Toen mij het opmerkelijke bericht bereikte dat de ‘uitvinder’ van ADHD op zijn sterfbed zou hebben toegegeven dat het een verzonnen ziekte zou zijn, keek ik wel even op, maar niet lang, want ik kan me maar moeilijk concentreren. Het nieuwsbericht bleek een hoax: de uitspraak was uit zijn verband getrokken, verdraaid.
In de context van het artikel in Der Spiegel zei ADHD-pionier Leon Eisenberg namelijk iets anders. De 87-jarige professor maakte zich vooral zorgen over de enorme toename van het aantal ADHD-diagnoses en de daaruit volgende pillenrecepten. We zouden met z’n allen zijn zorg moeten delen. Want ADHD is volgens mij een containerbegrip en Ritalin is rommel, tenzij je van dolle feestjes houdt.
Hoewel over het hoogtepunt heen, neemt het aantal voorgeschreven ADHD-medicijnen in Nederland nog altijd toe. Cijfers van de Stichting Farmeceutische Kengetallen tonen dat apotheken in 2012 1,2 miljoen keer het ADHD-geneesmiddel methylfenidaat – bekend onder merknamen als Ritalin of Concerta – voorschreven, bijna 10% meer dan het jaar daarvoor. Maar liefst 12.000 basisschoolleerlingen startten met de medicatie, zo’n 40% daarvan op 8-jarige leeftijd.
Zijn artsen alerter, scherper in hun diagnose? Of zijn ze juist gemakzuchtig of in tijdnood? Ik krijg steeds sterker de indruk dat ADHD geen ziekte maar een symptoom is. Gebrekkige aandacht en hyperactiviteit kunnen toch evenzogoed symptomen zijn van bijvoorbeeld autisme, van OCD, van bijziendheid, van hoogbegaafdheid, van een bepaalde psychosociale toestand, van een vervelende thuissituatie. ADHD is kortom de snelle weg naar een handig medicijn dat een kind rustig op de stoel houdt. Steeds meer onderzoekers komen ondertussen terug op het idee dat de beste remedie tegen ADHD een pilletje is. Gedragstherapie zou beter zijn.
Een autoriteit op het gebied van emotionele ontwikkeling van kinderen is de Amerikaan Jerome Kagan. Hij draait niet om de hete brij heen en wijst naar de farmaceutische industrie als de grote winnaar van het stuiterballenspel. Kagan beweert dat diagnoses mede gesteld worden op basis van de voorhanden zijnde pillen, dus: vooral omdat Ritalin er is, wordt de diagnose ADHD gesteld en het medicijn voorgeschreven.
In december 2013 verscheen een YouTube-filmpje van Josh Ovalle, een tiener met de diagnose ADHD op zak. De pillen die hij krijgt ervaart hij als ‘mentale handboeien’. De video is bijna een half miljoen keer bekeken. Veel kinderen geven in hun reactie blijk van herkenning. Ze voelen zich afgevlakt door de medicijnen, zich geremd in hun creativiteit en uitbundigheid.
Het is niet vreemd dat de door Josh beschreven effecten, hij noemt zichzelf gefocust, maar vooral emotieloos en asociaal, overeenkomen met de effecten van een andere, meer beruchte drug, namelijk met die van cocaïne. Ritalin is een amfetamine en chemisch nauw verwant aan cocaïne en morfine. Ritalin is de afgelopen jaren zelfs tot partydrug verworden – in mijn bescheiden uitgaansleven kwam ik het een aantal keer tegen. Tuurlijk hangt de werking ervan af van dopamine-levels, maar wat de bijwerkingen en gevolgen van Ritalin-gebruik op de lange termijn zijn, zeker bij een onjuiste ADHD-diagnose, is nog in mist gehuld.
Dat er dus per jaar meer dan een miljoen keer methylfenidaat over de apothekerstoonbank gaat is dus schandalig. Want wat was het probleem met het kind? Dat het onrustig op de stoel zat, snel afgeleid was, geen concentratie kon opbrengen, schreeuwerig was, op een negatieve manier om aandacht vroeg? Kan dat niet allerlei oorzaken hebben? Ja, natuurlijk kan dat. En dus zijn andere antwoorden misschien gepaster dan het voorschrijven van Ritalin.
(gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op op 09-01-14)
vrijdag 2 januari 2015
zondag 2 november 2014
Glasnost - interview met Adriaan van Dis (Het Grote Gebeuren 01-11-14)
Voor Glasnost sprak ik op Het Grote Gebeuren samen met Amanda Brouwers met Adriaan van Dis over zijn nieuwste roman 'Ik kom terug'. Klik op de link hieronder voor het interview.
Interview met Adriaan van Dis
dinsdag 27 mei 2014
Glasnost / Geschiedenis van alledaagse dingen / Van Rubens tot Barbie
Klik hier voor een opname van mijn eerste bijdrage - tijdens de Nacht van Kunst en Wetenschap - aan het radioprogramma Glasnost. Of kijk hier en ontdek wat het geweldige programma nog meer te bieden heeft.
Je kan mijn les ook meelezen:
Je kan mijn les ook meelezen:
Het was 6 december 1630 toen de toen 53-jarige schilder Peter Paul Rubens trouwde met Hélène Fourment. Zij was een stevige tante, kunnen we gerust zeggen, en slechts 16 jaar oud. Maar ze was van een oogverblindende schoonheid. Ferdinand van Oostenrijk noemde haar 'ongetwijfeld de mooiste die men hier in Antwerpen kan zien...'. Ja, voluptueus, gevuld, gevleesd, kortom dik was mooi in Rubens' tijd en Hélène beantwoordde aan dat schoonheidsideaal.
De uitdrukking luidt 'schoonheid is in de ogen van de toeschouwer', maar we moeten beseffen dat de blik van de toeschouwer door de geschiedenis heen grillig is, bepaald door tijd en plaats. En toch: ook te vatten in wetenschappelijke regels.
Een stevige kont en flinke tieten en soms ook een uit de kluiten gewassen vagina, dat hebben ook de zogeheten prehistorische Venusbeeldjes. Ze hebben een kont waar je een kop koffie op kan zetten. Tieten waartussen je zou kunnen verdwalen. Men denkt dat de beeldjes vruchtbaarheid weergaven, een vrouwelijke schepper misschien.
In Berlijn stond ik eens oog in oog met de kalkstenen buste van Nefertiti, de über-babe van het oude Egypte. Ik was nou niet meteen onder de indruk. Dat ontbrekende linkeroog, die kapotte oren, de serpenten-nek, die malle pet. En toch raakte ik al snel geboeid door die scherpe lijnen, die perfecte symmetrie.
