woensdag 21 maart 2012

Staken

Ik was er bij hoor. In Utrecht. Niet vanwege die ene zomerweek. Nee, het onderwijs heeft gewoon een schop onder de kont nodig, in plaats van een schop in het gezicht. Daarom ging ik.

In de trein dus. Met een treinkaartje van de onderwijsbond in de hand richting Utrecht. Spannend hoor. Ik zag veel brillen en truien in de coupé. En rugzakken, hoog op de rug gedragen. Voor de azuurbodes en broodtrommels natuurlijk, die rugzak, en voor de zure appels en mueslirepen. Veel wallen ook, onder de ogen. Want ze hebben het druk, de docenten.

Het is eenvoudig. We geven 175 lesuren meer dan het Europese gemiddelde, maar we werken maar ongeveer 50 uur meer. Dat kan twee dingen betekenen: of we steken heel veel vrije tijd in voorbereiding en nakijkwerk, óf we komen daar niet aan toe. Ik werk vier dagen. Op mijn vrije dag bereid ik voor en kijk ik na. Dat doe ik overigens ook steevast op zondagmiddag, vrijwel elke middag, sommige avonden en af en toe ook op zaterdag. Maar dan liggen er altijd nóg wel een aantal mappen vol toetsen. Die doe ik in de vakantie. Nakijken moet altijd, maar zou ik over vijf jaar, als mij de wallen over straat slepen, nog steeds de moeite nemen mooie lessen te bakken?

De minister sluit politieke compromissen over de rug van onderwijsland. Ze noemt de staking daarna onverantwoord. En ze zegt vervolgens doodleuk dat de gestaakte uren ingehaald moeten worden. Ze slaat drie keer de plank mis.

Tegen de adviezen van commissie-Cornielje in, ondanks de protesten van docenten én leerlingen, maar dankzij politieke handjeklap kwam er tóch in de nieuwe onderwijswet te staan dat 1040 uur de norm was. Maar extra geld is er niet. Dus hoe gaan scholen dat organiseren? Straks tellen ze de uren die een klas in het trappenhuis doorbrengt ook mee. Dát is onverantwoord. Staken niet. Staken is een goed recht.

En de gestaakte uren inhalen? Briljant! Dan hebben we niet gestaakt. Inderdaad.

Dat aob-bestuurslid Marten Kircz op de stakingsdag de minister in een radio-interview intellectueel onvermogen verweet, was misschien niet netjes. Zeg nou zelf, als je via de mavo en verpleegkunde-A en zonder onderwijseelt het tot minister van Onderwijs weet te schoppen, dan ben je toch een slimmerik. Zo zie je: een politieke loopbaan kan simpelweg een carrièrekeuze zijn. Als je het spel handig speelt kun je zomaar de eindverantwoordelijke van Project Toekomst worden.

Het onderwijs moet beter. Dat wil de minister ook. Dat wil iedereen. Maar kom op, maak dan in elk geval een gebaar in die richting. Doe wat aan de salarissen – dan trek je hoog opgeleide docenten. Giet gootsteenontstopper in de harige managementput en blijf toch bij de originele 1000-urennorm, dan schep je meer tijd voor kwaliteit en voorkom je ophokuren. Kijk naar Finland: daar is 780 de norm, maar het land staat steevast bovenaan in de kwaliteitslijstjes. Het is niet: hoe meer, hoe beter.

Als lesgeven je passie is, bestaat er niets mooiers. Maar je komt van een koude kermis thuis als er niet genoeg stoelen voor de leerlingen zijn, omdat ze met teveel zijn. Als je vijfentwintig uur in de week lesgeeft aan dat vuurpeloton energydrink-pubers, dan ben je aan het eind van de dag gewoon bekaf.

In de jaarbeurs was zag het zwart van eensgezindheid. De onderwijsbond had mutsen en sjaals meegebracht. Er waren spandoeken. Ergens in het midden kon ik me registreren en mijn retourticket ontvangen. Ik bleef één ophokuur, toen nam ik de trein terug. Thuis wachtten nog zes mappen met nakijkwerk.  

(gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op 07-02-12) 

woensdag 7 maart 2012

De wondervraag

Ik begon blijmoedig en serieus aan de cursus oplossingsgericht coachen, maar gaandeweg sloeg mijn humeur om en toen ik op de derde dag een aanvaring had met de cursusleidster wist ik precies wat daarvan de oorzaak was.

De oplossingsgerichte methode is eenvoudig van opzet en gaat uit van een heldere gedachte: de gecoachte is de expert, de coach is respectvol, stuurt en 'weet niets'. De methode biedt handvatten om via vragen en doorvragen iemand te helpen een oplossing te vinden voor een probleem.

De methode is iets meer dan 30 jaar geleden in Milwaukee bedacht door het therapeuten-echtpaar Steve de Shazer en zijn vrouw Inoo Kim Berg. Volgelingen over de hele wereld roken geld, want het kan werken. Dat is waar. En als je het maar lang genoeg vaag houdt, duurt een cursus zo drie dagen. Kassa dus.

Bij de methode blijven het eigenlijke probleem en een diagnose buiten beeld. Er moeten kleine stapjes worden gezet op de weg naar de oplossing. In de gereedschapskist van de coach zitten diverse 'tools' om de klus te klaren. Zo is er de schaalvraag, zoals: “Als 0 betekent dat je de leraar Duits niet eens meer wilt zien en 10 dat je maar al te graag naar zijn les gaat, waar zit je dan nu?” Als de leerling antwoordt: “Op 3 of zo...”, dan zijn we op weg, want oei, oei, oei, er-gaat-dus-al-wat-goed! En het wordt alleen maar mooier, want de volgende vraag luidt: “Wat zou er moeten gebeuren om van een 3 naar een 4 te gaan?” Het kind kijkt op: zelfinzicht geboren. De eerste stap kan gezet worden. Ziet u? Eenvoudig en helder.

Ook het leren van successen in het verleden en van de uitzonderingen op de regel zitten in de gereedschapskist. Zijn die er niet, dan is er altijd nog de wondervraag. Jawel, de wondervraag! Als er vannacht een wonder zou gebeuren – simsalabim! – wat zou er morgen dan anders zijn? Het kind begint te stralen. Een wonder! Via een hypothetische uitzondering is het zelfinzicht geschapen en de oplossing nabij.

Veel meer is het niet, dat oplossingsgericht coachen. Je volgt de 'flowchart', doet wat interventies. Je laat stiltes vallen en geeft complimenten. Maar vooral: je laat het kind in zijn kracht. Dat werk. En dan tóch drie dagen vullen!

Ik zocht even op internet. Amerikaanse methodes genoeg in Nederland: Neuro Associative Conditioning, co-active coaching, destination coaching, Rationeel Emotieve Therapie en natuurlijk The Happiest Baby methode. Ik moet glimlachen van dat lijstje.

Slimme knakkers gaan met de Amerikaanse flauwekul aan de haal. Het is zo geregeld: website, huisstijl, briefpapier, pennen en blocnotes en nog een boekje zonder bronvermelding en klaar is kees. Pardoes wordt vergeten termen als 'hand-on-shoulder', 'coping-questions' en 'decent sense of failure' te vertalen. Zitten we mooi mee opgescheept.

Een cursus oplossingsgericht coachen kan zo 200 euro per dag per deelnemer kosten, lees ik. Als meer dan honderd werknemers van een afdeling de cursus moeten volgen, lopen de kosten zomaar richting een ton. Dat is bijna misdadig. Een school heeft meer baat bij nieuwe computers, goed lesmateriaal of een uitgebreide bibliotheek. En dan de lessen die uitvallen! Honderd mensen keer drie dagen keer gemiddeld vijf uur is 1500 lesuren. Vier mensen hadden de cursus in een dag kunnen volgen om daarna op een donderdagmiddag met een PowerPoint of flipchart de verworven kennis te delen met de collega's.

Stel, er vindt vannacht een mirakel plaats – stel! Dan denken scholen vanaf morgen twee keer na voordat ze een cursus van het één of ander boeken voor de hele goegemeente. Ik geloof niet dat een meerdaagse voorstelling van het Amerikaanse circus echt nodig is. Maar wie stelt mij de wondervraag?

(gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op 24-01-12)

maandag 20 februari 2012

Een kwestie van beeldvorming

Collega B. legde onlangs klas vijf een aantal vragen voor over de multiculturele samenleving. De meeste leerlingen waren ervan overtuigd dat in 2050 toch wel een derde, misschien zelfs twee derde deel van de inwoners van Nederland moslim zou zijn! Een schatting volledig bezijden de waarheid, maar die wel meteen een andere waarheid aantoont, namelijk dat de media hun taak niet goed vervullen. Het is een kwestie van beeldvorming.

Volgens het CBS is het aantal in Nederland woonachtige moslims in 2050 8% van de bevolking. De groep groeit maar zeer gestaag – het aantal moslims dat naar Nederland komt heeft met een 'massa' weinig te maken. De 'tsunami van islamisering' is eerder een druppelsgewijs proces. Mensen ervaren soms de islam als een olievlek op de ondergelopen polder, maar kom nou, jaarlijks bekeren zich maar 500 autochtone Nederlanders tot de islam. En dan is er ook nog zoiets als 'ontmoskeeïng': niet alleen kerken, maar ook moskeeën lopen leeg.


Beeldvorming - Durk van der Meer


Feit blijft: onze leerlingen wordt telkens en opnieuw een verwrongen beeld van Nederland voorgeschoteld en daar zitten ze maar mooi mee opgescheept. Nu denken ze dus dat over veertig jaar de schoolbanken vol zitten met gesluierde meisjes en jongens met een vlassig baardje. Een kwestie van beeldvorming.

Het aantal moskeeën in Friesland is op één hand te tellen, maar o wee, ergens daar buiten het dorp gebeurt iets ernstigs. Nederland gaat naar de filistijnen denken ze, vooral omdat de media er een potje van maken door valse termen als massa-immigratie zonder oogknipperen over te nemen van de politicus die de Nederlandse politiek in zijn greep heeft. Hij bedrijft mediapolitiek. Strooit met soundbites die het achtuurjournaal halen. Twittert als een koekoek.

Het resultaat is een paradox. Ik lees in 'Moslims in Nederland', een uitgave van Forum, het instituut voor multiculturele vraagstukken, dat bijna 80% van de autochtone jongeren gelukkig is en tevreden met de woning en de woonbuurt. Daarover zijn ze net wat meer tevreden dan de allochtone jongeren. Maar ondertussen zijn ze juist minder te spreken over de Nederlandse samenleving dan de allochtone jeugd. Sterker nog: bijna 80% van de autochtone jongeren vindt dat het niet goed gaat in de natte polder. Onze eigen kinderen! Ontevreden! Terwijl het leven welvarender is dan ooit, vinden zij dat hét niet goed gaat. Je weet wel: hét! De crisis. Het gerommel in Europa. Het gegraai aan de top. Dat gedoe met de moslims. Een kwestie van beeldvorming.

Als het in de woning en woonbuurt goed leven is, waar komt de ontevredenheid over de samenleving, die verzameling woningen en woonbuurten, dan vandaan? Wel, als mensen aan Gouda denken, denken ze eerder aan Marokkaanse probleemjeugd dan aan kaas. Als ze denken aan migratie, schieten de woorden massa en tsunami te binnen. Als ze hoofddoeken zien, weerklinkt de kopvoddentax en als ze Job Cohen op televisie voorbij zien komen, denken ze onwillekeurig aan de bedrijfspoedel van het kabinet. Politici lijken onmachtig dit tij te keren en de media kopiëren de getweete oneliners van de man die de Nederlandse politiek in zijn greep heeft.

Doe toch eens normaal, man! Ik hoop dat 2012 een jaar wordt waarin we weer bij zinnen komen. Weg met Oh Oh Cherso, de echte Gooische meiden en die opgeblazen reporter van Powned! Zo leren kinderen toch nooit hoe ze met open armen de burgers van de wereld moeten ontvangen? Het is toch van de zotte dat we het als fatsoenlijk land van tolerantie zo ver hebben laten komen dat kinderen denken dat de islam ons over veertig jaar volledig in de greep heeft en dat we er bang voor moeten zijn? Het is een kwestie van beeldvorming inderdaad.  


(gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op 10-01-12)

maandag 6 februari 2012

Kerstpakketgevoel

In de aanloop naar de kerstvakantie die het schooljaar in tweeën breekt, sluipt een sfeer in het schoolgebouw die smaakt naar warme chocolademelk. In de personeelskamer heeft een conciërge de heidense spar weer opgetuigd. De kerststukjes schijnen in al hun lelijkheid en op de radio kabbelt zachtjes de bekende lijst kerstklassiekers. Docenten neuriën mee, kloppen elkaar bij de koffiemachine op de schouder en zeggen zonder woorden: nog even jongens, dan is het vakantie.

Zo geleidelijk als die warme-chocolade-melksfeer kwam, zo plotseling staat in de hoek van de personeelskamer opeens een muur van dozen – zo hoog, dat het binnenvallende decemberlicht geweerd wordt en de personeelskamer in een gezellige donkerte gehuld gaat. Eerst ligt er een gordijn over de dozenmuur, maar de nieuwsgierigen hebben er al lang onder gekeken: het zijn de kerstpakketten. Iemand is er zelfs al mee naar huis gegaan. Onder de snelbinders.

En hoe lijkt het, vraag iemand. Niet groot dit jaar, fluistert een ander. Het geld is op, zegt de derde.

Als het gordijn er eenmaal is afgehaald zoek ik mijn gezelligheidsdoos tussen de meer dan honderd andere. Ik schud de doos, terwijl ik mijn oor er tegenaan leg, en herken gelijk het klotsen van de wijn. De kerstman zij dank, er is wijn. Tegen het zere been van de kerstpakketpuristen, open ik de doos om het wijnetiket te bestuderen. Al snel staan collega's om mij heen, de keurende blik over mijn schouder ín de doos gericht. Mijn doos is die middag demodoos.

Een kerstpakket staat anno 2011 garant voor gesabbel. Dat was toch anders toen de boer voor de kerst zijn knecht een doos etenswaren meegaf. Reken maar dat die knecht de koning te rijk was met dat overlevingspakket vol brood en spijs in die barre winters van toen. En óf, dat hij na tweede kerstdag opgeladen en gemotiveerd en met een gulle lach terugkeerde naar het boerenbedrijf. En dat hij, hoe hard de grond ook bevroren was, de spade de grond injoeg alsof het boerenleven er van afhing. Dat deed een kerstpakket toen met de werknemer.

En dan nu. Ik denk soms dat alleen een iPad nog zou voldoen, want recessie of geen recessie, we hebben zelf altijd nóg betere wijn in huis en pas op, onze borrelschaaltjes zijn ontworpen door een échte designmeneer. En wie eet er nog ragout? Of kaasvlinders? Dat gebruikt Jamie Oliver toch ook niet in de keuken?

Bij thuiskomst zet ik de geopende doos op de keukentafel om de inhoud nauwkeuriger te bestuderen. De losjes beschilderde schaaltjes zijn nogal fragiel en het kistje waar alles in zit onbruikbaar, maar misschien goed voor de haard, zeg ik tegen mijn vrouw. Verder zulks als nootjes, chocolade en thee, het geheel op een bedje van nephooi dat, als ik het uit de kist pak, aanvoelt als kant-en-klaarnoedels die nog gekookt moeten worden en dat ontzettend veel rommel geeft, zodat ik even later met de stofzuiger in de weer moet.

Sla mij maar over volgend jaar, stort mijn deel maar op giro zoveel, schreeuw ik door het geblaas van de stofzuiger heen naar mijn vrouw.

Dan geeft ze mij de envelop die ook in de doos zat. Ik open die en lees tot mijn schrik dat het houten kistje gemaakt is door leerlingen van de praktijkafdeling, evenals de kwetsbare schaaltjes met het abstracte verfpatroon. Er staan zelfs foto's bij van de lieve jongelui, gewapend met verfkwasten en schroevendraaiers.

