maandag 20 juni 2011
Tulpvakantie
Knokke, de naam alleen al! Dat is vragen om relatieproblemen, zeiden vrienden. Het tegendeel is waar, mijn vrouw en ik voelen ons juist tiptop zo tussen de bejaarde rijkaards die je hier vooral aantreft. Niet dat ik niet vreemd opkeek toen mijn vrouw vanachter de computer mij toeriep: 'Het wordt Knokke!'
Het is misschien ook wel een beetje deprimerend, inderdaad. Langs de facade van Knokke, de boulevard, zie je ze rijendik, de dure sportwagens; je passeert de door zonnebanken voorgebruinde blubberlijven op de fiets; je ziet de gepensioneerden exclusieve bubbels drinken en zich asgrijs rokend op het terras en oh nee, de mannen dragen hun dure merktrui over de schouders, de mouwen voor de borst geknoopt. Dat hoort schijnbaar zo. Ik kan er niet tegen. Waarom knopen deze mensen hun trui niet om de middel?
In mijn turqoise Corsa, met mijn tengere, bleke lijf en mijn voorliefde voor andere bubbels, die van het gele vocht uit de tap, steek ik vast vreemd af. Daarom ook voel ik me volgens mij zo goed. Ik hou er van de vreemde eend in de bijt te zijn.
Waar hebben die mensen hun geld verdiend? Niet in het onderwijs, zoveel is duidelijk. Daar word je niet dik, decadent en vooral niet rijk van. Hoewel, ik ken zowel dikke, als decadente, als rijke docenten, maar de combinatie is zeldzaam en gemiddeld genomen is de docent slank, eerder bohémien dan decadent en juist wat armoedig.
Het is dus meivakantie. Ook wel tulpvakantie genoemd. Dat heb ik liever: tulpvakantie. Ik vind aardappelvakantie ook mooier dan herfstvakantie. En ik krijg kinderlijke kriebels als ik 'grote vakantie' hoor zeggen waneer het over de zomervakantie gaat. Vroeger scheen de grote vakantie mij reusachtig toe. Een schier eindeloze periode waarin ik mocht voetballen tot het donker werd. Toen leken zeven weken wel zeven maanden. Nu lijken zeven weken vooral zeven weken.
Omdat docenten enkele jaarlonen opzij moeten zetten voor de gemiddelde auto hier in Knokke, hebben we in het onderwijs ter compensatie - althans, zo zie ik het altijd maar - veel vakantie. Persoonlijk hecht ik veel waarde aan een weloverwogen omgang met vakantienamen. Vakanties houden ons op de been. Daarom, vanaf nu: het is tulpvakantie, niet meivakantie!
Maar de tulpvakantie valt dit jaar rauw op mijn dak. Het is alsof de stop uit de badkuip is getrokken en het schuimende water in een draaikolk wegloopt - zo voel ik me: ik heb er geen zin meer in. Koninginnedag en het bevrijdingsfestival zetten de wereld altijd in de vakantiemodus - ik kan er niet aan ontsnappen, het vakantiegevoel grijpt me bij de keel en laat me niet meer los.
Na de tulpvakantie hebben de examenklassen geen les meer. Het is stiller op school, buiten wenkt een ontwakende zomer en lonkt de vrijheid aan de geopende vensters.
En omdat het kriebelt, omdat het bruist, suist en broeit zit ik in Knokke. Bejaard, inderdaad. Te rijk, klopt. Decadent, whatever. Want kijk: ik lig te bakken in de zon. Ik zie met mijn verrekijker hoe bergeenden zich poetsen. Mijn vrouw bruint razendsnel. Het is 25 graden. En bovendien: als we verder zuidwaarts rijden zitten we zo in Frankrijk, of Spanje. En wie weet, misschien rijden we wel door naar Italië, naar Venetië of naar Rome, en komen we niet meer terug tot het september is.
zaterdag 11 juni 2011
Onder Invloed - Dim Junius
dinsdag 7 juni 2011
The Fat King - Wessel Stienstra
Nobody liked the FAT king! / He was so fat, that had to be carried by two horses at the same time / And the people hated him for that / 'Let's kill him for no reason or just because he is fat!' / They tried to kill him in many ways .. 'we need a stronger rope!' / and more ways .. 'Fire again' .. 'Sir, it's just not working!' / stupid ways .. 'Maybe there's candy coming out of him!' / Then they started to try the guillotine. The normal sized guillotine didn't fit, of course, so they had to get one from Africa .. 'We have guillotine rhino size. 25 Beads and it's yours' / Finally .. 'Blablabla, boring protocol stuff .. guilty, guilty, guilty. Just kill him!' / And the executioner released the rope... / THE (not so happy for Louis) END .. 'Is there now candy coming out?' (by: Wessel Stienstra)
maandag 6 juni 2011
Het onderwijsgen
Misschien was de begeleiding niet in orde? Docenten in opleiding worden beoordeeld op enkele lesbezoeken, een paar gesprekken en wat ontwikkelingsverslagen. Op gebakken lucht. Men wil meetbaar maken wat niet meetbaar is. Men verafgoodt protocollen, papieren, procedures, terwijl het om de lessen draait. En dan geldt: je hebt het of je hebt het niet. Punt uit. LIO’ers en sollicitanten zouden tijdens de intake plotseling en zonder voorbereiding in een lokaal met dertig leerlingen gegooid moeten worden om te zien of de leeuwen toeslaan of dat ze gedwee en koest blijven liggen. Dan herken je de goede docent.
Als je elke dag met vlekken in de nek thuiskomt en ’s ochtends extra diep moet ademhalen voordat je het klaslokaal binnenstapt, heb je het dan gered? Nee, dan had je gered moeten worden. Van mijn oudere collega’s is haast iedereen wel eens thuis geweest met stressverschijnselen.
maandag 30 mei 2011
woensdag 25 mei 2011
Ken Robinson - School Kills Creativity
dinsdag 24 mei 2011
Intelligent, maar dan anders
maandag 9 mei 2011
De gelukkige klas
Het is de laatste scène van de geprezen documentaire ‘Children Full of Life’ uit 2003, waarin de unieke docent Toshiro Kanamori en zijn 35 leerlingen centraal staan. De kinderen zijn negen, misschien tien jaar. Ik zag de video over de Japanse onderwijzer op YouTube. Daar is het een hit, want Kanamori is een fenomeen.