Symmetrie. Inderdaad. Men zegt dat vrouwen eenvoudiger tot een orgasme komen als de man een symmetrisch gezicht heeft. Dat is balen, want mijn hoofd is ietwat scheef.
Vaker dan eens probeerden wetenschappers schoonheid in formules te vangen. Leonardo da Vinci gebruikte de formules van Vitrivius, de Romeinse architect, en kwam zo tot zijn tekening van de mens. Ik zag de tekening – nu weer voor decennia opgeborgen in donkere kelders – vorig jaar in Venetië en maakte stiekem een foto. Schoonheid gevangen in maten. De lengte van de uitgestrekte armen van deze perfecte mens staat gelijk aan de lichaamslengte. De voetlengte is 1/6 daarvan. De hand 1/10, net zoals de afstand tussen haargrens en kin. En zo gaat het nog even verder. Pak de rolmaat er thuis maar even bij.
Da Vinci maakte gebruik van de gulden snede, misschien zonder dat hij dat doorhad. Het gulden getal, 1.618 – tot in de 19e eeuw slechts te vinden op het terrein van de wiskunde – zou de sleutel tot schoonheid in natuur, architectuur, schilderkunst en ook het menselijke gelaat zijn. Inderdaad, schoonheid, gevangen in regels.
Maar schoonheid kun je ook een handje helpen.
Zo was een door de zon gekleurd gezicht in veel tijden en culturen 'not done'. Hier vlakbij, in de Prinsentuin, vinden we nog de 'berceau', de haagbeukgang waaronder gegoede dames buiten konden wandelen, zonder bruin te worden. In het 16e-eeuwse Engeland epileerden vrouwen hun wenkbrauwen en haarlijn, zodat hun bleke voorhoofd groter leek.
Als we door de tijd gaan rennen, zien we de taille van dames op en neer gaan. Dames werden ingesnoerd met korsetten van walvisbot, vielen er flauw van; er kwamen kooiconstructies die de borsten accentueerden en later ook het achterwerk uitstekend maakten.
In de Roaring 20s werd de vrouw opstandig. Het haar werd kort geknipt, jurkjes accentueerden juist níet, maar tegelijk werd make-up niet meer met de lichte zeden geassocieerd. Ook werden armen en knieën zichtbaar.
De jaren '50 brachten Marilyn Monroe, de Playboy en de barbiepop. De naar huidige standaarden vrij mollige Marilyn stond boven een ventilatierooster. De Playboy ontdeed vrouwen van hun kleding en wat betreft Barbie, Fins onderzoek liet zien dat ze te weinig vet op de botten zou hebben om te menstrueren.
En dan de jaren '60. De tijd van hippies. Naakt werd gewoner. Het feminisme bracht individualisme en allerlei unieke uitingsvormen. Inmiddels is alles in zekere zin retro, post-postmodern en kijk, modellen zijn dunner dan ooit. Peter Paul Rubens zou ze geen blik waardig gunnen.
De les: Hoe hongeriger het volk, hoe molliger het model. Hoe welvarender het volk, hoe slanker het model. Kom maar op crisis, want een man heeft houvast nodig.
zondag 11 mei 2014
Verzuip Verzoop Verzopen
Dit artikel verscheen op 10 mei 2014 in de bijlage 'Straks voor de klas' van het Onderwijsblad.
In mijn eerste jaar
in het onderwijs reisde ik per bus naar mijn werk. Op de terugweg werd ik vaak vergezeld door mijn collega van natuurkunde, een
prima man, maar iemand die praat alsof hij een proces-verbaal opmaakt. Hij had
geen idee hoe graag ik vijf plaatsen naar voren was gaan zitten, omdat ik zó
moe was van de dag, dat elk woord als een mokerslag binnenkwam.
Bijna de helft van de jonge docenten overweegt het onderwijs te
verlaten. Ze klagen over werkdruk, salaris, carrièrekansen, tijdelijke
contracten en onderwaardering. Volgens mij is het met name die werkdruk die de
voedingsbodem vormt voor de andere klachten.
Startende docenten hebben nauwelijks zwemles gehad als ze in het diepe worden
gegooid. Dat gold ook voor mij. De lerarenopleiding was geenszins de gedegen
voorbereiding die ik had verwacht. Onderwijskundigen worstelden zelf met hun
lessen. Ik voelde me soms een boerenknecht die toeziet hoe de boer tevergeefs
in de uier knijpt, terwijl hij de theorie van het melken uitlegt. Ontwikkelingsverslagen
schreef ik in de gewenste taal: het was niet meer dan een invuloefening. Toen
al mijn leerdoelen keurig waren afgevinkt en ik mijn diploma inlijstte, besefte
ik dat niemand mij had verteld hoe je 30 havo-4-leerlingen moet motiveren. Ik begreep
dat de onderwijsreis nog maar net was begonnen.
En als het dan begint, dan sta je opeens aan de andere kant van het net.
Je bent student af. Je bent docent. Onwennig loop je door de gangen van een
vreemd gebouw. Het is druk. Het is verwarrend. Kinderen roepen dingen naar je
en kijken je na, want je bent nieuw en jong. Je wordt meteen beoordeeld.
Kinderen kunnen ongemeen eerlijk zijn. Wie bent u? Wat geeft u? Je wordt
besproken op WhatsApp – ongetwijfeld. Je vindt je lokaal. Je begint je les. Daar
sta je. Kwetsbaar. Alleen. Je legt uit. Je probeert grappig te zijn. Het lukt.
Het lukt niet. Je bent te veel gefocust op de inhoud. Je murmelt. De leerlingen
zijn nog geen individuen. Het is een dertigkoppig monster. Getier. Gefluister. Gegrinnik.
Je zweet. Het gaat. Het gaat niet. Ach. Verlossing. De bel.
Toen ik op een middag vermoeid wegliep van mijn stage, riep een
leerling mij vanuit een openstaand raam na: ‘Hey, Frodo!’. De spijker op z’n
kop: ik voelde me inderdaad klein, maar had een belangrijke taak op mij genomen.
Doceren leer je door te doen. Daarom zijn twee dingen cruciaal: de
beginnende docent heeft tijd nodig om zich te richten op de kerntaak, lesgeven,
en scholen moeten zorgen voor goede begeleiding.