Opeens vind ik het kistje en de schaaltjes ontroerend mooi. Dat is ook kerst.

Ze staan nu in de kelder op een plank. Ik ga er geen vuur van stoken, ze misschien af en toe gebruiken, maar ik ga ze zeker niet weggooien. Het is goed zo.

dinsdag 24 januari 2012

Leerbazen

Toen ik eens hoorde dat we de leerling 'eigenaar van het leerproces' moesten maken en dat we 'het nieuwe leren' moesten omarmen, keerde ik de auto en reed zo hard ik kon de andere kant op. Twee weken geleden was ik in Engeland. Ik bezocht een onderwijsconferentie in Birmingham waar vooral het optreden van Alan November mijn opzien baarde. De titel van zijn verhaal was 'Who Owns The Learning?' en zonder aarzelen accepteerde ik de woorden. Ik vond het plotseling zelfs een goede vraag.

Misschien was het dat Angelsaksische charisma van de spreker. Of 'eigenaar van het leerproces' is eenvoudigweg een benauwende vertaling – onderwijsjargon dat ik niet kan velen. 'Leerbaas' noem ik het vanaf nu.

Op de keper beschouwd is op de meeste scholen niet de leerling, maar vooral de leraar de leerbaas. Het is de docent die vertelt wat, hoe en wanneer er geleerd moet worden. Als je op scholen zou vragen wie het meeste werk verzet, de leraar of de leerling, zal dat in de meeste gevallen de leraar zijn. Het is de docent die zich het zweet op het voorhoofd werkt, het is de docent die overspannen raakt, het is de docent die aanstuurt, opvangt en doordraait.

Dit inzicht betekent niet simpelweg dat leerlingen zelfstandig en in een eigen tempo een tekstboek moeten doornemen, terwijl de docent achterover leunt in zijn bureaustoel. Of dat we de leerlingen zonder omkijken op een leerplein dumpen. Het betekent op de eerste plaats dat we het leerproces in de ogen van de leerlingen nuttig moeten maken; ze moeten doelbewust worden en zich daardoor betrokken en serieus genomen voelen. Motivatie is het product van doel en nut.

Deze stap is voor het ene vak eenvoudiger te maken dan voor het andere. Wiskunde is geen geschiedenis en muziek geen Duits. Elk vak vereist een eigen aanpak. Helaas staat de vaksectie momenteel onderaan in de organisatie van veel scholen. De ideeën van het nieuwe leren botsen met de verticale organisatiestructuur van ons polderonderwijs. Hoe krijg ik die nieuwe didactiek van de grond als ik mijn vakgenoten zelden spreek?

Scholen met een technasium zijn goed op weg. Leerlingen voeren opdrachten uit voor bedrijven uit de omgeving, voelen zich serieus genomen, nemen verantwoordelijkheid en daarmee bezit van het leerproces.

Alan November toont een meisje dat op internet video's plaatst waarin ze wiskundesommen stap voor stap uitlegt. Haar video's worden door tienduizenden kinderen uit de hele wereld gebruikt om wiskunde te leren. Het maken ervan kost het meisje uren, terwijl ze in tien minuten haar huiswerk had kunnen doen. Het feit dat ze een doel heeft en dat de video's nuttig zijn motiveert haar om het tóch te doen.

Een ander meisje bleek een groot schrijftalent. Ze publiceerde haar Harry-Potter-achtige verhalen online, werd per hoofdstuk beter en had een wereldwijde fanbase. Toch vond de docent haar een problematische leerling. Ze maakte haar huiswerk niet altijd, kwam soms te laat. Gevraagd naar de oorzaak, antwoordde de jonge schrijfster: als ik 's ochtends wakker word sta ik voor een moeilijke keuze. Ga ik werken voor mijn docenten, of ga ik publiceren voor de hele wereld?

Zij en het wiskundemeisje zijn bereid uren van hun kostbare pubertijd te spenderen, omdat ze hun werk nuttig vinden, omdat het een doel heeft, omdat heel veel mensen er iets aan hebben. Ze zijn in één woord, leerbaas. 'They own the learning'.

Maar pas op: laat de leerlingen niet rondzwemmen, dolen, zoeken en uiteindelijk verdrinken. Het is een kwestie van balanceren. Alles valt of staat met een gemotiveerde docent of vaksectie die het juiste materiaal ontwikkelt om leerlingen én doelbewust, 'nuttig' en betrokken te maken én van een stevige kennisbasis te voorzien.

(gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op 13-12-12)

donderdag 12 januari 2012

Beeldvorming

Goede vriend en kunstenaar Durk van der Meer maakt tekeningen en nog veel meer. Hier een prent die hij maakte naar aanleiding van mijn column over beeldvorming die afgelopen dinsdag 10-01-12 in de Leeuwarder Courant stond. 



Wil je meer geweldige tekeningen van Durk zien, klik dan eens op onderstaande links. Zeer de moeite waard. 


maandag 9 januari 2012

Een goede docent presteert ín het lokaal


Sinds 17 november mogen scholen experimenteren met een zak geld van de overheid. Er is 80 miljoen euro beschikbaar gesteld voor zogenaamde prestatiebonussen. Docenten die buitengewoon lekker bezig zijn kunnen daarmee een extra duit verdienen. Waren de 80 miljoen schmeuro's verdeeld onder alle onderwijsmensen in Nederland, dán hadden we een mooie kerst gehad. Maar nu niet. Want bonussen, dat riekt naar dure aftershave en sigaren op de hoogste verdieping van het bankbedrijf. Dat doet denken aan graaien, gouden handdrukken en het nepotisme van een old boys network.

Straks doen we op een goede ochtend de gordijnen van de personeelskamer open, staat er een tentenkamp van werkloze oud-leerlingen op het schoolplein. Occupy the schoolyard.

Een aantal scholen in het land heeft zich opgegeven voor het experiment. Ik kijk uit naar de resultaten. Niet voor niets zijn de Algemene Onderwijsbond en Leraren in Actie tegen het idee. Bonusprobeersels liepen in de Verenigde Staten op een mislukking uit. Waarom zou het hier dan wel lukken? En, inderdaad, kan dat geld niet veel beter worden gebruikt?

Het onderwijssalaris is al lange tijd onderwerp van discussie. Zij van voor het HOS-akkoord van 1985 verdienen genoeg om twee huizen te bezitten, maar docenten die erna begonnen krijgen een beroerte als de wasmachine kapot gaat.

Gelukkig wacht eerstegraders het zogenaamde 'entreerecht': als hij of zij meer dan de helft van de lessen in de bovenbouw doceert wacht in 2014 automatisch een LD-functie, de hoogste schaal. Maar de VO-raad is tegen; scholen zijn nooit blij als er geld moet worden betaald.

Mocht het wel doorgang vinden, zul je zien dat ik als eerstegraads opgeleide docent volledig in de onderbouw geplaatst wordt en mijn oudere collega's die ver voor 1985 zijn begonnen, de bovenbouw voor hun rekening nemen. Hand op de knip, ik gedegradeerd. Gratis en voor niks.

Ondertussen zijn scholen ook nog eens druk bezig met de zogenaamde functiemix. De afgelopen en komende tijd zijn scholen verplicht om een deel van de leraren in hogere schalen te plaatsen. 'Het streven is', zo staat het in de 'Brochure Voortgezet Onderwijs' van het ministerie, 'om meer leraren voor de klas carrière te laten maken.'

Tot dusver blijkt de verdeling vooral niet om het lesgeven te gaan. Dienstjaren doen niet ter zake. IJzersterke didactische vaardigheden evenmin. Inhoudelijke klasse? Niet nodig. Nee, voor de functiemix moet je vooral uitblinken in het uitvoeren van directiebeleid. Je dient gemotiveerd te zijn mee te draaien in de procedure-protocollen-paperassen-fabriek en je moet genoeg in de kamer van teamleiders te vinden zijn. Ja, dan doe je het goed.

