andere vakken. Het onderwijs staat een kaalslag te wachten.

Ik hoop na de zomervakantie te kunnen schrijven dat de nieuwe politieke coalitie de budgetbeperkingen terug heeft gedraaid. Wil het Nederlandse onderwijs mee blijven spelen op het hoogste niveau dan moet een eerstegraads brandwond worden voorkomen. 

(Gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op 10-07-12)

dinsdag 18 september 2012

Schoolbandjes


Op de middelbare school in Buitenpost hadden mijn vrienden en ik een band. Of nee, we hadden een bandje. Zo heette dat en zo heet dat nog steeds. Je speelt als puber in een bandje, niet in een band. Je had toen ook geen vriendin, maar een vriendinnetje. Nou, eigenlijk hadden de meisjes vooral geen vriend, maar een vriendje. Sommige vrouwen zijn dat nooit kwijtgeraakt. Zelfs in een serieuze relaties hoor je volwassen vrouwen nog wel eens spreken van “mijn vriendje”. Dat is foute boel, want bandjes en vriendjes horen bij de middelbare school.

Maar de school waar ik zoveel jaren later werk heeft geen bandjescultuur. Ik zie nauwelijks nog alto's, rockers of punkers rondhangen in de gangen of op het plein. Waar zijn de lange haren en de hanenkammen gebleven, de shirts van rockbands met de Europese tour achterop? In mijn tijd in Buitenpost was er een groep heavy metal-liefhebbers met haar tot aan de kont, die shirts droegen met post-apocalyptische taferelen erop en die altijd met gebogen hoofd liepen, omdat ze in het weekend te hard hadden geheadbangd. Er waren alto's, de alternatievelingen, met open ruitjesblouse met daaronder een bandshirt. Zij rookten wiet in tussenuren. Er waren zelfs nog echte hippies, zoals Daan, die spacetruffels verkocht en praatte alsof hij er mee had ontbeten. En: zoveel subgroepen, zoveel bandjes.

Maar helaas, bandjes, ik zie ze nauwelijks meer. Althans, niet bij mijn werkgever. Ook al is de hoofdtelefoon onderdeel van de dagelijkse outfit geworden – die oordopjes zitten vastgegroeid in het oor lijkt het soms –, ook al wordt er schijnbaar meer muziek geluisterd dan ooit, bandjes zijn er bijna niet.

Dat heeft bij ons op school te maken met de positie van muziek als vak. Muziek is degradatiekandidaat geworden. In de bovenbouw past het nauwelijks meer in het rooster, in de onderbouw wordt het verjaagd door nieuwerwetse vakken. Leerlingen die het wel zouden willen, kunnen geen muziek meer kiezen.
Toch is er hoop. Gisteren zat ik vier uur lang in een heuse studio met een schoolbandje. Collega E. van muziek en ik wilden hun harde werken voor de musical belonen met een echte studio-opname. Toen ik het de leerlingen vertelde sprongen ze een gat in de lucht.

Ze hadden op de valreep zelf een nummer geschreven. In het Engels natuurlijk, want bandjes spelen voor de wereldmarkt. Zo is het nou eenmaal. 's Ochtends hadden ze het nummer voor het eerst gerepeteerd met de hele band. Een lied over het strand, de zonsondergang en, hoe kan het ook anders, meisjes. Het klonk te gek.

Dus los ging het. Eerst Jeroen (heeft granenallergie en komt vaak als laatste aanzetten) z'n drumpartij, daarna Fouad (moet als enige uit mijn vwo5-klassen nog zijn tijdvakdossier inleveren) z'n baspartij. Wytze (is veruit de langste van de band, maar zit nog maar in gymnasium 2) speelde moeiteloos zijn gitaar- en Levi (klassiek geschoold, luisterde op mijn aanraden jazz en was onder de indruk) al even gemakkelijk zijn pianopartij. Het liep gesmeerd.

Ik haalde patat en frikandellen terwijl Ernst (derdeklasser, scoort altijd goed op geschiedenis) zijn geweldige zangpartij deed. Daarna zongen Emma, Minke en Nynke (drie meisjes in de band, wat wil je nog meer?) hun engelenkoortjes in. Iedereen blij. Ik heb geen zomervakantie meer nodig.