Geef de beginners dus geen extra taken en beperk het aantal lesuren. Als
in het lokaal successen worden geboekt, dan komt de rest vanzelf. Laat jonge
docenten lesmateriaal ontwikkelen waar ze de rest van hun carrière profijt van
hebben. Ik open nog steeds computermapjes uit 2007. Dat scheelt werk en daarom
kan ik nu andere taken doen.
Het schort ook aan begeleiding. Ik heb veel jonge docenten zien huilen,
struikelen en afzwaaien. Wat doe je als een leerling weigert het lokaal te
verlaten als je hem sommeert te vertrekken? Wat moet je als de kinderen maar
blijven praten, terwijl je ze tot stilte maant? Hoe breng je de stof tot leven?
Hoe krijg je ze aan het werk? Het is de taak van scholen om nieuwe docenten op
weg te helpen. Tweewekelijkse intervisie is niet afdoende. Er zou dagelijks een
vinger aan de pols gehouden moeten worden. Bespreek de lessen. Waar ging het
goed? Waar kan het beter?
Toen ik voor het eerst mijn mok onder de koffiemachine zette, zei een
oudere collega dat het ‘moedig’ was dat ik in het onderwijs ging werken. Ik
dacht, áls het zo moedig is, help me dan. Andere collega’s zeiden dat ik beter
ander werk kon zoeken, omdat ik mijn talenten verspeelde. Aan de koffietafel
werd leut met twee klontjes vermoeidheid en een wolkje cynisme gedronken. Ik
snapte het gezanik niet en nam mij voor nooit aan zulke verbitterdheid ten
prooi te vallen.
Maar ik raak wel verbitterd over het feit dat starters gedemotiveerd
raken, omdat ze verzuipen, terwijl het onderwijs juist toe is aan frisse lucht.
Als elke les een mentale strijd is, als je elke avond tot tien uur doorwerkt,
als je het gevoel hebt er alleen voor te staan, als je oudere collega’s
cynische koffie drinken, waar haal je dan voldoening uit? Dan snak je naar een
compliment en een luisterend oor. Dan wil je dat er iets in het verschiet ligt,
misschien een vast contract of een hoger salaris, gewoon, om het gevoel te
hebben dat je je niet tevergeefs het snot voor de ogen werkt. Los je de
werkdruk van de starter op, dan nemen de andere klachten vanzelf af.
Misschien is er dan zelfs nog energie voor een gesprek met de collega
van natuurkunde. In de bus naar huis. Een prima man, overigens.
maandag 28 april 2014
Glasnost / Geschiedenis van alledaagse dingen / Van de dreun van een knuppel tot de joystick van een drone
Klik hier voor een opname van mijn achtste bijdrage aan het radioprogramma Glasnost. Of kijk hier en ontdek wat het geweldige programma nog meer te bieden heeft.
Je kan mijn les ook meelezen:
Je kan mijn les ook meelezen:
Van de dreun van een
knuppel tot de joystick van een drone
De geschiedenis van wapens
Albert Einstein wist niet zeker met welke wapens de Derde
Wereldoorlog uitgevochten zou worden, maar wat betreft de daaropvolgende oorlog
twijfelde hij niet: met knuppels en knotsen. Moderne massavernietigingswapens
kortom, zouden ons in één klap terugwerpen in de steentijd.
Oorlogvoering
is steeds minder een fysiek man-tegen-man-gevecht en steeds meer een technisch
hoogstandje geworden. Krijgers kijken elkaar niet meer in de ogen voor de
dodelijke treffer. De vraag is, heeft technologische ontwikkeling ons misschien
moreel onverschillig gemaakt?
Op
24 juli 1945, tijdens de Potsdam-conferentie, fluisterde de Amerikaanse president
Truman Sovjetleider Stalin quasi achteloos toe dat de Amerikanen beschikten
over ‘a weapon of unusual destructive force’. Stalin reageerde koeltjes dat hij
hoopte dat de Japanners ermee op de knieën gedwongen konden worden. Toen op 6
augustus dat jaar de atoomboom Little Boy op Hiroshima viel, bleef van sommige
mensen niet meer dan een schaduw over.
Teruggeworpen in de steentijd… Prehistorische
wapens waren inderdaad van steen of hout. Eerst verkocht men een dreun met wat
voor handen was, een tak of een kei. Later slingerde
men de stenen weg, stokken werden speren met een scherpe punt. Door pijl en
boog kon op grotere afstand gevochten worden.
Tin
en koper maken brons. Mesopotamiërs en later ook de Grieken en Romeinen hanteerden
bronzen wapens. Fameus is de Griekse hopliet. Hoplieten waren rijke burgers,
want de bronzen uitrusting moest zelf bekostigd worden. In falanx-opstelling,
waarbij de hoplieten in blokformatie als een stekelvarken voortbewogen, met hun
vlijmscherpe speren als stekels, waren ze haast onverslaanbaar.
Als
we vooruitsnellen naar de Middeleeuwen vinden we allerlei angstaanjagend
wapentuig, zoals de goedendag, de morgenster en de hellebaard. Men slingerde
pestlijken en karkassen met de trebuchet over vijandige muren. Engelse longbows
schoten van grote afstand door harnassen. Ridders hanteerden zwaard, schild en
lans. Meer dan ooit werd oorlog een nobele erezaak. In vol ornaat trokken de
ridders naar toernooi en slagveld – de ochtend na een confrontatie lichtte het strijdtoneel
op door de flonkering van de meest kleurrijke en kostbare kostuums.
Alles
veranderde met de introductie van vuurwapens. Buskruit was al uitgevonden voor
het jaar 1000 in China, maar pas vanaf de 14e eeuw verschijnen
vuurwapens in Europa. Eerst zijn het kanonnen en handbussen, later haakbussen,
vanaf de 16e eeuw musketten. Vuurwapens zijn nu overal. Ze konden
sneller en sneller geladen worden, tot ze zichzelf automatisch laadden. Er zijn
momenteel naar schatting zo’n 100 miljoen Kalashnikovs in de wereld. Ze kosten
soms maar 10 dollar.
In
de 20ste eeuw was het tijd voor de meest verschrikkelijke oorlogen
tot dan toe. In de eerste van de twee wereldoorlogen deden vlammenwerpers, tanks,
mitrailleurs, bommenwerpers en gifgas hun intrede. De mens werd in de luren
gelegd door de techniek. Officieren gaven orders tot het wegvagen van een ingegraven,
onzichtbare vijand. In de Tweede Wereldoorlog werd het materieel verbeterd. Talloze
steden werden tot skeletten gebombardeerd. 60 miljoen mensen stierven
wereldwijd. Joden werden vergast en verbrand. De mens werd industrieel
weggewerkt. Als klap op de vuurpijl was daar de nucleaire ‘mushroom cloud’ boven de twee Japanse steden.