Zijn didactiek draait om menselijkheid. Geluk is bij hem het doel en empathie het belangrijkste middel daartoe. Elke dag lezen drie leerlingen voor uit de dagboekbrieven die ze aan de andere leerlingen schrijven en die ze bijhouden in een schrift. Ze hebben geleerd daarin open te zijn. De klasgenoten luisteren écht. De voorleessessies leidden soms tot gezamenlijke huilbuien.
Ik keek met open mond.
Dat empathische vermogen is de meeste – niet alleen Japanse! – volwassenen vreemd. Had ik maar zo’n docent gehad, luidt de gemiddelde reactie op YouTube. Maar eigenlijk staat er: had ik maar zulke vrienden gehad, dan was het leven een stuk draaglijker geweest. Vrienden die echt luisteren – daar word je gelukkig van.
Na vier dagen afwezigheid, leest Ren voor uit zijn dagboekbrief. Zijn oma is overleden. Hij vertelt over het verlies en het verdriet, over de bloemen in de kist. Andere leerlingen halen passages uit oudere brieven aan waarin ze ook een persoonlijk verlies beschrijven. Dan vertelt Mifuyu over haar overleden vader. Ze was drie toen hij stierf. Ze heeft het nooit eerder verteld aan de klas. Iedereen huilt mee.
Enkele dagen later neem Mifuyu haar belangrijkste bezit mee: een ingelijste tekening van een futuristisch voertuig dat haar vader vlak voor zijn dood heeft ontworpen voor een parade. Iedereen wil de tekening zien. Mifuyu is trots en ze kan nu lachen als ze over haar vader praat.
Geluk staat zelden letterlijk als doelstelling in een schoolgids, maar is als idee niet nieuw. In de jaren ’20 liet schrijver/onderwijzer Theo Thijssen zijn karakter Meester Staal al de volgende woorden, in de slotregels van zijn boek De Gelukkige Klas, zeggen: ‘M’n heerlijke, lieve, lastige stel, ik weet eigenlijk maar een ding: de jaar of wat dat ik jullie heb en dat jullie mij hebben, behoren wij enkel maar een gelukkige klas te zijn. En de rest is nonsens, hoor, al zal ik dat júllie nooit zeggen.’
Ik zal niet beweren dat mijn pogingen kennis over te brengen er niet toe doen, of dat de lesstof die ik in mijn lessen probeer te verduidelijken nonsens is, nee, daar ben ik teveel historicus voor. Maar dat het geluk van mijn leerlingen voorop hoort te staan, daar ben ik het volkomen mee eens. Wat is een uitmuntend cijfer waard, als een leerling niet goed in zijn vel zit? Wat doet een goed rapport er toe, als iemand gepest wordt? Welk nut heeft kennis van zaken als er verdriet is?
Kanamori en Thijssen – kilometers en jaren van elkaar verwijderd – hebben het begrepen. Een leerling uit de documentaire vat het als volgt samen: ‘We gaan naar school om gelukkig te worden en elkaar gelukkig te maken. Als één iemand niet gelukkig is, is niemand gelukkig.’
woensdag 4 mei 2011
Gewoon druk!
zondag 10 april 2011
Door de sleutels de bos
Conciërges spelen traditioneel een cruciale rol binnen scholen. Ze doen ’s ochtends het licht en de kachel aan, ze zetten de eerste koffie. Hun handen zijn vuil, omdat ze net een leerling hebben geholpen met een afgelopen ketting of een lekke band. Ze hebben een buil shag in hun borstzak en een combinatietang in de hand. Ze sjouwen met tafels en stoelen en hebben een indrukwekkende sleutelbos aan hun broek hangen, een sleutelbos die toegang geeft tot álle ruimtes in het gebouw.
Conciërges zijn vertrouwenspersoon, klusjesman, psycholoog, vliegende keep, tuinier, eerste hulp, gastheer en administratiemedewerker in één. Ze kennen alle leerlingen bij naam en weten precies wie veelvuldig ziek gemeld wordt, wie te laat komt en wie er vaak uit gestuurd wordt. Ze zijn de big brother die een school nodig heeft.
Ze fungeren niet zelden als stootkussen tussen leerlingen en ouders aan de ene, en docenten aan de andere kant. Ouders die verhaal komen halen worden eerst opgevangen door de conciërge en gekalmeerd met een bakje koffie, alvorens ze het gesprek met de docent aangaan. Voor leerlingen is de conciërge een vriend, terwijl de docent toch eerder een vijand is. Ik weet zeker dat conciërges af en toe leerlingen toefluisteren: ‘Ik vind die Posthumus ook een vreemde vogel. Je bent niet de enige. Écht niet!’
Ik moest zelf als leerling iets té vaak een blauw briefje halen bij de conciërge, omdat ik te laat was. Drie keer te laat op school betekende een weeklang half acht op school voor corvee. Ik vervalste blauwe briefjes om onder de maatregel uit te komen. Spannend was dat. En de conciërge kende mij. O, reken maar dat hij mij kende. Vond mij een vreemde vogel.
Maar ik vraag me al een tijdje af, bestáát de traditionele conciërge nog wel? Met het groeien van de organisatie werd ook de conciërge gedwongen in de kleverige teamstructuur die als een web over onderwijsland is gevallen. De conciërge werkt binnen het team onderwijsondersteunend personeel, het OOP – een verzamelnaam voor alle schoolmedewerkers die niet docent of directielid zijn. Het is een groep die de afgelopen jaren onafgebroken gegroeid is. Conciërges zitten in dezelfde vergadering als de mensen van de administratie, de roostermaker, de amanuensissen, de man van het kopieerhok, de klusjesmannen, de kantinejuffrouw en de klassen- en onderwijsassistenten.
Het OOP dus. Overigens, een veel gezelliger team dan de docententeams. Ze praten in pauzes over van alles en nog wat. Docenten praten het liefst over werk.
Enfin.
Mijn hoop is nu dat de conciërges tijdens die teamvergaderingen zich nu en dan afsluiten van het geouwehoer over vieze theekopjes, de evaluatie van de ouderavond of de aanschaf van een nieuw kopieerapparaat. En dat ze dan in hun hoofd de klassen langslopen. Of ze iedereen wel kennen. Wie er allemaal te laat was. En waarom. En of er nog een dakgoot gerepareerd moet worden. Of tafels gesjouwd.