Het resultaat? Het is voor of tegen. Het is zij van de hogere inschaling en wij van de lagere schaal en andersom. Het leidt tot scheve gezichten. Men gaat fluisteren in de stille hoeken van de school. Hij natuurlijk wel. Zij natuurlijk ook. Zag je aankomen.

Prestatiebonussen zullen een soortgelijk effect hebben. Het belonen van prestaties is subjectief. Krijgt iemand 50 euro in een envelop als er geen leerlingen zijn kwijtgeraakt tijdens de Rome-reis? Kan iemand rekenen op een extra maandloon als de examenkandidaten allemaal een voldoende op wiskunde halen? Wordt de loonstrook uitgebreid als iemand lekker meedenkt, vergaderlust toont, de notulen leest? Een school als meritocratie is een slecht idee.

Ik ben een docent die van lesgeven houdt. Daar ben ik goed in. Ik heb niet gesolliciteerd om beoordeeld te worden op mijn coördinerende kwaliteiten, het volgen van cursussen, het opzetten van excursies, het in kaart brengen van doorstroomproblematiek of het gespecialiseerd zijn in autisme. Docenten moeten beoordeeld worden op het scheppen van een veilige sfeer in het lokaal, op hun vakinhoudelijke en didactische kwaliteiten, op niets meer of minder. Ik lever mijn prestatie ín het lokaal, niet daarbuiten.  


(gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op 29-11-12)

woensdag 28 december 2011

De deur uit, de hort op, de wereld in

Toen ik wakker werd van de wekker op mijn telefoon, meende ik in het wegvallende licht opeens iemand in de onbekende kamer te zien. Het was pikkedonker. Vergiste ik me? Ik wachtte even en luisterde scherp. Ik hoorde niets. Maar toen ik mijn mobiel weer aandrukte, verscheen in het vaalblauwe licht van het schermpje rechts van mijn bed het gezicht van de jongste zoon van mijn gastgezin: ,,Hallo Jelte.’’

Dat begon lekker. Ik had de wekker net een half uur te vroeg laten afgaan om me nog even te kunnen omdraaien…

Afgelopen week was ik met twaalf leerlingen uit vwo 5 op uitwisseling in Duitsland. Ik logeerde bij een Duitse collega en haar gezin, mijn twaalf volgelingen bij leerlingen van de ontvangende school. Veel leerzamer wordt het niet. Als je kinderen een taal wilt leren, is de beste school een land waar die taal de lijm van de dag is. Overigens, vergeleken met de Italiaanse en Duitse leerlingen spraken mijn leerlingen het beste Engels.

Wie heeft ooit bedacht dat films en series op de Duitse televisie nagesynchroniseerd moesten worden?

Binnen het zogenaamde Multilateral School-Partnership Project (MSP) bezoeken leerlingen van mijn school scholen in Duitsland, Engeland, Italië, Polen en Hongarije. Het project staat garant voor een geweldige ervaring, nieuwe vriendschappen en zelfs nieuwe liefdes. Toen in de bus terug mij de verhalen over het eindfeest ter ore kwamen, begreep ik dat uitwisseling ook de uitruil van speeksel kan betekenen.

Internationalisering, nietwaar?

We bezochten een school in het Duitse stadje Fritzlar, dat werd gesticht door Bonifatius die zo’n twintig jaar later bij Dokkum door de Friezen werd vermoord. Het is fraai hoe op zo’n netwerkproject de historische lijnen samenkomen.

Elke school koppelt de uitwisselingsweek aan een thema. Het onderwerp in Duitsland was de integratie van gehandicapten. Op voorhand een zwaar thema, maar in de praktijk zeer de inspanning waard. De leerlingen gingen bijvoorbeeld proefondervindelijk met een rolstoel door de stad, ontwierpen aangepaste huizen, kamers en meubels, hoorden een lezing van een oud-parlementslid en bezochten een dovenschool. De brief met adviezen die enkele leerlingen schreven, is inmiddels gelezen door de burgemeester van de stad.

Heftigste ervaring was het bezoek aan het DialogMuseum in Frankfurt waar we negentig minuten lang in de wereld van een blinde liepen, in volledig donkere ruimtes, gestuurd door een gids. Eerst paniekerig, later kalmer kwamen we - zonder een hand voor ogen te kunnen zien - door een jungle, over een brug en in een muziekruimte. We voelden een waterval, gingen per motorboot de Main over, bestelden drinken in een bar en we voetbalden met een belletjesbal. Geen enkel licht. Alles zwart. We vertrouwden op de geleidende stem, onze blindenstok en de schouders van elkaar. De gidsen waren zelf blind, maar begeleiden ons alsof ze alles zagen.

De leerlingen waren geweldig. Eindelijk leerde ik ze eens kennen buiten het schoolgebouw. Ik was blij te merken dat het gewoon mensen zijn. En vooral: levensgenieters. Er wordt naar mijn smaak soms te krampachtig vastgehouden aan het lesrooster. Eens de deur uit, de hort op, de wereld in stuit vaak op veel bezwaren, terwijl er zoveel te leren valt buiten het lokaal. Voor docent en leerling.

Mijn eigen school was ik vergeten. Ik dacht er niet meer aan, kwam daar niet meer aan toe. Ik wende aan het gastgezin, zoals ogen aan het donker. Ik vond het niet vreemd dat de jongste zoon naast mijn bed een legpuzzel maakte. toen ik de laatste ochtend wakker werd.

Toen ik enkele uren later mijn koffer sloot, vond ik eronder mijn rode correctiepen. Oh ja. Toetsen nakijken. School. Het is waar ook. Met een zucht stapte ik die dag de bus in.

dinsdag 13 december 2011

Alan November - Who Owns The Learning?

Mijn column over 'lesbazen' van 13-12-11 ging over Alan November. Hier de lezing die hij hield voor TEDx - zijn verhaal hier is nagenoeg gelijk aan het verhaal dat ik in Birmingham van hoorde. 


zondag 11 december 2011

Wringend onderwijs



We kregen de lijst met asperger-adviezen per mail. Over hoe we om moeten gaan met die ene autistische jongen. De jongen over wie het elke pauze gaat. Door wie docenten met de handen in het haar zitten. Van wie collega's wakker liggen. Ik herlas de aanwijzingen onlangs en merkte dat ik ernstig tekort schiet. Ik vind mezelf een goede docent, maar hier ben ik mee aan. Mijn anders zo betrouwbare instinct is in deze niet afdoende. Dit is niet mijn pakkie-an. 

Toch verwacht het kabinet met de herziening van het passend onderwijs nogal wat van scholen en docenten. Als het aan de onderwijsminister ligt wordt er de komende jaren 300 miljoen euro bezuinigd op passend onderwijs. Dat betekent dat zorgspecialisten uit het onderwijs verdwijnen en dat de last op de schouders van scholen en docenten komt te liggen. Scholen krijgen een zorgplicht en docenten worden verplicht hun deskundigheid op het zorgvlak uit te breiden.

Zal je zien: loop ik straks in een witte jas door het schoolgebouw, de zakken bol van pillenstrips en injectienaalden. In de pauzes deel ik ritalin uit op het plein. In tussenuren stel ik diagnoses en schrijf ik medicijnen uit. 

Soms wens ik dat de jongen in kwestie een aan/uit-knop zou hebben. Als een radio. De klas is afhankelijk van het gedrag van de stoorzender en de reactie van de docenten daarop. Even uit die jongen. Klik. Die ene keer dat ik hem wegstuurde bracht een wel zeer aangename rust in de groep. Maar dat is niet een structurele oplossing.

Ik lees de e-mail. 'Wees voorzichtig met geuit gevoel. Het uiten van vijandigheid, kritiek of overbetrokkenheid werkt niet goed. Deze emoties worden niet begrepen en werken benauwend.’ Wel, ik weet dat ik me erg bestraffend, maar tegelijk ook erg begaan naar de jongen toe heb uitgedrukt. Foute boel dus. Van mij wordt een zakelijke reactie verwacht; een neutrale middenweg. Maar hoe pareer je dan die storende opmerkingen?