Steeds
meer is techniek tussen vijandelijke legers komen te staan. Steeds minder mens
werd nodig om steeds meer mens te doden. Er werden daarom internationale
afspraken gemaakt over het gebruik van onconventionele wapens, zoals gifgas en
atoombommen, maar desondanks is oorlog een Playstation-spel geworden. Op Creech
Air Force Base, vlakbij Las Vegas, besturen piloten met gamecontrollers
onbemande drones boven Afghanistan, meer dan 10.000 kilometer verderop. Hoe achteloos
drukt de Amerikaan op de rode knop als de rebellengroep in het vizier komt?
De les: De moderne
krijger moet waken voor morele onverschilligheid nu techniek ons het zicht op
andermans ogen heeft ontnomen.
maandag 31 maart 2014
Glasnost / Geschiedenis van alledaagse dingen / Van Benenwagen tot Bolide
Klik hier voor een opname van mijn zesde bijdrage aan het radioprogramma Glasnost. Of kijk hier en ontdek wat het geweldige programma nog meer te bieden heeft.
Je kan mijn les ook meelezen:
Je kan mijn les ook meelezen:
Van benenwagen tot bolide - de geschiedenis van transport over weg
Organiseer een loopwedstrijd tussen een
bosjesman uit de Kalahari-woestijn en een antilope, je zult zien, de
bosjesman wint. Na een 8 uur durende achtervolging maakt het beest
zijn naam waar, de antilope raakt uitgeput, valt om en krijgt een
speer in de witte dot die z’n kont is.
Het zijn de huidige
jagers-verzamelaars uit de Kalahari-woestijn die ons laten zien dat
de mens van nature een duurloper is. Te voet gingen we op jacht, te
voet verlieten we Afrika en te voet trokken we door de eerste
graanvelden. Eigendommen sjouwden we mee. Afstanden werden in ons
land tot de invoering van het metrieke stelsel, begin 19e
eeuw, nog uitgedrukt in ‘uren gaans’. De wereld op loopafstand
was een kleine wereld van dorp en omringende bossen, velden en
akkers.
In de moeiteloze loop van de tijd
werden de benen ontlast. Op verschillende plekken werd het wiel
uitgevonden. Zware objecten werden eerst op stammen gerold, maar die
stammen werden assen, waaraan ronde schijven draaiden. Op de
Aziatische steppe deed men spaken in de wielen. Plots liepen zaken op
rolletjes. In de oude Amerikaanse beschavingen werd het wiel ook
uitgevonden, maar, althans voor zover we weten, alleen voor
kinderspeelgoed.
Ook dieren
ontlastten de mens. Ongeveer 4000 jaar voor onze jaartelling werden
in het huidige Kazachstan de eerste paarden bereden. Het verklaart
misschien waarom kort daarop in de Balkan zo’n 600 landbouwsteden
leegliepen: men vluchtte voor de oprukkende cavalerie.
Het wiel en het
paard. Gooi ze in de geschiedenisblender en je hebt een gouden
combinatie. De eerste strijdwagens ontstonden in Mesopotamië.
Sindsdien hebben paard en wagen de mens altijd gediend, in tijden van
vrede, in tijden van oorlog.
De Romeinen legden
in hun tijd 400.000 kilometer wegen aan. Alle wegen leidden inderdaad
naar Rome. Om de 20 kilometer kon een paard ingewisseld worden
bij een posthuis. Reizen deed men verder met karren, koetsen en
wagens, of, nog steeds, te voet.
Dat bleef zo in de
Middeleeuwen, hoewel met het wegvallen van de Romeinse vrede de wegen
verslechterden en reizen een gevaarlijke onderneming werd. De meest
populaire koets was vanaf de 15e eeuw de ‘kocsi szekér’
(kotsie sèkier) uit de Hongaarse plaats Kocsi vanwaar ook de
keizerlijke postservice vertrok. Van Kocsi werden de woorden ‘koets’
en ‘coach’ afgeleid.
En dan gaat het in
Engeland stomen en piepen. In 1825 werden de eerste 500 mensen per
trein vervoerd. De boeren vreesden dat de koeien zure melk gingen
geven, want de trein, die van Stockton naar Darlington ging, raasde
voort met een duivelse snelheid van … 24 kilometer per uur. De
snelste trein anno 2014 rijdt in Japan en kan 24 keer sneller, zo’n
580 kilometer per uur. De Japanse melk moet wel erg zuur zijn.
Eind 19e
eeuw is het tijd voor de automobiel. Nadat mevrouw Benz 80 kilometer
in de uitvinding van haar man had afgelegd, ging de auto het
wegvervoer domineren. Sinds 2010 rijden er meer dan een miljard
auto’s rond op de aarde. Dat is een onvoorstelbare rij auto’s die
10 keer de afstand tot de maan overbrugt.
Auto’s werden
statussymbool. Auto’s werden afgod. Mensen werden dikker. En kijk
nou, sommige auto’s praten. Sommige parkeren zichzelf. In Silicon
Valley rijden zelfs auto’s zonder chauffeur.
Zijn we dan nog
wel duurlopers? Ja, we maken een lunchwandeling met collega’s, maar
nemen de auto naar het werk. Op zaterdagochtend rennen we in het
plantsoen het vet van het lijf, maar een uur later parkeren we onze
stinkende bolide voor de supermarkt en laden die vol met prooi uit de
supermarktdiepvries.
dinsdag 4 maart 2014
Glasnost / Geschiedenis van alledaagse dingen / Van Kleitablet tot Tablet
Klik hier voor een opname van mijn zesde bijdrage aan het radioprogramma Glasnost. Of kijk hier en ontdek wat het geweldige programma nog meer te bieden heeft.
Je kan mijn column ook meelezen:
Je kan mijn column ook meelezen:
Van kleitablet tot tablet:
de geschiedenis van het geschreven woord
Een
van de allereerste Soemerische schrijftekens lijkt op een aspirine. Het is een kleien
handelsfiche, voorzien van een ingekerfd plusteken. De aspirine vertegenwoordigde
één schaap.
Zulke
kleine fiches werden bewaard in een dichtgebakken, ronde envelop van klei, de bulla. Op de buitenkant van de
klei-envelop werden, om twijfel voorkomen, symbolen van de inhoud geschreven. Juist.
Zie daar: schrijftekens. Dat gedoe met de kleifiches en de envelop bleek stompzinnig.