Anders, ben ik bang, zien ze straks door de sleutels de bos niet meer.
dinsdag 29 maart 2011
Children Full Of Life
maandag 28 maart 2011
Ooggetuigen
Onherroepelijk trekt een bezemwagen door de tijd die de stem van generaties doet verstommen. Als iemand een eeuw oud wordt, mag dat een wonder heten. De oudste mens ter wereld is de 114-jarige Besse Cooper uit Amerika. Zij was drie toen de twintigste eeuw begon. Personen die nog eigen, levendige herinneringen aan de negentiende eeuw hebben zijn er niet meer.
Nog slechts drie veteranen van de Eerste Wereldoorlog zijn in leven: een Engelsman die vocht aan het front, een Amerikaan die ambulancechauffeur was en een Amerikaanse die bij de Royal Air Force als serveerster in dienst was. Ze werden alle drie geboren in 1901. Straks is er niemand meer die met eigen ogen de loopgraven van het westelijke front heeft gezien, het dreunen van de mortieren heeft gehoord en de Franse modder heeft geroken.
Onze opa’s hoorden bij de bijzondere generatie die met het volle bewustzijn de Tweede Wereldoorlog heeft meegemaakt – over twintig, dertig jaar is die generatie onverbiddelijk op sterven na dood. De jongens die de Duitsers zagen komen, of tegen ze vochten, dat wáren onze opa’s. Straks zijn het alleen nog personages in boeken en films.
Mijn pake had al zijn broers en zussen al verloren. Hij was de laatste die het gordijn achter zich dichttrok. Zijn mem was in verwachting van het veertiende kind toen haar man stierf. De oudste zoon was twintig en het boerenbedrijf ging door. Ze kocht op een dag een kleine karnmolen van een man die per motor goederen in Noordoost-Friesland verkocht. Diens neefje zou later de handel overnemen. Die neef, dat was de opa van mijn vrouw. Onze opa’s. Ooggetuigen van de geschiedenis. Boer en koopman.
woensdag 16 maart 2011
Machtige ouders
Ik vraag me herhaaldelijk af wie de poppenspeler is en wie de marionet in het onderwijs. Ik geloof dat de poppenspeler zelf een marionet is, die een poppenspeler is, die weer een marionet is. Elk trekt aan elk in dit schimmige spel. De inspectie trekt eens aan een arm, de media trekken dan weer aan een been, besturen trekken aan een kop en de ouders trekken ook nog eens aan allerlei touwtjes dat het een lieve lust is. En kijk: de schooldirectie danst de horlepiep.
Er is geen enkel bedrijf waar zoveel mensen over meepraten als over het schoolbedrijf. De ouders voorop. En zo staan achter elke cliënt twee advocaten die om de haverklap verhaal komen halen. Wat een gedoe! Laat de school eens met rust, dan kan er aan duurzame kwaliteit gewerkt worden. Maar ja, het is wel hun kind. En sommige klachten – die raken aan de kwaliteit van het onderwijs – zijn overigens zeer gegrond. Dat moet gezegd.
Maar oef, de arm van de ouders reikt tot in de poriën van de school. Zo waren wij in de onderbouw gewoon gele papiertjes uit te schrijven als leerlingen hun huiswerk niet hadden gemaakt, boeken waren vergeten of zich anderszins vergist hadden. Een waarschuwingspapier inderdaad. Het papier bestaat nog steeds, maar de kleur is veranderd. Volgens sommige ouders was de associatie met de gele kaart van het voetbalspel te evident. Zo moesten de kinderen het niet ervaren. Nu delen we blauwe kaarten uit. Het deed me denken aan die kleurdidactici die beweerden dat het nakijken van tentamens met een groene in plaats van rode pen dient te geschieden. Ammehoela, laat me niet lachen! Goed is goed en fout is fout en zulke kleurdidactiek is goed fout.
Ik ken de verhalen van scholen in het land. Als een docent een aantal dagen afwezig is, trekken de eerste ouders al aan de bel. Hun kind moet les krijgen en wel meteen. De teamleider, onder druk gezet, belt met de zieke collega die tegen overspannenheid aanzit. Er ontstaat een cirkel, aangezet door de ouders, maar gecompleteerd door de teamleider: de zieke docent komt te vroeg terug en zit enkele weken later bij de bedrijfsarts. Er vallen meer lessen uit. Ouders bellen weer. Teamleider belt weer. Docent blijft nog langer weg. Er komt een onbevoegde invaller. Ouders bellen weer, teamleider belt weer en het einde is zoek. Zulke dingen gebeuren. Ik hoor ervan.
Eén brief uit het ouderlijke kamp is vaak genoeg om een directie aan het twijfelen te brengen. Wat ouders niet zien bestaat niet, maar wat ze wel zien wordt vlug gladgestreken. Er wordt mooi weer gespeeld. Alles draait om uitstraling. Om de glossy. Ik ken een school waar één klas inhaaluren kreeg, omdat ouders aan de telefoon hingen, terwijl een andere klas, die evengoed extra uren nodig had, ze niet kreeg. Tja, dan moeten de ouders maar bellen.
Ik vind dat een sterke directie vóór goed onderwijs en áchter haar mensen moet staan, niet voor goede uitstraling en achter de ouders. Een directie moet keuzes maken en moet die kunnen verdedigen tegenover critici. Meewaaien met de wind van haarklovers is fnuikend.
woensdag 9 maart 2011
Yn Fryslân Bleaun
Yn Fryslân Bleaun
Muzyk: Jelte Posthumus en Lammertjan Dam
Tekst: Jelte Posthumus
Ik bin altyd ûnderweis, myn hiele libben is in reis
nei wûnderlike stêden, nei fiere, frjemde lannen
ûnderweis
Ik haw fan it libben preaun
mar wie ik mar yn Fryslân bleaun
Ik haw in hûs bout yn it doarp
twa doarren fierder as ús heit-en-dy
Ik wenje der allinnich, mei myn hûn en mei myn katten
tichtby ús heit-en-dy
mar hjoed haw ik yn myn deiboek skreaun
werom bin 'k eins yn Fryslân bleaun?
~ De dagen binne oeral like lang
mar nearne fiel ik my senang
De moanne skynt oeral itselde ljocht
Mar ik haw nea fûn wat ik socht
Ik mis It Waad, ik mis ús mem
ik mis it wetter, ik mis har stim
de greiden efter hûs, de pingo's yn it lân
ik mis ús mem
Ik haw de tiid foar my út treaun,
mar wie ik mar yn Fryslân bleaun
Ik bin gjin man fan de wrâld
dat reizgjen lit my kâld
Ik bliuw leaver yn myn nêst, dan bin 'k op myn bêst
dit is myn wrâld
mar wat is dat eins oerdreaun,
wêrom bin 'k eins yn Fryslân bleaun?