Verder: ‘Gebruik zoveel mogelijk visuele ondersteuning.’ Nou, dat heb ik gemerkt. Toen ik onlangs een fragment uit de BBC-serie ‘Rome’ liet zien waarin Julius Caesar met drieëntwintig messteken wordt vermoord, sprong onze vriend bijna van zijn stoel van enthousiasme omdat er zoveel bloed vloeide. ‘Dit vind ik mooi, meneer!’, riep hij, ‘Al dat bloed! Wow!’

Niet de visuele steun die de gebruiksaanwijzing bedoelde.

Ook al heb ik met hem afgesproken dat hij alleen nuttige vragen stelt die betrekking hebben op de stof, gaat de vinger om de haverklap de lucht in. Onlangs sprak ik over de laatste ijstijd. Opeens een driftige vinger in de lucht: ‘Meneer! Nu heb ik écht een belangrijke vraag!’. De klas zucht. ‘Geloofde Einstein in God?’

‘Hij denkt heel concreet’, lees ik. Aha. Dus dát was er aan de hand toen ik het Egyptische dodenboek aan de klas uitlegde: de symboliek ontging hem. ‘Maar meneer!’, klonk het door de klas, ‘kan hij dat monster met de krokodillenkop dan niet met superpowers in elkaar slaan, of zo?’ De klas zucht. Superpowers? In elkaar slaan? Ik heb geen antwoord.

Ik begin mij te ergeren. Niet aan die lieve jongen, maar aan de ontstane situatie: ik doceer een klas van vijfentwintig leerlingen, maar er wordt van mij verwacht de les zo te boetseren dat die ene jongen het kan volgen. Ik moet ongewenst gedrag stoppen, maar mag niet kritisch zijn. Ik moet stof in kleine stukjes aanbieden, korte instructies geven, terwijl de vwo-groep tot veel meer in staat is. Ik moet vooral niet teveel zelfstandigheid vragen, maar dat is juist wat ik van vwo-leerlingen verwacht. Ik sta in een spagaat: kies ik voor die ene jongen of voor de groep?

Het wringt aan alle kanten. Ik zal aan mijn deskundigheid moeten werken, vrees ik.

(gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op 01-11-11)

zaterdag 3 december 2011

Roe noch koe van afgebladderde stadsduif


Als een kind niet een buizerd van een kiekendief kan onderscheiden, niet een eik van een berk, of een kikker van een pad, moeten we ons dan zorgen maken? Er zijn mensen die denken van wel. Volgens die mensen zouden teveel kinderen lijden aan een ‘natuurtekortstoornis’. Vorig jaar verscheen het boek ‘Last Child In The Woods’ van de Amerikaanse auteur Richard Louv waarin een kleine knul uit San Diego zegt: ‘Ik speel liever binnen, want daar zitten de stopcontacten.’ Belachelijk natuurlijk. Met een beetje laptop of smartphone kun je de hele dag de natuur in.

Twee weken geleden sprak ook Jelle de Jong, directeur van IVN, de vereniging voor natuur- en milieueducatie, in dagblad Trouw zijn zorg uit. Het natuurtekort leidt bij kinderen tot ADHD, depressies, obesitas en concentratieproblemen, schrijft hij. Meer dan de helft van de Nederlandse kinderen woont in de stad. Met hun spelcomputer. En hun smartphone. Het enige groen is de plantenbak die aan de reling van het kleine balkon vijf hoog achter hangt. De enige vogel is een afgebladderde stadsduif die roe noch koe kan zeggen, die leeft op een patat- en frikandeldieet en die daarmee het balkon onder schijt. Maar de kinderen kunnen wél goed spellen, schampert De Jong. Hij beseft niet dat hij daarmee toch klinkt als een optimist.

Jelle de Jong ziet een taak voor scholen. Ik doe mijn best. Regelmatig onderbreek ik mijn les om te wijzen op het gevogelte dat langs het lokaal wappert. Ik leer ze het melancholische lied van de merel en de felle rollers van het winterkoninkje te onderscheiden. Ik tover fragmenten van de geweldige serie ‘The Life of Birds’ van Sir David Attenborough op het scherm. Over de liervogel die het geluid van een kettingzaag imiteert, of de prieelvogel die een baltsplaats als een sprookjeskasteel bouwt. En ik geef geschiedenis.

Ik besef, het is niet afdoende. De kinderen zouden weer dat Kameleon-elan moeten krijgen. Die Hielke-en-Sietse-geestdrift van een gezonde blos op de wangen en van mam smeerde zes boterhammen met spek voor de jongens en hup, daar gingen de donderjagers het water op! Er zijn vast nog kinderen die de weilanden in trekken, op zoek naar avontuur. Maar de trend is nu eenmaal dat kinderen liever online avontuur zoeken. Dáárin vluchten ze: in Windows in plaats van in een weiland; ze consumeren Apple in plaats van appels die ze stiekem stelen uit de boomgaard. Zijn er nog kinderen die enthousiast worden van de geur van gier? Zijn er nog kinderen die de sensatie herkennen van een vollopende laars, omdat opeens blijkt dat er een gat in de hak zit?

Als het gaat om maatschappelijke problematiek zien mensen niet zelden ‘een taak voor het onderwijs’, maar zoals vaak vormen de eisen die gesteld worden door de inspectie een praktisch bezwaar. Er is immers nauwelijks tijd om naar buiten te gaan met leerlingen. Onderwijs is altijd een kwestie van prioriteiten stellen. Als je vindt dat kinderen beter moeten leren schrijven en rekenen, dan blijft er minder tijd over voor biologie.

Afgelopen vrijdag gaf ik het zevende uur les aan een VWO 6 groep die geen pap meer kon zeggen. Buiten scheen de zon en tussen de verkleurende herfstbladeren van de bomen naast school ontwaarde ik een ekster. Nadat ik mijn, uhum, jawel, mijn smartphone op de computerspeakers had aangesloten en die voor het open raam hield, liet ik het digitale geluid van de vogelsoort horen. Vanuit het groen kwam de ekster, gelokt door het geluid, aanvliegen, steeds dichterbij, totdat de vogel op enkele meters van het lokaal zat en zich prachtig liet zien. De leerlingen zwegen en keken. Het was het hoogtepunt van de les.  

(gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op 18-10-11)

woensdag 16 november 2011

Vacature: docent op St. Eustatius


Hij slaapt ’s nachts buiten, in zijn hangmat. Als hij ’s ochtends even voor zevenen de lichtschakelaar in de docentenkamer aanklikt, duurt het een kwartier voordat het licht ook werkelijk aangaat. Soms is de airco kapot en is het boven de 30 graden in het gebouw. Af en toe valt een tafelblad van een schooltafel en steken spijkers in de lucht. Leerlingen verstaan hem nauwelijks. Hij verstaat de leerlingen nauwelijks. Er trekken regelmatig tropische stormen en orkanen voorbij. Dan is het zaak water en kaarsen in huis te hebben. Het is iets meer dan een maand geleden dat mijn schoonvader naar St. Eustatius vertrok om daar wiskunde te doceren.

Op 10 oktober 2010 kwam aan de Nederlandse Antillen als land een einde. Aruba, St. Maarten en Curaçao werden onafhankelijke landen binnen het Koninkrijk der Nederlanden, terwijl de kleine Antillen, Bonaire, St. Eustatius en Saba een status aparte kregen, die van bijzondere gemeente. Sindsdien raken de eilandbewoners verstrikt in een spinnenweb van Nederlandse regeltjes. Kamer van Koophandel? Wat zegt u? Voedsel en Waren Autoriteit? Pardon? Een formulier aanvragen? Hoezo? Gemeenten zijn papierfabrieken – de Antilliaanse eilandengroep nu dus ook. 

De ontwikkelingen worden in beeld gebracht in de televisieserie ‘Caribisch Nederland’ die op zaterdagmiddag door de NTR wordt uitgezonden. Het beeld dat naar voren komt: de eilandcultuur van de kleine Antillen botst vooralsnog met de Nederlandse intenties. Tja, zoals plotseling die blonde Hollandse kaaskoppen handenwrijvend op die tropische eilanden verschijnen met de opdracht de boel eens flink op de schop nemen, dat ís ook even slikken. De laatste keer dat we er verschenen liep het uit op onderdrukking. 