Waarom niet gewoon een cirkel met een plusje schrijven als je schaap bedoelde? De
homo sapiens had een ontiegelijk
lange tijd zonder schrift gekund, maar aldus werd ongeveer 5000 jaar geleden het
schrift geboren. De Soemeriers schreven hun spijkerschrift met rietstengels op
kleitabletten.
Wie
las dat schrift? Priesters en administrateurs. Handelaren waarschijnlijk. Dat
deden ze meestal luidop. Vermoedelijk werd er heel lang alleen maar luidop gelezen. Alexander de Grote las een brief in
stilte. Een brief van zijn moeder. Toen een vriend over zijn schouder mee ging
lezen, legde Alexander zijn ring op de lippen van de vriend om de
vertrouwelijkheid van de brief te benadrukken. Alexander was ook filosoof.
De
Egyptenaren en de bewoners van de Indus-vallei namen het schrift van de
Soemeriërs over en gaven er een kekke draai aan. Zo werd klei papyrus.
Spijkerschrift werd hiërogliefenschrift. Geheel op zichzelf ontstond het
schrift ook in China en in Midden-Amerika. Trouwens, omdat het eerste schrift ontstond
in samenlevingen waarin de graanproductie centraal stond – gaan veel oude teksten
over bier. Vooral over uitbetaling in bier. Het waren mooie tijden, die van het
vroege schrift.
De slimme
Egyptenaren ontwikkelden binnen hun schrift een systeem van 24 symbolen die enkele
lettergrepen weergaven. Dit systeem werd overgenomen en veranderd in de Sinaï
en daarna weer getransporteerd naar Fenicië. Verwarrend inderdaad, maar eenvoudigweg
kunnen we zeggen dat zowel het Hebreeuws, het Arabisch en het Grieks – dus ook het Cyrillische en het Latijnse alfabet – afgeleid zijn van dit Fenicische
schrift.
Zie
daar, het alfabet. Alef en Beth. Os en huis, in het Fenicisch. Toen de Grieken
de letters overnamen, verviel die betekenis. De Grieken voegden als eersten klinkers
toe en gingen van links naar rechts schrijven. Daarna gingen de Romeinen er mee
aan de haal. Hun Latijnse alfabet, eerst nog zonder de J, V en W, vormt de
basis van eigenlijk alle westerse talen. Ook Kelten en Germanen gingen hun
talen schrijven in het Latijn, in plaats van bijvoorbeeld in Runen.
Het
Latijn was ook de taal van de Middeleeuwen. Schrijven was monnikenwerk. Buiten
de kerk heerste analfabetisme. Zelfs Karel de Grote – die het schrijven enorm
stimuleerde – was zelf ongeletterd. Een handtekening zette hij wel, maar onzeker
als een kind dat z’n eerste woordjes schrijft.
Ach,
en toen… Toen drukte de Duitser Johannes Gutenberg halverwege de 15e
eeuw met losse letters een Bijbel. Europa werd geletterd. Humanisten schreven
dat het een lieve lust was. Mensen verdwaalden in verhalen. Men sloot zich op
met een boek. Men huilde bij een gedicht. Deed ontboezemingen in dagboeken. Las
nieuws in kranten. Quatsch in roddelbaden. En toen: computers. E-readers.
Tablets. En internet. Publiceren werd van iedereen – het computerscherm een eindeloos
kleitablet.
De les: elke keer als je een aspirine neemt, denk dan even aan de Soemeriers, die ook graag bier dronken en met een soortgelijk tabletje een schaap kochten en zo het schrift uitvonden.
De les: elke keer als je een aspirine neemt, denk dan even aan de Soemeriers, die ook graag bier dronken en met een soortgelijk tabletje een schaap kochten en zo het schrift uitvonden.
donderdag 13 februari 2014
Uitwisseling (2)
WhatsApp / 31-10-13 20:45:31: U bent aangemeld bij het
groepsgesprek.
(gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op 14-11-2013)
zondag 15 december 2013
Salarisschaal LC
Het
is wel een dingetje, hoor, de salarisschaal waarin je zit. Aan de bovenkant van
het spectrum heb je de vlak na de oorlog geboren LD’ers. Zij zitten comfortabel
op het pluche van de ‘verworven rechten’, genieten een riant salaris, draaien
gemiddeld twaalf uur per week en hebben dus genoeg tijd om te klagen over die
vierhonderd vakantiedagen per jaar. Aan de onderkant vind je de LB’ers, de
lesboeren. Zij vormen het proletariaat dat zich in veertiendehands Opel Corsa’s
naar de onderwijsfabriek sleept om zich daar voor een habbekrats het snot voor
de ogen te werken.
Voor
de eenvoudige lesboer zijn er gelukkig wel mogelijkheden om hogerop te komen, maar
de weg daar naartoe is nog nooit zo lang geweest. Eenvoudigweg goed lesgeven is
niet genoeg. Je moet voldoen aan de eisen van de zogenaamde functiemix, criteria
die soms slechts zijdelings met doceren te maken hebben.
Ik
deed de afgelopen jaren mijn best, wachtte rustig op toenadering van mijn bazen,
maar toen die niet kwam, besloot ik om tijdens mijn laatste
functioneringsgesprek maar eens een balletje op te gooien. Zou het misschien mogelijk
zijn dat ik, simpele lesboer met een eenvoudige wagen, eens een LC-functie – in
dat schimmige gebied tussen de lesboeren en de lesadel – zou kunnen bekleden?
Mijn pas aangetreden leidinggevende, al weer de vijfde die ik tegenkom in mijn zesjarige
loopbaan, raadde mij aan te beginnen met het aanleggen van een map. Een bewijsvoering
eigenlijk, om aan te tonen dat ik voldoe aan de gestelde criteria. Prestaties in
het onderwijs tellen pas als ze op papier staan.
Er
moeten dus scans gemaakt worden van cursuscertificaten en beoordelingen van
leerlingen en leidinggevenden. Ik spit mijn inbox door op zoek naar bewijslast:
projecten die ik heb opgezet en aaneen gecommuniceerd. Was er niet nog een
compliment van een vader? Een bedankje van een leerling? Natuurlijk ben ik ook
allerlei documenten uit het oog verloren. Waar ligt in hemelsnaam mijn geschiedenisbul?
Ik
scan veter- en zwemdiploma’s. Misschien helpt het als ik mijn
avondvierdaagsemedailles ook in de map stop? Is dat rijbewijs van Verkeerspark
Assen nog wat waard? Kijk, ik deed in 1986 ook mee aan dat voetbaltoernooi voor
F-jes in Houtigehage. Misschien verstandig om een kopie van het vaantje te
maken?