~ De dagen binne oeral like lang
dus wêrfoar bin ik dan sa bang?
de moanne skynt oeral itselde ljocht
ik gean hjir wei, ik haw myn nocht
De greiden, de pingo's, it Waad en ús mem en it wetter har stim, ik kom wer thús
myn hûn en myn katten, ús heit en ús mem, de minsken fan't doarp swaaie my út
Mei de koffer yn de hân, Fryslân ik kom werom
Mei de koffer yn de hân, Fryslân ik gean hjir wei
Mei de koffer yn de hân, mem jou my in tút
Mei de koffer yn de hân...
dinsdag 1 maart 2011
Eng, al die twitterende leerlingen
woensdag 16 februari 2011
Goede Voornemens
maandag 31 januari 2011
Voor Jack
Het muzieklokaal is nu een plek van herinnering. Enkele weken geleden verplichtte een roosterwijziging mij daar geschiedenis te doceren. Ik moest aan Jack denken. Het muzieklokaal was zijn plek. Nu zat hij thuis. Ziek.
Het was een vreemde donderdag. Ik vergat een lesboek mee van huis te nemen, was volledig verrast toen ik een vriend in opleiding in de personeelskamer zag zitten, die, precies volgens afspraak, een les kwam bezoeken, en ik had niet de beschikking over het materiaal in mijn eigen lokaal. Zo stond ik plotseling zonder boek, maar mét visite op de achterste rij voor een tweede gymnasiumklas in een ruimte vol muziekinstrumenten. Aan de wand hingen gitaren. Er stond een piano, twee drumstellen en er was een hok vol percussie-instrumenten. Ik bedacht, vandaag is zo’n dag.
Toen ik vroeg wie van de leerlingen een instrument bespeelde, gingen nagenoeg alle handen omhoog. Dat beloofde wat! Tot mijn geluk had ik nog wel een opdracht over de oorzaken van de Franse Revolutie in de tas. Het werd een deal. De laatste tien minuten van de les zouden we muziek gaan maken, míts iedereen goed zijn best deed bij het maken van de opdracht. De kinderen werkten als paarden. Met de tong uit de mondhoek ging iedereen aan de slag alsof het leven er van af hing. De stilte in het lokaal was oorverdovend. Slechts het geluid van driftig schrijvende pennen was hoorbaar. Er moest en er zou gejamd worden! Ik knipoogde naar de vriend in opleiding die met zichtbaar genoegen het tafereel gadesloeg.
Toen de wijzer van de klok de laatste tien lesminuten had bereikt gingen de boeken vlug in de tas en stelde ik de band samen. Ik probeerde te dirigeren, maar uiteraard, het werd een kakofonie van jewelste. De stilte van enkele minuten daarvoor maakte plaats voor het tegenovergestelde. Jongens trommelden met volle overgave op de conga’s, in de vensterbank zaten drie gitaristen die elk een ander lied pingelden, een meisje speelde een kleine melodie op de piano en de drummer ramde als een bezetene op de vellen, zo hard dat van de andere geluiden weinig overbleef.
Toch hoorde ik plotseling tussen alle geluiden door vanaf de vensterbank de onmiskenbare intro van Eric Claptons Tears In Heaven. Het was Vincent op akoestische gitaar. Ik maande de band tot stilte. De geluidenbrij verstomde en iedereen luisterde hoe Vincent bloedserieus het nummer uitspeelde. Muziek is magisch. En ik moest weer denken aan Jack. Ik geloof nu dat Vincent het voor Jack speelde.
Hij zou vandaag 62 zijn geworden. Op de kortste dag van het jaar. Na de kerstvakantie gaat alles weer verder en hoewel vanaf vandaag de dagen lengen en de nachten korten, zal het nog even duren voor de school voluit adem kan halen. De harmonie van een school openbaart zich als het verlies van één een verlies voor iedereen blijkt.
woensdag 26 januari 2011
dinsdag 25 januari 2011
zaterdag 22 januari 2011
vrijdag 21 januari 2011
Aardema slacht arrestant - cartoon
![]() |
| Scherts naar aanleiding van dit bericht op de site van Omrop Fryslân |
zaterdag 18 december 2010
Puberbrein
Er zullen twee sprekers komen. De directeur zal de vele onduidelijkheden rond de Tweede Fase uitleggen en een docent biologie zal de nieuwste kennis rond de ontwikkeling van de hersenen van pubers presenteren. Samen staan ze naast het spreekgestoelte. De directeur met gespannen grijns en de docent biologie die de microfoon test, maar nog zonder resultaat. De projector staat aan. Het grote scherm laat lezen: ‘Het puberbrein. Een borrelende chaos’.
Als een conciërge nieuwe batterijen in de microfoon heeft gedaan en een knoeperharde piep de fronsen op de ouderlijke gezichten nog wat dieper heeft gemaakt, steekt de biologiedocent van wal.
Hij vertelt dat pubers lange tijd kleine volwassenen waren. Dat was een vergissing. Het puberbrein is nog lang niet klaar. Tot je vijfentwintigste levensjaar is de hersenpan nog volop aan de kook. Heel veel verbindingen moeten nog worden gelegd en overbodige verbindingen moeten nog worden verbroken.

Het zijn met name de nieuwe verbindingen die de boel flink opschudden en dan in het bijzonder nieuwe verbindingen in de prefrontale cortex, het gebied direct achter het voorhoofd. Dit deel heeft in de evolutie de mens tot mens gemaakt en gaat over het inzicht in de gevolgen van onze handelingen. Het helpt ons te kunnen vooruitdenken en impulsen te onderdrukken. De biologiedocent concludeert: ‘Leerlingen vinden het dus moeilijk te plannen en hebben af en toe last van uitspattingen.’
Rumoer. Ouders gniffelen. Fijn te weten dat het met die hersenkwab te maken heeft, maar die conclusie hadden zij al lang getrokken.
De biologiedocent gaat verder. Het scherm toont een doorsnede van de hersenen. Achterin is iets rood gekleurd. ‘Het cerebellum, oftewel de kleine hersenen’, verklaart de spreker. ‘Pubers hebben hun emotionele huishouden nog niet op orde, snappen grapjes verkeerd en begrijpen sociale signalen maar half’.
Weer gegrinnik en knikkende hoofden. Herkenning in de zaal.