De serie richt zich vooral op St. Eustatius. Al vrij snel na de eenwording kwam op de middelbare school aldaar een Nederlandse directeur die de teugels flink aanhaalde. En niet ten onrechte. Leerlingen doen gemiddeld zes jaar over het vmbo en het slagingspercentage ligt onder de 30%. In Nederland is het niet vreemd als bijna 100% van de vmbo-kandidaten slaagt.

Op ‘Statia’ zijn de mensen gewend rustig aan te doen. Te laat komen is zo gewoon als op tijd komen voor ons. De schoolklok loopt zelfs vijf minuten achter ter compensatie. Maar met de komst van het nieuwe schoolhoofd gebeurt het niet meer straffeloos. Hij introduceerde de strafmiddag. Een meisje zegt: ‘I heard that last strafmiddag there were like 50 children.’ Ze verwacht dat binnenkort de hele school op strafmiddag moet komen.

Met name de taal is een groot probleem. Nu St. Eustatius een bijzondere gemeente is geworden worden de leerlingen geacht examen in het Nederlands te doen. De leerlingen zien het niet zitten. Bijna iedereen spreekt Engels. ‘I don’t even know what the word voorbereiden means. It’s really bad…’, zegt een ander meisje. 

De nieuw aangestelde politiechef is trouwens ook een Nederlander. Hij verwierf al spoedig de bijnaam ‘Mr. Lock Up’, omdat hij plotseling gebruik ging maken van de vier gevangeniscellen op het politiebureau. Nederlandse examens, strafwerkmiddag, protocollen, procedures en opsluitingen! – de Nederlanders maken zich niet bij iedereen geliefd. Het zijn betweters wordt gezegd. Men verwijt hen arrogantie. Maar dat is onterecht. 

De Nederlandse docenten doen hun stinkende best goed onderwijs te bieden, alle moeilijkheden ten spijt. Het loon dat de docenten ontvangen is soms wel 1000 euro minder dan hun loon in Nederland, terwijl de prijzen op het eiland sinds de nieuwe status alleen maar stijgen. Dat is mede de oorzaak van het docententekort. Als Nederland de nieuwe gemeenten serieus neemt, ligt daar een eerste opdracht. 

Mijn schoonvader boekt overigens gestaag vooruitgang. Een leerling vroeg bijles! Dat hij niet kwam opdagen is niet erg. Het is een eerste stap. 


(gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op 04-10-11)

maandag 31 oktober 2011

'Geloof u dáárin?'

In 1848 werd de vrijheid van onderwijs in Thorbeckes grondwet vastgelegd; in 1917 kregen de confessionelen de felbegeerde financiële gelijkstelling. Nu, bijna een eeuw later, staat het veelbesproken artikel 23, dat de vrijheid van onderwijs garandeert, ter discussie. De Onderwijsraad is door de Tweede Kamer zelfs benaderd het artikel op de korrel te nemen. Eind dit jaar komt de raad met een advies.

‘Maar waarom geeft u dan les op een christelijke school, als u dít gelooft?’, vraagt een meisje links in de klas. ‘Ik vond dat jullie de waarheid maar eens moesten leren’, zeg ik grappend, om meteen daarna duidelijk te maken dat over het ontstaan van het heelal, van onze planeet en van de mens diverse theorieën naast elkaar bestaan.

‘Dus u gelooft in de… in de uh…’, het meisje twijfelt – ik help haar. ‘In Darwins evolutietheorie, bedoel je?’ ‘Ja, die ja’, zegt ze. ‘Gelooft u dáárin?’ Ik wind er geen doekjes om en zeg: ‘Nou, ik vind die theorie inderdaad zeer aannemelijk. Waarom? Vanwege de fossiele vondsten, de snavels van de vinken op de Galapagoseilanden en de onmetelijke tijd. Heb je enig idee wat er in 13,7 miljard jaar kan gebeuren? In die  oceaan van tijd? 100 jaar, ok, een eeuw, dat snappen we. Maar een miljoen, of laat staan een miljard jaar! Dat is veel te veel voor ons voorstellingsvermogen…’        

Tja, de prehistorie. Hoe vallen de australopithecus, de homo habilis en de homo erectus te rijmen met de christelijke grondslag van de school? Adam en Eva waren toch zeker geen kleine aapachtige mensjes? Hoe doen ze dat eigenlijk bij biologie? Waar komt die flora en fauna vandaan? En bij aardrijkskunde? Er zitten toch echt fossiele resten in de aardlagen. 

Mag mijn school eisen stellen aan mijn overtuigingen? Toen ik solliciteerde werd er wel naar gevraagd. Ik heb eerlijk geantwoord. Ik ga niet meer naar de kerk, maar heb wel een christelijke opvoeding gehad en christelijk onderwijs genoten. Er zijn scholen in het land die verwijzen naar artikel 23 als ze personeel of leerlingen weigeren of schorsen. In 2008 mocht een katholieke school een stagiaire met hoofddoek weigeren. In 2009 werd een homoseksuele docent in Emst op non-actief gesteld. Begin dit jaar ontstond discussie over een islamitische docent aan de Hogeschool van Amsterdam die plotseling vrouwen geen hand meer wilde geven. Hij mocht aanblijven, tot ergernis van velen.

Artikel 23 is inderdaad aan herziening toe – D66 werkt ondertussen aan een initiatiefwet. En terecht: scholen zonder religieuze kleur, maar met vernieuwende onderwijsideeën moeten ook officieel beschermd worden. En ja, het moet makkelijker worden om als openbare - en christelijke school te fuseren. Vind ik ook. 

Maar als deze column nu gelezen wordt door de ouders van de leerlingen die ik doceer – en dat is zo –  kan ik dan in de problemen raken? Misschien wel. Zij hebben hun kinderen naar een christelijke school gestuurd, maar lezen nu dat ik vrijelijk over de evolutietheorie praat. Wel, laat ik duidelijk zijn: ik vind dat leerlingen – en zeker op het VWO! – kennis moeten maken met de belangrijkste wetenschappelijke inzichten. Daarop moet je nooit censuur toepassen. Twijfel en onderzoek is de basis van wetenschap. Hef anders de hele vwo-afdeling maar op!

Kijk, artikel 23 is in zoverre aan herziening toe dat docenten op basis van levenswandel, overtuiging of mening nooit meer in de problemen mogen komen, zolang ze niet crimineel zijn, andere inzichten respecteren en goed onderwijs leveren. Het is aan de Onderwijsraad dit te noemen.

Terwijl de bel klinkt zeg ik tegen de klas: ‘Misschien moet je het zo zien: God heeft een pan macaroni klaargemaakt, heeft die weggezet en is die vergeten’, maar ik weet niet of ze het horen. Misschien beter van niet.  


(gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op 20-09-11)

zondag 30 oktober 2011

Priiii! - Dim Junius


Goede vriend en collega Dim Junius maakt tekeningen. Soms naar aanleiding van één van mijn columns, soms op basis van zijn eigen kijk op onderwijszaken. 


dinsdag 18 oktober 2011

En weer vrolijk verder

Op de radio heeft hij gehoord dat wanneer de broek zo laag gedragen wordt dat zelfs het schaamhaar zichtbaar wordt, ‘nou, dat dát wel erg spannende mode zou zijn!’ Mijn oudere collega heft verbouwereerd de handen ten hemel. ‘Waar gaat het toch naartoe?’ Hij kijkt om zich heen. Een collega van aardrijkskunde valt hem bij: ‘Het is waar. Ze komen de trap bijna niet op, zó laag hangt het kruis. Ik laat ze de broek omhoog trekken bij de ingang van het lokaal, anders komen ze er bij mij niet in!’