Ik
las de functieomschrijving van een LC’er en dacht, fukkeduk, daar hebben we
weer zo’n lijst losse kreten. Na het lezen van de eerste zin – ‘draagt
structureel kennis/expertise en vaardigheden over aan heterogene en/of complexe
groepen en past daarbij uiteenlopende gedragsscenario’s toe’ – haakte ik al af.
Ik weet namelijk wel wat men wil zien: een goedgevulde map met papieren
prestaties.
En
dat vind ik irritant. Ik had liever gezien dat mijn leidinggevende op mij af
was gekomen en had gezegd, Posthumus, je bent al jaren goed bezig, misschien
wordt het tijd voor een nieuwe tweedehands Volkswagen. Maar misschien is dat
beeld te romantisch. Anno 2013 moet je gewoon een portfolio bij elkaar
scannen.
Het kan ook te maken hebben met het feit dat ik nog
geen enkele leidinggevende langer dan een jaar heb meegemaakt. De elkaar in
hoog tempo opvolgende teamleiders hebben geen idee van wat ik vermag.
Maar
kijk, ik ben dus begonnen – de scanner staat roodgloeiend. Ik graaf in mijn
geschiedenis, want inderdaad, wat héb ik eigenlijk gedaan? Ik zal de map maar
goed vullen. Uiteindelijk tellen prestaties alleen als ze op papier staan,
hoeveel snot je ook voor de ogen hebt.
In
de personeelskamer grap ik wel eens dat ik al een LC-functie kreeg toen ik voor
de LC columns ging schrijven. Ik wuif mijn ambities lacherig weg. Maar als ik
eerlijk ben, tja, dan wil ik gewoon die nieuwe tweedehands Golf.
(gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op 31-10-2013)
zaterdag 14 december 2013
Glasnost / Geschiedenis van alledaagse dingen / Van bieten tot bitcoin
donderdag 5 december 2013
Geëmoticoneerd groepsgesprek
Ze zei dat ze zich vroeger wel eens buitengesloten had
gevoeld, omdat ze niet bij de groep hoorde. Maar nu was het goed. De
vriendinnen hadden de kwestie uitgesproken in een groepsgesprek, zei ze. Een
gezellig beeld nestelde zich in mijn hoofd, van jonge dames tussen stapels
kussens en meisjesbladen, elk een flinke mok thee omklemd, snoepend van de
schaal zelfgebakken koekjes en dan bijpraten en giechelen. Maar toen, als een
flits, wiste de echo van haar laatste woord het knusse beeld in mijn hoofd. Oh,
natuurlijk, een groépsgesprek.
WhatsApp is een
tweede realiteit, parallel aan die van opstaan, naar school fietsen, lessen
volgen, naar huis gaan en slapen gaan. Soms zelfs heeft een hele klas een
groepsgesprek. Dat kan handig zijn als er een les uitvalt, maar de druk die het
tegelijk oplevert moet gigantisch zijn. Altijd maar spitsvondig uit de hoek
komen is een hele opgave. En je mag niets missen. Ik las dat pubers soms wel
600 berichten per dag binnenkrijgen. Zoveel persoonlijke berichten ontving men
kortgeleden niet eens in een mensenleven.
Als ik vroeger
thuiskwam van school, een kop thee had gedronken bij mijn moeder aan de
keukentafel en de deur van mijn jongenskamer achter me dichttrok, liet ik de
sociale wereld achter me. Deze schermgeneratie kent die rust niet meer. Zo
simpel is het. Er hoeft maar één klasgenoot 's nachts iets te schrijven en de
rest wordt wakker van het inkomende bericht. Gedeelde foto's, bedoeld voor een
enkeling, zijn in een veeg doorgestuurd naar zulke groepen.
Een tweede meisje kwam
vorige week betraand in de les. Ik nam haar even apart; ze vertelde dat ze
ruzie had gemaakt met haar vriend. En ze had het deze keer behoorlijk verknald.
Ik meende in mijn naïviteit natuurlijk dat ze buiten op het plein een fikse
ruzie had gehad, maar nee, de woordenwisseling had online plaatsgevonden. Ze
was duidelijk geëmoticoneerd – emotioneel door emoticons. Ik zei nog, maar ja,
meid, pas toch op, je kan je ook niet genuanceerd uitdrukken op WhatsApp.
Ik dacht, ga toch lekker bij elkaar zitten. Luister. Kijk. Voel. Ruik. Proef.
Het blijkt dat vooral
meisjes veel tijd besteden aan social media. Games zijn het terrein van
jongens. Jongens willen asociale actie, meisjes sociale interactie.
De nieuwe zedenzaak
kan niemand ontgaan zijn. De kranten vroegen zich op de voorpagina's af wat de
betrokken meisjes bezielde. De Volkskrant kopte: 'Waarom gaat meisje
zo'n contact aan?', de NRC next: 'Waarom doet een meisje dit?'. Beide
kranten gingen uit van het slachtoffer. Wat de pedofiel bezielt is geen vraag
meer.
Maar inderdaad, waarom
doen meisjes het dan? Volgens de Volkskrant is het hun fantasie die met
ze aan de haal gaat. In plaats van met de onbereikbare Justin Bieber of
gymleraar (of geschiedenisleraar natuurlijk) leggen ze het aan met de
bereikbare onbekende 'groomer', waarvan ze denken dat het een aardige
knul is. NRC next laat zien dat het
delen van pikante foto's en filmpjes normaler aan het worden is. En dat sommige
meisjes kwetsbaarder zijn dan andere. Viezeriken gooien honderden hengels uit
en wachten tot een meisje bijt. De schermgeneratie is een gemakkelijke prooi.
Het is aan ouders op te letten en het is aan de kinderen gewoon weer kind te
worden.
Want meisjes, kijk nou
eens om je heen in het klaslokaal of in de discotheek. Zien jullie ze niet
staan, de onzekere, lieve, puistige Friese jongens die smachten naar jullie
aandacht? Meer dan een zoen hoeven ze niet. En praat er daarna over met je
vriendinnen, tussen stapels kussens, met een warme kop thee en zelfgebakken
koekjes. Luister. Voel. Kijk. Ruik. Proef.
(gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op 17-10-2013)
vrijdag 22 november 2013
Glasnost / Geschiedenis van alledaagse dingen / Van Maan Tot LED
Klik op akkoord om verder te gaan
Akkoord,
er is een onderwijsovereenkomst. Een akkoord in muzikale termen gaat
uit van minstens drie tonen. Die zijn er weliswaar, maar de grondtoon
mist: de AOB, de belangrijkste vakbond, heeft niet ondertekend. Ach,
zeggen de ondertekenaars, de vakverenigingen die wel tekenden zijn
samen groter dan de AOB, en ze zongen in koor: wij zijn lekker met
mee-eer!
Dat
ondertekenen gebeurde op een zogenaamd smartboard, de vervanger van
krijtborden en whiteboards, dat stukje vernuft dat inmiddels op de
meeste scholen hangt. De ondertekenaars kregen zeer duidelijk de
instructie de pen niet van het bord te halen tijdens het tekenen –
van de onderwijspraktijk hebben ze immers weinig kaas gegeten.
Eerst
zette de minister een handtekening. ‘Mooooi…’, aldus de
aanwezigen. De paraaf van de staatssecretaris werd daarna ontvangen
met een goedkeurende ‘Nice!’. Jan van Zijl van de MBO-raad had
niet goed opgelet. Hij haalde de pen tijdens het tekenen van het
bord. Hij verdedigde zich. Het was ook een moeizaam proces geweest.
Dat
moeizame proces heeft geleid tot een akkoord waar docenten niet over
mee mochten praten en dat dus nauwelijks draagvlak kent. In het
voortgezet onderwijs is 61% van de docenten negatief over het
akkoord. Top-down-management vindt op alle niveaus plaats.
In
het akkoord springen vooral niet-concrete afspraken en halve
waarheden in het oog. Er wordt blijkbaar een blik nieuwe leraren
opengetrokken, maar waar moet dat blik met 3000 mensen vandaan komen
en waar moeten ze dan naartoe? Gaat het hier om het huidige
lerarenoverschot of over het komende lerarentekort? Of moeten die
3000 behouden worden, zoals ik ook lees. En hoe dan? En wie dan? En
waar dan? In het primair of het voortgezet onderwijs? Zeg het! Ik wil
duidelijkheid! Bovendien, die paar duizend, dat is een druppel op een
gloeiende plaat.
De
BAPO wordt afgeschaft, maar een overgangsregeling is er nog niet. En
de diepbevroren nullijn blijft in 2014 eerst nog staan; er wordt
weliswaar 34 miljoen beloofd om dit te verzachten, maar dat is een
loonsverhoging van een bleek patatje oorlog en een frikadel speciaal per maand.
Belangrijk
onderdeel van het akkoord is de werkdruk. Hoewel, men is vooral
voornemens de werkdruk te onderzoeken. Ik dacht dat het inmiddels wel
zo klaar als een klontje was. Vergissing mijnerzijds. Het moet eerst
onderzocht worden.
Mij
is het wel duidelijk. Als ik de roosters van mijn collega’s bekijk,
vallen mij vooral de vrije dagen op. Een flink aantal heeft zelfs
twee vrije dagen in de week! Een buitenstaander zou denken: wat nou
werkdruk? Allemaal parttimers met heel veel vakantie!
Ik
werk 0,8 fte. Dinsdags ben ik vrij, maar ik vind het gewoon dat ik op
dinsdagmiddag werk. Het duizelt me als ik ’s middags thuiskom,
omdat ik zo’n 150 pubers heb gezien. ’s Avonds bereid ik na de
aardappelen mijn lessen voor. Ik ben wat chagrijnig als ik
zondagmiddag weer nakijk en vooruitwerk. Ik doe aan onderwijs in mijn
vrije tijd. Ik werk 80 procent, maar feitelijk fulltime.
De
werkdruk zit volgens mij niet zozeer in vergaderingen en papierwerk,
zoals het akkoord suggereert. Tijdens vergaderingen kan ik eindelijk
wat indutten en wat administratie betreft: we hoeven ons als docenten
in het voorgezet onderwijs nauwelijks te verantwoorden. Dat doen onze
directies voor ons. Dat zij daardoor niet aan onderwijs toekomen, is
trouwens wél een probleem.
(gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op 03-10-2013)
De kogel door de moskee
De kogel is door de
moskee. Staatssecretaris van Onderwijs Sander Dekker heeft besloten
de subsidiëring van het Ibn Ghaldoun in Rotterdam te stoppen. Lekker
op tijd kun je zeggen, had je dat niet voor aanvang van het nieuwe
schooljaar kunnen laten weten, meneer de staatssecretaris? Op 9
augustus werd het doorslaggevende inspectierapport al vastgesteld.
Moest het definitieve besluit nou zo nodig ‘over de zomer heen
getild’ worden? Maar goed, zomerreces is zomerreces en die 700
leerlingen konden wel even wachten. Nu staan ze in de eerste weken
van het nieuwe schooljaar op straat en moeten ze uitkijken naar een
nieuwe school. Meteen weer een achterstand.
In het grote plaatje kwam
het besluit sowieso te laat. Uit het vorige week verschenen
inspectierapport blijkt opnieuw dat het Ibn Ghaldoun rammelt en
altijd gerammeld heeft, nieuwe, welwillende bestuurders ten spijt.
Dat is jammer, want met
het besluit valt het doek voor het islamitisch voortgezet onderwijs
in Nederland. Basisscholen op islamitische grondslag zijn er nog wel,
maar vanaf 1 november is er geen enkele islamitische middelbare
school meer in Nederland. Exit Mohammed.
Moslims hebben
vanzelfsprekend het recht op eigen scholen, natúúrlijk zou ik
willen zeggen, maar hoe je het ook wendt of keert, ze hebben de
schijn tegen. Dat heeft verder niets te maken met de publieke opinie
of beeldvorming, nee, afgelopen jaren bleek uit verschillende
onderzoeken dat niet alleen op het Ibn Ghaldoun, maar ook op diverse
andere scholen van islamitische signatuur op grote schaal gesjoemeld
werd met geld. Familieleden en imams stonden op de loonlijst,
medewerkers werden te hoog ingeschaald en er werden niet-educatieve
pelgrimstochten naar de mohammedaanse bakermat geboekt. In 2008
schreef de onderwijsinspectie dat op maar liefst 86% van de
islamitische scholen in Nederland gefraudeerd werd. Bijna de helft
van de scholen stond te boek als ‘zwak’ of ‘zeer zwak’.