Volgende dia. De stem: ‘En dan de stofjes. Melatonine en dopamine. Melatonine maakt ons slaperig – bij pubers wordt dit slaaphormoon plotseling twee uur later aangemaakt. Ze gaan laat naar bed en zijn ’s ochtends om acht uur slaperig, chagrijnig en niet scherp. Door dopamine gaan pubers experimenteren en gevaarlijke dingen doen. Dat kun je niet tegenhouden.’ De spreker sluit af met een flauwe grap. ‘Soms denk ik wel eens, pubers lijken op borrelende vulkanen die elk moment kunnen uitbarsten. En zo zien ze zichzelf ook het liefst: de hele dag een beetje roken en dan ook nog horen dat ze actief zijn!’
Dan is het pauze. Met koffie en koekje.
De ouders mompelen. Dat was oud nieuws. Uitspattingen, emoties boven verstand, misverstanden in de communicatie, niet planmatig zijn, niet zelfstandig kunnen werken, geen verantwoordelijkheidsgevoel, niet uit bed kunnen komen: dat zijn inderdaad hun kinderen. Dat wisten ze al lang.
Als iedereen weer zijn plaats heeft gevonden, begint de directeur. ‘Uw kinderen beginnen dit jaar in klas vier met de Tweede Fase. In de Tweede Fase ligt de nadruk op zelfstandig werken. Ze krijgen aan het begin van elke periode lesplanners uitgedeeld en zijn zelf verantwoordelijk voor hun leerproces. Omdat we de lessen zoveel mogelijk om acht uur laten beginnen – lekker vroeg d’r voor! – hebben ze ’s middags tijd om hun taken af te maken. En u zult zien: dat kúnnen ze.’
De ouders maken aantekeningen op de meegebrachte informatieboekjes en stellen na afloop braaf vragen. In de auto terug naar huis zeggen ze: ‘Herkenbaar verhaal van die biologiedocent. Mooi ook dat onderwijsvernieuwing tegenwoordig zoveel rekening houdt met het puberbrein… Of zo.’
dinsdag 23 november 2010
Leuters, gleuven en bloemkolen
Dader: jongen uit havo 4. Slachtoffer: meisje uit klas 2. Hij zocht geen diepgaande relatie, zij dacht dat het iets speciaals was. Hij had alleen maar zin om te tongen. Ogen dicht en bekvechten – de behoeftes van een zestienjarige knul. En zij? Zij is een klein meisje met een beugel. Enfin.
De havopummel heeft haar dus misbruikt, maar dat niet alleen. Hij heeft haar ook nog eens belachelijk gemaakt. De vriendin van het huilmeisje vertelt dat de jongen ten overstaan van klasgenoten maar al te stoer vertelde dat hij klaar met haar was. Uitgetongd. Uitgebekt. Uitgelebberd. Hij had de lachers op zijn hand en zij stond te kijk. De vriendin is even stil en zegt dan: ‘Ik sla him op ‘e bek. Echt wier’. Fantastisch.
Ik herinner mij dat ik ooit op diezelfde leeftijd drie keer had gezoend met een meisje en daarna doodleuk beweerde dat dat ‘gewoon toeval’ was. Ik gewetenloze zak. Zij in tranen.
Pubers zijn non-stop bezig met relaties en hun plek daarbinnen. Ze delen het leven met vaders en moeders, met broers en zussen, met vriendjes en vriendinnetjes, met klasgenoten en docenten. En geen enkele relatie is dezelfde.
Om leerlingen daarin te onderwijzen en de gelegenheid te geven daarover te praten, is op onze school ooit het Project Relaties gestart, waarbij vierdeklassers hun verhoudingen met anderen tegen het licht houden. Het komt altijd tot mooie groepsgesprekken, de sfeer is intiem maar gezellig en doorgaans zijn leerlingen heel open over hun relationele besognes. Als ik ze vraag welk gedoe ze met hun ouders hebben, dan staat het bord binnen vijf minuten vol probleemsituaties en geopperde tactieken. Als we hun relatie met docenten bespreken, dan valt mijn mond soms open. Zo eerlijk zijn ze. Als ik vraag wie wel eens condooms heeft gekocht, dan is er soms wel iemand die zijn of haar rubberavontuur wil delen.
Of het nou ruzie met de ouders, een druiper of homoseksualiteit is: leerlingen moeten weten dat alles bespreekbaar is. Dáárom is het project zo goed.
Eén van de hoogtepunten van afgelopen project was het penis-vagina-borsten-coïtus-synoniemenspel – om het praten erover te vereenvoudigen. In een poging de groep in een lokaal verderop het nakijken te geven, schreven we een indrukwekkende lijst synoniemen op het bord. De groep was op dreef. Jongeheer, paal, potlood, banaan, vlaggenstok en slurf zijn slechts een wilde greep uit de enorme penislijst. En wat te denken van poes, vagijn, pinautomaat, kier en flamoes als synoniem voor het vrouwelijk geslachtsdeel? Een conciërge die koffie bracht fluisterde mij later met een grote grijns toe: ik wilde het niet zeggen waar de kinderen bij waren, maar ken je deze al? Lustoord voor stijfkoppigen?
Omdat ik vind dat projecten op school ook uit moeten stralen naar de leerlingen en docenten die er níet bij betrokken zijn, veegde ik de lijst met leuters, gleuven en bloemkolen niet uit, maar bedekte die met de zijpanelen van het bord. De collega die de volgende ochtend het bord zou openklappen moest wel blijverrast zijn: zo’n voortreffelijke lijst – dat nodigt uit tot een goed klassengesprek. Ik wacht nog op het bedankbriefje.
dinsdag 9 november 2010
Op cursus
De cursus activerende didactiek vond plaats in een hotel met een vogel op het dak. Een toekan, als ik me niet vergis. Ik ben gek op vogels, dus dat scheelt, maar ik heb een hekel aan cursussen waarvan ik de inhoud vooraf kan voorspellen. Activerende didactiek: dat wordt samenwerkend leren, oftewel samen met stiften en grote vellen papier in de weer. Ik voel het aankomen.
Zulk cynisme is uiteraard een slecht uitgangspunt. Maar activerende didactiek is een term waarmee ik bewusteloos ben gegooid in mijn jonge onderwijscarrière. En inderdaad.
We hadden nog maar net een kop koffie ingeschonken of we werden didactisch flink geactiveerd. Via verknipte ansichtkaarten vonden we onze groepsgenoten, al vrij snel waren we allemaal tijdbewaker in gesprekken, we kregen energizers te doen en de door mij zo gevreesde placemat kwam langs. Tijdens mijn lerarenopleiding, tijdens andere cursussen en zelfs bij personeelsvergaderingen: overal ben ik aan het mindmappen, maak ik woordspinnen of ben ik slachtoffer van de placemat-methode. Maar godallemachtig.