Ik kijk de groep rond. Daar zitten we weer. Alsof er helemaal geen zomervakantie is geweest, alsof we elkaar niet zeven weken hebben ontlopen. Eenmaal achter de rug lijken zeven weken nog slechts een vingerknip. Snap! En nu word je weer wakker. Er is weinig veranderd. Alleen collega’s die naar mediterrane streken zijn getrokken stralen in hun gebronsde huid, maar de natste zomer sinds het begin van de weerstatistiek heeft vooral Hollandse bleekscheten uitgepoept. Niemand heeft ook nieuwe kleren gekocht: iedereen draagt diezelfde overhemden, shirts en broeken. Het kleurenpalet is onveranderd, wellicht op enkele nieuwe grijstinten na.

Ik besef dat ik aan mijn vijfde jaar in het onderwijs begin en dat het voor het eerst voelt alsof ik een vaste baan met vaste collega’s heb. Routine. Gang van zaken. Pappenheimers. Aard van het beestje. Gewoontes. Trekjes. Eigenaardigheden. Een vaste baan met vaste collega’s: is dat niet een constatering om wakker van te liggen? Toen ik op een collega afstapte om hem na zeven weken de hand te schudden, wist ik wat hij ging zeggen: ‘Geen paniek Jelte. Alles komt goed.’ Dat zegt hij namelijk altijd. En ik ben helemaal niet in paniek. Nooit niet.

‘Ze doen het om hun onderbroek te showen’, zegt mijn jonge collega van de lichamelijke opvoeding. Ik kijk op. Oh ja, de discussie over schoolregels. Oudere collega’s kijken verbaasd, terwijl die laaghangende broeken toch deels het resultaat zijn van de vrijheden die zij in de jaren ’60 hebben bevochten. Zíj zijn daarmee begonnen, wij niet. Dus hállo!  

De discussie over aanstootgevende uiterlijkheden is sindsdien niet meer verstomd. Het lange haar van de jongens, toen het korte haar van de punkmeisjes, de piercings, de kale gabberkoppen, de naveltruitjes, de tattoo boven de kont, de diep uitgesneden shirts, de zichtbare string. Deze discussie is een herhaling van zetten: alleen met uniforms zouden we zoiets ongrijpbaars als mode, trends en subculturen op school kunnen beteugelen. Dus laat maar.

‘Geen paniek Jelte. Alles komt goed’. Ik schud mijn collega de hand. Ik ben niet in paniek, maar twijfel wel of alles wel zo goed komt. Ik begrijp bijvoorbeeld niet helemaal waarom we de schoolregels op de eerste schooldag moeten herdefiniëren. Die staan toch al in de schoolgids, mag ik aannemen? Nee, laten we het hebben over waar we vorig jaar eindigden. Was het niet zo dat we allemaal wat ontevreden de zomer ingingen? Voerden we niet een discussie? Waren we daarover al uitgesproken?

Blijkbaar heeft de zomer de plooien in het laken gladgestreken, want iedereen doet er het zwijgen toe. De gezamenlijke brief die vlak voor de zomer opgesteld en door heel veel collega’s ondertekend is wordt nog besproken met de initiatiefnemer, begrijp ik, maar daarmee zal de kous af zijn.
  
En dan weer vrolijk verder.

De onderbroekenshow. Dat is het dus met die jongens. Ze willen laten zien dat ze óók zo’n veel te dure onderbroek van het merk van die Zweedse tennisser hebben gekocht. Het is uiterlijk vertoon door druk van buiten. Ik zou zeggen: hijs die broek even op, dan kunnen we tenminste wat sneller die trap beklimmen.


(Gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op 06-09-2011)

zaterdag 8 oktober 2011

Vrienden van tijdelijke aard


Ik arriveer laat, trek mijn colbert aan en peuter met mijn pink nog snel het stukje spinazie weg dat ik in de achteruitkijkspiegel ontdek bij het aanspannen van de Halve-Windsor die iemand ooit in mijn stropdas knoopte en die ik sindsdien nooit meer los heb gehaald, want je weet maar nooit.

Binnen gonst het, zoals een wespennest gonst. Iedereen is blij. Vanzelfsprekend. Het vwo-diploma is de officiële afsluiting van de puberjaren. Ouders beseffen misschien niet helemaal dat het grote feest voor hun kind nu pas begint – hun zoon is een stoere kerel geworden, hun dochter op haar mooist, en de stad lonkt – maar zijn blij dat het achter de broek zitten nu eindelijk afgelopen is.

Als ik bij de aula aankom tref ik achteraan collega C. van Frans. Ze maakt met gebaren duidelijk dat het veel te warm is in de zaal. Ik fluister of ze misschien een kruiswoordpuzzel heeft meegenomen, zodat we iets te doen hebben als de mentoren hun persoonlijke verhaaltjes voor de geslaagde leerlingen gaan houden. Ze zegt van nee en van had ik maar, want inderdaad, je zult zien dat.

Ik ga naast haar zitten en jawel, als de eerste collega bij zijn derde leerling is, is het ons al zonneklaar dat gebeurt wat iedereen vreesde: het gaat uitlopen. Er was nog zó gezegd, één minuut per leerling! Collega’s kijken elkaar vertwijfeld aan: waarom dan tóch vijf minuten per leerling? Is het leuk voor de leerlingen om te weten welke historische gebeurtenissen bij hun geboortedatum horen en welke beroemde componisten, geleerden of schrijvers zijn geboren op dezelfde datum zoveel honderd jaar geleden? Ach, nou ja, hij bedoelt, je kent hem, maar je weet ook dat, uiteraard, maar goed, zeg nou zelf, het dúúrt zo lang. En de afspraak was…

De biologiedocent is sneller. Hij koppelt met een vlug praatje karakters van leerlingen aan wilde planten: bosvergeet-mij-nietjes, myosotis sylvatica, voor zijn favoriete leerling. Die kreeg liever ik-vergeet-dit-alles-zo-snel-mogelijkjes, maar die groeien niet in de wilde natuur. Hennep, cannabis sativa, overigens wel, en daarmee vergeet je je vreemde biologiedocent ook vrij snel.

Af en toe voel ik prikkende jaloezie. Als iemand sterrenkunde gaat studeren bijvoorbeeld. Wist ik veel toen ik destijds geschiedenis aanwees in het informatieboekje van de decaan. Ik had eigenlijk geen idee. En zie: daar zit ik nu dan als geschiedenisdocent in een veel te warme aula op een woensdagavond met de spinazie nog tussen mijn tanden.

Inmiddels is collega C. van Frans er tussenuit geknepen. Ik zei nog, voel je niet schuldig, maar dat deed ze dan ook helemaal niet. Het wordt warmer. Ik heb inmiddels twee gebakjes op en zin in een borrel.

De ene na de andere mentor betreedt het podium. Gasten worden wat onrustig. De filosofiedocent gebruikt deugden in plaats van planten om leerlingen te karakteriseren. Mijn collega van natuurkunde hannest met de microfoon, mompelt als de intellectueel die hij is, soms boven, dan weer naast en te weinig ín de spraakversterker, zodat het klinkt als: ‘Beste .. natuurlijk .. zo is hij .. en daarom sta .. i .. va .. zo .. ut .. van harte ge .. iteerd!’. Het zijn vooral de slechthorende grootouders die nu afhaken. Sommige spelen zelfs met hun mobiel. Of met de knopjes van hun scootmobiel.  

Aan het eind van de lange avond heb ik mij opgesteld in de rij docenten voor een laatste contact met de gediplomeerden. Hiervoor ben ik gekomen. Om ze het beste te wensen, misschien om zelf nog het beste gewenst te krijgen. Maar het is vlug voorbij en even later sta ik al weer naast mijn auto. Leerlingen zijn vrienden van tijdelijke aard. En dat moet je ze gunnen.


(Gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op 05-07-2011)

dinsdag 20 september 2011

Ik bin Sa(k)ke


Het is de tijd van het jaar. Het ene moment is de hemel helblauw en zonovergoten, dan weer worstelt het zonlicht zich door een donker wolkendek en af en toe barst een ongenadige plensbui los.

Zo verliep afgelopen donderdag ook in drieën. Het was als dat drieluik van Jeroen Bosch – het laatste oordeel was geveld, de mentoren hadden gebeld: gezakt of geslaagd of iets daartussenin.