Ik hoop over vijf jaar te kunnen zeggen: kijk, die rijke muziekcultuur van onze school, het feit dat het vak muziek weer serieus genomen wordt, dat begon allemaal in die laatste schoolweken van het seizoen 2011–2012 toen we met dat schoolbandje dat geweldige nummer opnamen. Want echt, een school met bandjes, daar zit muziek in. En oh ja, het nummer hoort u vanzelf.

(Gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op 26-06-12)

dinsdag 4 september 2012

In de naam van het hek en de dam


Al meer dan een week ligt mijn telefoon ’s avonds naast me op de bank, maar ik vermoed dat ik niet meer door de tweede corrector gebeld zal worden. Dat vind ik niet netjes. Uiteraard, geen bericht is goed bericht. De door mij toegekende punten blijven staan. Dat is de winst. Toch had ik dat liever even uit de mond van de tweede corrector gehoord.

Sommige tweede correctors maken zich er te gemakkelijk van af. En sommige eerste correctors gokken daarop. Ze wagen het veel door de vingers te zien in de hoop dat de tweede blik slechts vluchtig en alles behalve kritisch zal zijn.

Zelf was ik ook tweede corrector. Van twee scholen nota bene. Alsof men dacht, die Posthumus is nog jong, die kan dat wel velen. Ik kreeg de meeste tweede correctie van al mijn collega’s.

Kort nadat ik mij zwetend door het werk van de eigen leerlingen had geslagen en die had laten versturen, vond ik in mijn postvak een blauw briefje. De tweede correctie lag klaar op de administratie. Tot mijn geluk werd mij een map met maar vijftien leerlingen in de hand gedrukt. Een meevaller! Ik meende minstens veertig examens door te moeten ploegen en was op voorhand al chagrijnig. Nu maakte ik een sprongetje van geluk toen ik de deur van de administratie achter me sloot.

Een dag later lag het blauwe briefje nog steeds in mijn postvak. Althans, dat dacht ik even. Maar ik had me vergist. Natuurlijk viel het niet mee. Er was nog meer tweede correctie binnengekomen. Nog eens twee mappen met wel vijfenveertig leerlingen, maar nu van een andere school.

Ik werk doorgaans steekproefsgewijs: ik neem de examens van vijf willekeurige leerlingen integraal door en richt me daarna nog op vier of vijf vragen die landelijk tot nakijkproblemen hadden geleid. Dan is wel duidelijk of het correctiewerk nauwkeurig is gedaan.

Maar helaas. Ik had nog geen twee examens doorgenomen van de op het eerst meest gunstige map, die van vijftien leerlingen, of het was al zonneklaar dat de docent te inschikkelijk was geweest. Waar leerlingen een bron moesten aanhalen in het antwoord, maar dat niet deden, stond wel het maximaal aantal punten in de kantlijn geschreven. Advies, zoals gegeven bij de regiobespreking, werd hier en daar genegeerd. Ontbrekende antwoorddelen werden ten onrechte gewaardeerd. Ik typte drie A4-tjes met kritiek en mailde dat na een kort telefoongesprek door.

In zijn vriendelijke reactie verwierp de collega mijn kritiek, imponeerde hij met kennis van vakliteratuur en nodigde hij zichzelf uit om met mij de examens nog eens samen door te nemen. Ik slikte even en nam de uitnodiging schoorvoetend aan. Ter voorbereiding googlede ik zijn naam.

Ondertussen keek ik de twee dikke mappen van de andere school na. Ik had er niet veel werk van: de docent had messcherp geoordeeld. Zo hoort het. Zo zou iedereen het moeten doen in naam van het hek en van de dam en van het einde dat anders zoek raakt.

Zo zat ik op vrijdagmiddag met de vreemdeling in onze sectieruimte. Ik kende hem al van het YouTube-filmpje dat ik van hem zag, maar deed alsof ik niets van zijn politieke carrière wist. Hij vond mijn columns goed. Ik zei dank. We liepen de antwoorden stuk voor stuk na. Hij gaf uiteindelijk ruiterlijk toe te soepel zijn geweest. We hebben gepolderd, compromissen gesloten en consensus bereikt. Maar wat een gedoe.

Ik hoop dat mij dit in de toekomst bespaard blijft. Docenten moeten strak en eerlijk nakijken en niet anderen met hun werk opzadelen. En tweede correctors moeten gewoon even bellen als ze klaar zijn met het werk. Dan kan ik tenminste rustig op de bank voetbal kijken. 

(gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op 12-06-12)