Ik heb al te vaak met drie volwassenen rond een groot vel papier (de ‘placemat’) gezeten met een stift in de hand om stellingen, associaties of ideeën in onze eigen hoek te krabbelen om daarna in discussie te gaan en het residu van het heen-en-weer gepraat in de centrale rechthoek te kalken. En altijd moet die placemat opgehangen of gepresenteerd worden. En dan? Dan wordt-ie in de prullenbak geflikkerd. Ik ga het niet meer doen. Iedereen kan de pot op met die placemat.
Mijn ergernis hield ik tijdens de cursusdag voor me. Ik volgde netjes de instructies van de cursusleidster die ons met heldere stem bij de les hield. ‘Maar als je dit doet, koppel het wél terug naar je groep’. En: ‘Laat dit duidelijk zijn: alles mág en niets móet’. Tussendoor: ‘Herkennen jullie dit?’ Ik kijk om me heen of ik de enige ben die zich ergert, maar zie collega’s die stilzwijgend knikken. Ze herkennen het. De imposante cursustante windt er geen doekjes om: ‘Je moet tegen jezelf zeggen: ik dóe er toe als ik voor de klas sta’.
Zucht. Ik kan er gewoon niet tegen. Ik weet eigenlijk niet precies waarom, maar ik word opstandig van zulks. En ik ben nog maar net op de onderwijstrein gestapt. Ik ben dertig, maar voel me een cynische oude zak als ik thuiskom na zo’n cursusdag.
Ik denk dat het mij vooral tegenstaat dat wij zo gelaten deze terreur van didactici als een vloedgolf over ons heen laten komen. En dat het schoolbudget dat wél toestaat. Ik, mijn collega’s, maar ook de teamleiders, bestuursleden en directeuren krijgen telkens en opnieuw deze, op beperkte literatuur gebaseerde truttigheid voorgeschoteld. Uniformiteit dreigt. Als mijn collega’s wél met de cursusinhoud aan de slag gaan, zijn de leerlingen straks blij dat ik gewoon op mijn manier lesgeef. Activeren met enthousiasme en inspirerende verhalen mag toch ook nog wel?
Hoe dan ook, de lunch was uitstekend. Nee, geen kwaad woord dáárover.
Trouwens, tijdens de lunch zat ik per toeval naast de cursusleidster. Ik heb haar goed bekeken vanachter mijn broodje, want binnenkort komt ze bij mij in de les, samen met mijn leidinggevende. Er zit niets anders op – we gaan in groepjes werken met placemats, woordspinnen en mindmaps. Voor één keertje dan.
dinsdag 26 oktober 2010
Excursie
Goh ja, de excursie.
Die ene week in het buitenland. Daar heeft iedereen zo zijn herinneringen aan. Excursieanekdotes worden op scholen doorverteld en opgeblazen, totdat de brugklassers die nog niet zijn geweest haast niet meer kunnen wachten. Uiteraard, een excursie heeft een educatief karakter – je bezoekt musea en monumenten – maar daar hebben leerlingen geen boodschap aan. Op de eerste plaats wordt vooral de puberteit gevierd. In veler herinnering vormt het weekje buiten de school een hoogtepunt in de verder zo suffe schooljaren.
Vertel mij wat.
Ik ging in de vijfde klas een week naar Berlijn – ik heb het nog helder voor ogen. We rookten wiet op de hotelkamer, verfden het haar van een vriend paars en gingen pas slapen als de docenten minstens drie keer aan de deur waren geweest. Het was de tijd dat mijn haar nog zo lang was, dat mijn moeder meende dat als ik de foto’s later terug zou zien, ik mezelf niet zou begrijpen. Maar ik begrijp het nog goed, ook al zijn mijn haren korter geknipt.
Én mijn rol is veranderd. Want nu ben ík het die ‘s nachts door de gangen van een jeugdhotel loopt en hier en daar op deuren bonkt, omdat – jongens, ik wil het niet wéér hoeven zeggen – het nu toch echt afgelopen moet zijn. Nu ben ík de boosdoener als ik plotseling de kamerdeur open en vijf meisjes op de kamer van de jongens tref die, nog voor ik iets hoef te zeggen, onder mijn armen door naar hun eigen kamer sprinten. Ik ben streng, want dat vergt mijn rol, maar ik heb tegelijk de neiging om paarse haarverf uit te delen.
Sommige docenten vinden excursies doodvermoeiend. Een excursie bezorgt hen meer stress dan een gewone lesweek op school. Andere zijn er, zacht gezegd, op gebrand met minstens één excursie per schooljaar mee te gaan. De vraag wie meegaat met de excursies neemt voor die personen haast obsessieve vormen aan. Wie gaat er eigenlijk mee naar Berlijn dit jaar? Peter? Maar die zit toch niet in het havo-team? Hij ging toch vorig jaar ook al naar Engeland, met de derde klas? En die cursus. In Spanje? Oef, docenten kunnen zo kinderachtig zijn.
Waar het succes van de excursie bij leerlingen afhangt van de vrijheid die ze nemen of krijgen, hangt een tevreden thuiskomst bij docenten vooral af van de samenwerking met de collega’s. Je zult maar op reis zijn met een stresskip, een snurker, iemand die níet kan lachen om de moppen van de chauffeur, of iemand met een dieet, zodat je de hele stad door moet op zoek naar het juiste broodje en die ook het geld beheert en elke kop koffie één teveel voor het budget vindt. Dan valt het niet mee.
Nee. Dan kun je beter terugvallen op de leerlingen. Die zijn altijd goedgemutst. Ik heb een week na thuiskomst van de excursie naar Engeland hetzelfde spel aangeschaft voor mijn eigen spelcomputer. Het is herfstvakantie, dus ik heb alle tijd om te racen.
dinsdag 12 oktober 2010
Een stukje
Het is die kantoortaal. Dat vreselijke managersjargon dat als kruipolie het onderwijs binnen is gekropen. Misschien is het geen probleem, maar slechts een uitdaging, misschien heb ik de ontwikkel- en actiepunten niet helemaal helder, maar tjonge, ik probeer het een plekje te geven en bedankt voor je waardevolle opmerking, we nemen het mee. Dát werk.