Uit het vorige week
gepubliceerde onderzoek van de inspectie blijkt dat, ondanks het
strenge toezicht, van verbetering nauwelijks sprake is. Er is een
schuld van maar liefst 4,5 miljoen euro ontstaan, meer dan de helft
van de docenten is onbevoegd, docenten spreken niet goed Nederlands,
het gebouw en de materiële voorzieningen zijn kwalitatief onder de
maat en de examenresultaten vertonen een neerwaartse lijn. De
diefstal en verspreiding van eindexamens is in dit beeld niet eens
meer verrassend te noemen, maar had wel voorkomen moeten worden door
eerder ingrijpen.
In het rapport lees ik dat
interim-managers kwamen en gingen. Maar liefst een half miljoen euro
werd besteed aan deze falende puinruimers. Dat meer dan de helft van
de docenten onbevoegd is, verbaast me overigens niet: in een stad als
Rotterdam is het immers sowieso moeilijk goede docenten te vinden,
laat staan docenten die passen bij de islamitische identiteit. Wat
betreft de talen waren in de havo- en vwo-bovenbouw alleen de
docenten Arabisch eerstegraads bevoegd.
Betrokkenen zijn verbolgen
over deze uiterste consequentie. Natuurlijk zijn ze dat. Het Ibn
Ghaldoun is de laatste school voor islamitisch voortgezet onderwijs
in Nederland. Om te blijven bestaan werd bij de toelating en
doorstroming niet zelden een oogje toegeknepen; cijfers werden
kunstmatig omhoog bijgesteld. Maar dat houdt natuurlijk eens op.
Bedroevend is het dat de
examenfraude blijkbaar nodig was om alle misstanden aan het licht te
brengen. Hoe zit dat op andere, niet-islamitische scholen die onder
streng toezicht staan? Moet de inspectie daar de boel niet eens goed
doorlichten?
De sluiting is terecht en
een doorstart heeft volgens mij geen kans van slagen. Ik hoop
niettemin dat er een toekomst is voor islamitische middelbare
scholen. Maar dan met bevoegde docenten, met mooie resultaten, met
een goed gebouw en met bescheiden schoolreisjes naar het Rijksmuseum.
(gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op 19-09-2013)
Passend Onderwijs
“Ik
denk soms heel lang na over grote verbanden”, zei de leerling. “Ik
weet niet of meer leerlingen dat doen. Weet u dat?” Ik antwoordde
hem dat volgens mij de meeste van de andere leerlingen snel afgeleid
werden door hun klasgenoten, hun telefoon en computer, of dat ze zich
verloren in oppervlakkige balorigheid. Bovendien, ze voelden daartoe
ook niet die sterke drang die hij voelde. Ik zei hem dat hij hierin
toch best bijzonder was.
Hij
wijkt af van de rest van de klas omdat hij PDD-NOS heeft. Andere
leerlingen wijken af, omdat ze rood haar hebben. Of omdat ze heel
goed zijn in voetbal. Of geboren zijn in een ver land. Of gescheiden
ouders hebben. Maar PDD-NOS is een afwijking die opgenomen staat in
de DSM, de Diagnostic
and Statistic Manual of Mental Disorders,
dat dikke Amerikaanse boek waarin ook ‘afwijkingen’ als het
Syndroom van Asperger en ADHD zijn opgenomen en dat dit jaar zijn
vijfde update beleefde. In het speciaal onderwijs is mijn leerling
een zogenaamde cluster-4-leerling: in dit geval iemand met een
autismespectrumstoornis.
Wat
afwijkingen betreft geldt overigens altijd: als de meerderheid het
heeft, is het geen afwijking of ‘stoornis’, en dus krijgt het
geen stempel. Waarom worden mensen die zich met een torenhoge
hypotheek in de schulden steken niet voor gek verklaard?
Het
aantal zorgleerlingen in onze bovenbouw is nu nog op de vingers van
één hand te tellen, maar per 1 augustus 2014 zal dat veranderen.
Vanaf dan zullen reguliere scholen binnen een samenwerkingsverband
met andere scholen ‘bijzondere’ leerlingen een passende
onderwijsplek moeten geven. Het zogenaamde ‘rugzakje’, een
leerlinggebonden som geld, komt te vervallen. De samenwerkende koepel
krijgt een budget dat ze naar eigen inzicht verstandig moeten
besteden.
Hipste
rugzak op school anno 2013 is van het Engelse merk Eastpak.
Soms hebben leerlingen de bovenste twee dwarsstreepjes van de E
donkergekleurd, zodat er ‘Lastpak’ staat: dat is vast dat
rugzakje van die zorgleerlingen, vermoed ik.
Vanaf
volgend jaar wordt veel van ons docenten verwacht: wij spelen binnen
deze verandering een centrale rol, omdat wij de kinderen dagelijks
begeleiden.
Daarop
moeten we worden voorbereid, want inderdaad, ik heb het nog niet
helemaal onder de knie. Toen ik na het gesprek afscheid nam van de
leerling zei ik met ironische ondertoon: ‘Ik moet nu echt weg,
ik heb een vergadering en dat vind ik toch zo ontzéttend leuk,
vergaderen!’. ‘Oh ja?’, was zijn antwoord in alle ernst, ‘u
vindt vergaderen leuk?’
Mijn
school neemt de toekomstige ontwikkelingen van het Passend Onderwijs
heel serieus. Daarom werden alle docenten al in de eerste schoolweek
bijeengeroepen voor een presentatie over zorgleerlingen in het
algemeen, maar die op onze school in het bijzonder. Ik keek om me
heen: ik wist zeker dat als mijn collega’s in de huidige tijd groot
waren geworden, er een aantal van een stempel zou zijn voorzien. Niet
iedereen kon de aandacht er bij houden.
We
kregen karakterschetsen van de leerlingen die veel overeenkomsten
vertoonden, maar ook individuele verschillen. Ons werden eenvoudige
handreikingen gegeven hoe we zouden kunnen reageren in bepaalde
situaties. Docenten moeten bijvoorbeeld altijd duidelijk en eenduidig
zijn in instructies, moeten emotioneel neutraal in hun benadering
zijn en moeten heldere afspraken maken. Dat was gelukkig een
duidelijke instructie.
Maar
wat vooral bleek, is dat de ene zorgleerling de andere niet is en dat
we vooral hun kwaliteiten aan moeten spreken.
De
bijzondere leerling liet me zijn hobby’s raden aan de hand van twee
data uit de vaderlandse geschiedenis: “10 juli 1584 en 20 september
1839”. De moord op Willem van Oranje herkende ik gelijk, de aanleg
van de eerste Nederlandse spoorlijn iets later. Zijn hobby’s?
Binnenlandse politiek en treinen. Geweldig.
(gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op 05-09-2013)
Abonneren op:
Posts (Atom)