Een groot deel van mijn ergernis komt voort uit de woordkeuze die de communicatie binnen de school betreft. Alsof communicatieproblemen opgelost worden met dat wollige, bij dat soort cursussen en in dat soort kringen opgestoken, vocabulaire. Opeens moesten er dingen ‘teruggekoppeld’ worden. Even dacht ik nog: ah, gelukkig, een versnellinkje lager, maar toen bedacht ik: nee, blijkbaar wordt er eerst iets heengekoppeld! Iets moet heengaan om terug te komen, niet waar? Maar hoe ik ook keek en luisterde, ik wist niet wat. Nu begrijp ik inmiddels dat ik gewoon iets van me had moeten laten horen. Zég dat dan!
Ook werd er steeds meer informatie ‘doorgecommuniceerd’, nadat het kennelijk eerst gecommuniceerd was naar iemand, als in: “Ik zal deze aantekening even naar Henk communiceren. Hij communiceert het door naar Peter.” Ook de ‘externe communicatie’ en hoe dingen ‘naar buiten toe’ gepresenteerd werden, bleken ‘speerpunten’ bij uitstek. Als iemand vroeg: “Zeg, wil jij dat even oppakken?”, keek ik altijd zoekend naar de grond, de armen vragend geheven, de handen bijkans in het haar. Maar zo tackel je natuurlijk nooit een probleem. Wie weet, misschien was ik wel niet pro-actief genoeg of me niet bewust van de doelstellingsgebieden. Wist ik veel dat een bilaatje een gesprek onder vier ogen betekende. Een bilateraaltje. Hoe kom je er op? Bilateraal gebruik ik alleen als het gaat over internationale politiek.
Men gooide ook dingen op de mail of over de schutting als er een e-mail werd verstuurd of als iemand anders opgezadeld werd met het nare werk. Alsof het niets was werden zaken over het kwartaal getild. Nee, zeg dan gewoon dat het geld op is.
Van buiten het continent kwamen de bottleneck, de feedback, de waardevolle input en het ‘out-of-the-box-denken’. Die laatste snapte ik lange tijd niet, want als je buiten de denkkaders wilt treden, dan denk je eerder ‘outside the box’. Als ik ‘out-of-the-box’ hoor, denk ik aan een smakeloze pizza met slappe bodem, die te laat en al afgekoeld aan de deur bezorgd wordt. Hup, zo uit de doos de vuilnisbak in.
De sms- en chattaal van de scholieren wordt vaak weggezet als taalverloedering en misschien zelfs als de oorzaak van taalachterstanden op de middelbare school. Maar alsjeblieft zeg, de modewoorden uit de managementkringen zijn toch helemaal niet te pruimen? Ik hoor liever een puber epic fail zeggen, dan een teamleider hands-on-mentaliteit.
Bijna onopgemerkt is in een kleine tien jaar tijd de bedrijfstaal er doordrenkt mee geraakt. Met dat managersjargon. Ik verweer me hevig, maar het is als een virus. Natuurlijk, ik moet dicht bij mezelf blijven, ik moet gewoon mijn ding blijven doen. Aan de andere kant, het is de kunst van het loslaten, inderdaad. Ik doe mijn best. Maar het is gewoon een stukje ergernis.
donderdag 16 september 2010
De poes is in de tuin
Mijn vrouw en ik zijn verhuisd naar een woning nabij het plantsoen. Het is een schippershuis uit het einde van de negentiende eeuw. We kochten het van een eloquente dame die er 23 jaar had gewoond. Ze had de woning eind jaren tachtig betrokken toen ze vijftig was en nog klassieke talen doceerde aan een gymnasium.
Ik bezocht de woning voor het eerst zo’n drie maanden geleden. Het huis stond vol met boeken, rook naar katten en ademde de klassieken. De dame en ik spraken elkaar kort. Ze plande een reis naar Italië op haar laptop. Ze was duidelijk bij de pinken. Haar kat heette Hannibal. ‘Toch niet de Carthaagse generaal Hannibal, de schrik van Rome?’, vroeg ik haar. Ze lachtte: ‘Ik ben bang van wel…’.
Enige tijd terug liet ik haar naam vallen in de personeelskamer. Mijn collega van Latijn keek op. Mevrouw van Assendelft zei je? M. van Assendelft? De kiene dame bleek de schrijfster te zijn van Via Nova, misschien wel het meest gebruikte lesboek voor het schoolvak Latijn.
Iedereen die als leerling gewerkt heeft met Via Nova herinnert zich nog de avonturen van de tweeling Marcus en Lucius Flavus. Ecce, Lucius Claudius Flavus. Flavus est pater. Pater in tablino sedet, zo luiden de eerste zinnen van het boek: Kijk, daar heb je Lucius Claudius Flavus. Flavus is vader. Vader zit in het werkvertrek.
Mevrouw van Assendelft schreef het boek in wat vroeger haar en thans mijn werkvertrek is. Dat is een inspirerende gedachte. Ze schreef die eerste zin en de volgende misschien wel daar waar ik nu zit. Natuurlijk, ze sliep net zo goed in de kamer die nu onze slaapkamer is, ze kookte in de keuken waar wij nu ook ons eten bereiden, liep over dezelfde eikenhouten vloer en warmde zich in de winter aan dezelfde haard – maar het idee dat ze met hetzelfde uitzicht, met dezelfde achtergrondgeluiden, hetzelfde licht, tussen dezelfde muren en onder hetzelfde plafond gewerkt heeft aan een lesmethode voor middelbare scholieren, dáár word ik warm van.
En niet alleen dat, ze heeft bovendien honderden, misschien wel duizenden lessen voorbereid in dat kleine vertrek. Noem me gevoelig, maar ik geloof dat ik van dat verleden ga profiteren. Die werklustige, intellectuele vibe is niet meer uit die kamer weg te sausen, hoe hard mijn moeder het ook heeft geprobeerd.
De werkkamer kijkt uit op een kleine achtertuin die omringd wordt door schuttingen. Feles in horto est, schreef mevrouw van Assendelft aan haar bureau: de poes is in de tuin. Maar Hannibal is verhuisd. En wij hebben besloten geen poes te nemen.
woensdag 1 september 2010
Sessie op de hei
Directies sluiten de vakantie niet zelden af met een zogenoemde ‘sessie op de hei’. Daar wordt dure wijn bij gedronken, stel ik me zo voor, om vrijuit te kunnen spreken en om met elkaar te kunnen lachen. Misschien komt er een flink betaalde spreker te gast die een cursus aanbiedt over probleemgericht oplossen, zelfreflectief leidinggeven of zen-boeddhistisch vergaderen. Dat is dan allemaal mooi meegenomen. Maar ik hoop, en dat doe ik ten zeerste, dat directies tijdens hun sessie op de hei vooral praten over de inhoud van het onderwijsbedrijf waar zij leiding aan geven.
Het schijnt mij na vier schamele jaren onderwijservaring toe, dat binnen veel scholen niet de inhoud, maar vooral de vorm toonaangevend is geworden. Scholen zijn bedrijven die zichzelf presenteren in een glossy met fraaie cijfers en mooie plaatjes. Zoals in een campinggids een 'rustige gezinscamping' beschreven staat, maar níet de caravanburen, die de nachtelijke gewoonte hebben vloekend en schreeuwend met elkaar te praten. Of dat het 'ruime, schone zwembad' een bomvol hutjemutjebad blijkt, waarin gillende kleuters hun plas de vrije loop laten - de gids maakt er geen gewag van.
Ik wil weten wat ik aan een school heb, zoals ik ook wil weten wat ik aan een camping heb. Ik wil kwaliteit.
Je kunt er als directie alles aan doen de doorstroom van leerlingen te bevorderen, maar dit mag niet ten koste gaan van de kwaliteit van het onderwijs. De overgangsnorm versoepelen, zodat opeens 15 % meer leerlingen naar havo 4 kan – zo is elke kwibus in staat probleemgericht op te lossen. Maar de kinderen die anders niet, maar nu wel zijn overgegaan hebben minder in hun mars dan de leerlingen die een jaar eerder doorstroomden. De kans is groot dat zij op hun weg naar het examen zullen sneven.
Uniformering, door bepaalde regels te laten gelden voor alle vakken, is ook zoiets. Tuurlijk, de inspectie vindt het overzichtelijk en de ouders snappen het zo ook beter. Lekker transparant zo. Maar als bijvoorbeeld een maximum aantal toetsen per vak wordt ingesteld, betekent dat voor sommige vakken een didactische degradatie. Vakdocenten weten zelf het beste hoe en wat er wanneer getoetst moet worden, dat is niet aan managers.
Het verschil tussen de schoolexamencijfers en de eindexamenresultaten kan tot een minimum beperkt worden – naar de pijpen van de inspectie – door de schoolexamens door te schuiven naar het examenjaar, maar als dit botst op vakinhoudelijke bezwaren, brand je vingers er niet aan. Een nieuw schoolgebouw – o, dat moderne! – kan geënt zijn op didactische noviteiten, maar als die elders gedoemd tot mislukken blijken, wijzig dan de bouwplannen. In hun keuzes lijken directies vooral gestuurd door de inspectie, de media, de trends en door media- en trendgevoelige ouders, maar weinig door docenten.
Natuurlijk telt de vorm, en dat is ook waar directies zich mee bezig moeten houden. Maar laat de verpakking niet ten koste gaan van de content, want inhoudelijke kwaliteit is uiteindelijk de beste reclame die een school zich kan wensen. Ik hoop dat de wijn op de hei uitmuntend was.
woensdag 23 juni 2010
Vreemd haar
De PVV werd de grote winnaar, gevolgd door de VVD. De dagelijkse peilingen hadden al de ouderlijke en grootouderlijke neiging daartoe getoond. Zoals de ouden zingen, zo piepen de jongen. De SP en het CDA incasseerden inderdaad het grootste verlies. Net echt. Bij de gemeenteraadsverkiezingen afgelopen maart was de PvdA nog de grootste partij. Jongeren gedragen zich naar trends. En Geert Wilders is momenteel een trend.
Tieners zijn niet bezig met de verhoging van de AOW-leeftijd of met de hypotheekrenteaftrek. Een miljoen meer hier, een miljoen minder daar, een procent zus en een procent zo – het laat ze koud. Je zou denken dat ze zich misschien zorgen maken over het milieu, of over armoede, maar helaas, uiteindelijk vindt een groot deel het gewoon cool, stoer en kicken om te stemmen op jan Klaassen en zijn poppenkast. Op tv hoorde ik een meisje haar stem op de PVV toelichten: ‘hij heeft zulk vreemd haar’, giechelde ze. Aha, vreemd haar. Persoonlijk vind ik dat koningin Beatrix vreemd haar heeft, maar daarom ben ik nog geen voorstander van de monarchie.
Als ik in een willekeurige klas vraag wat mijn leerlingen zouden stemmen, is er altijd een flapuit die met een grote grijns ‘Wilders’ roept. Als ik vraag naar een motivatie, dan blijkt die te ontbreken. De grapjas riep ‘Wilders’ zoals hij ook ‘Terror Jaap’ zou roepen als ik had gevraagd naar zijn favoriete Gouden Kooi personage, of ‘Maradona’ wanneer gevraagd naar zijn favoriete bondscoach. Zo werkt dat dus. Opvallende types scoren, ongeacht hun verleden, hun wanstaltig gedrag of hun discriminerende opmerkingen, enkel en alleen omdat ze in het oog springen, omdat ze karikaturen zijn.
Bij het doorbladeren van een schrift stuit ik zelfs nog wel eens op een hakenkruis. Die leerling is uiteraard geen supporter van de holocaust, maar hij vond het ongetwijfeld stoer dat weerzinwekkende symbool in de kantlijn te krassen. We zouden de jeugd echter overschatten als we achter elke uiting een doordachte motivatie vermoedden.
Je zou ook kunnen denken, de jeugd stemt niet op een poppenkast, maar heel rationeel, want tégen de machthebbers die er een soepzootje van hebben gemaakt. De blonde Mozart-lookalike uit Venlo is een populist; de regerende partijen worden door hem afgeschilderd als een elitair clubje en alle Henken en Ingrids in het land zijn daar de dupe van. Een stem op de PVV is dus een tegenstem en daar houden jongeren van, lekker tegen zijn. Waar het tegengeluid vroeger aan de linkerkant van het spectrum zat, vinden we dat tegenwoordig ter rechterzijde.
Maar ik betwijfel dat. Dat strijdlustige elan is de jeugd sinds de democratisering van de welvaart kwijt, maar om nu te zeggen dat de volgende generatie kiezers uit intolerant hout is gesneden, dat is overdreven.
Als de Surinamer Elia een passeerbeweging maakt, of als de Marokkaan Afellay de bal dood op zijn voet legt, is het de jeugd die het hardst op de vuvuzela blaast.