Eerst arriveerden de overwinnaars op school, in een roes van victorie, uitgelaten, lachend, elkaar omhelzend, zoenend, feliciterend. De overwinning behaald, de middelbare school een afgesloten hoofdstuk. Gebalde vuist omhoog – ‘yes’. Er worden plannen gesmeed voor de avond, de week, de vakantie, voor de komende jaren. Maar dan, als de winnaars weer huiswaarts zijn gekeerd, de bloemen en de goodiebags nog maar net uit het zicht, het lachen en joelen nog maar pas verstomd, zie, dan komen de verliezers. Eerst zij die nog een herkansing krijgen, teleurgesteld, maar ze weten: er is nog een strohalm. Het scheelde twee tienden! Die vijf moet een zes worden! Met een glinstering van hoop in de ogen fietsen zij naar huis, terwijl achter hen tenslotte de definitief gezakten arriveren. Met betraande ogen, hangende schouders.

Voor sommige examenkandidaten komt het als een verrassing. Het zakken, maar ook het slagen. Misschien stonden de vlag en de tas al klaar in een hoek van de garage, klaar om opgehangen te worden, maar kwam er vroeg in de middag dat telefoontje. Tóch gezakt. Misschien was het andersom en lag de vlag nog op zolder, opgerold in een doos, maar was het bericht positief: ‘Wat! Méént u dat? Ben ik gesláágd? Aaaaaaaah! Heit, pak de flagge dóch mar fan ‘e souder. Ik bin slagge! Meneer, súperbedankt voor het telefoontje! Ik had het écht niet gedacht. Aaaaaah!’. 

In onze personeelskamer hangt sinds een week een Loesje-poster: ‘Van examen krijg je uitslag’. In twee weken tijd wordt vijftig procent van het schoolcijfer bijeengeschreven. Daar kun je inderdaad jeukende uitslag van krijgen. Voor sommige leerlingen hangt het bestaan aan een zijden draadje deze tijd van het jaar.

Zelf zakte ik eens voor het Vwo-examen. Dat lag in de lijn van ieders verwachting, behalve in de mijne. De wereld verging die dag. Het jaar daarop slaagde ik, maar het was opnieuw spannend: de gezakte leerlingen zouden bezoek krijgen van de mentor. Ik had mij teruggetrokken op mijn kamer waar ik het volgende gedichtje schreef: ‘(…) hoor auto’s af en aan / komen en gaan / daar stopt een auto / buurvrouw / daar stopt een auto / buurman /  er wordt aangebeld / mijn hart hangt bonkend uit mijn mond / iemand met een lijst / fl. 3,-- / wanneer stopt de fatale auto / wanneer klinkt mijn laatste deurbel?’

Dat klinkt dramatisch. Maar een puber houdt een vergrootglas voor de realiteit – alles ís dramatisch. En zeg nou zelf: wie gaat er nou met een lijst langs de deur, juist op díe dag? Op de dag des oordeels! Idioot!

Als je zakt is het enige dat troost biedt het feit dat je niet de enige bent. Met een beetje geluk is een van je vrienden ook gezakt. Niets is erger voor een puber, soms haast jongvolwassene, om alleen achter te blijven op die rottige school, terwijl je vrienden de vleugels uitslaan, op kamers gaan, met sterke verhalen komen, nieuwe meisjes ontmoeten, léven. Dan ben jij de schlemiel.

Maar je kunt er ook anders mee omgaan. In mijn broers examenjaar zat Sake. Hij haalde het niet en liep op de dag van de uitslag rond met een T-shirt waarop stond: ‘Ik bin Sa(k)ke’. Zo kan het ook. Maar reken maar dat het voor Sake voelde als een plensbui.

(Gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op 21-06-2011)

dinsdag 6 september 2011

Alle mobieltjes de klas uit


Kinderen maken elkaar zwart, pesten docenten naar huis, sturen 100 sms’jes per dag en hangen onderuit in de schoolbanken met de mobiel in de aanslag. Het beeld dat naar voren komt uit het onderzoek ‘mobieltjes op school’ van de Nationale Academie voor Media & Maatschappij is dat van totale ordeloosheid. Docenten zouden naïef zijn, geen grip op de leerlingen hebben en al helemaal niet op de ras veranderende wereld. Leerlingen zijn baas en de sociale media de boosdoener. Ik erger mij aan deze bekrompen beeldvorming, maar ergens raakt die aan de werkelijkheid.

De organisatie adviseert scholen ‘mediacoaches’ aan te nemen. Joepie. Mediacoaches die waarschuwen voor de gevaren, maar benadrukken dat we anderzijds de nieuwe media toch ook moeten omarmen. Nou dank u vriendelijk, we zijn reeds op de hoogte.

Maar oké, blijkbaar hebben we de mobiele telefoons nog niet goed in de smiezen. We keken links, terwijl de mobiele revolutie zich rechts voltrok. Leerkrachten zijn naïef volgens het onderzoek, ze hebben geen idee wat allemaal mogelijk is met die zogenaamde smartphones. Maar het is zo eenvoudig: de telefoon anno 2011 is een computer op zakformaat. Kinderen wisselen er informatie mee uit. Ze sturen elkaar berichten, filmpjes en foto’s. Dat vinden ze lachen. That’s it. En de meeste docenten zijn daarvan goed op de hoogte. Naïef? Nee, die indruk heb ik niet.

Maar omdat er op het digitale schoolplein geen pleinwacht loopt zijn pesterijen er aan de orde van de dag, blijkt telkens en opnieuw. Ook docenten zijn steeds vaker de dupe. Online circuleren verschillende filmpjes waarin een leerkracht zijn zelfbeheersing verliest of te kijk wordt gezet. De verantwoordelijke leerlingen moeten flink op hun sodemieter krijgen, zoveel is duidelijk. Maar eerlijk gezegd had het nooit zover mogen komen.

De gsm heeft sluipenderwijs zijn intrede gedaan in het onderwijs en heeft stiekem een plek veroverd naast het etui, de boeken, de schriften en de pennen: toegestaan in het lokaal. Eerst kon je er mee bellen, toen kon je er ook tekstberichten mee sturen, toen kwam er een camera op en tegenwoordig is het een supergadget met toegang tot miljoenen applicaties.

Al die mogelijkheden! Kunnen we vást iets mee in onderwijsland, hoor je hippe mensen zeggen. Elk een iPad of Chromebook. Digitale lesboeken. Huiswerk bijhouden. Documenten uitwisselen. Ik zie het ook wel zitten, maar nu nog niet.

Want vooralsnog leidt de telefoon vooral af. Als ik iets uitleg wil ik dat iedereen z’n kop bij de les heeft. Ik wil dat ze hun digitale alter ego even loslaten, het liefst thuislaten. Mijn leerlingen moeten met beide benen op de grond staan: gefocust en geïnteresseerd in ‘echte’ dingen. Ik wil niet dat ze constant checken of iemand gepingd, getweet, gesms’t heeft. Er vibreert iets in de broekzak. Checken. Er piept iets. Checken. Er trilt of piept niets – wanneer reageert hij nou? Zenuwachtig voelen aan de telefoon. Zit-ie er nog?

Ik heb liever dat tweedeklassers in de pauze elkaar een boterham in het gezicht gooien dan dat ze op een rijtje elk een spelletje op hun apparaat spelen. Word wakker! En waarom vinden ouders het zo gewoon dat ze hun kind vierentwintig uur per dag kunnen bereiken? Waarom is het gewoon dat kinderen een peperduur abonnement op hun verjaardag krijgen? Geef ze een verrekijker of een voetbal!

Hoewel sommige scholen een verbod in het klaslokaal hebben ingevoerd en andere scholen de moderne media juist hebben verwelkomd in de les, zijn er op de meeste scholen nog geen algemene regels. Daar zijn we wel aan toe. De ordeloosheid zoals die in het onderzoek naar voren komt is overdreven. Maar toegegeven: mobieltjes leiden af, verstoren de concentratie en verflauwen de menselijkheid op school. 

(gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op 07-06-11)

maandag 4 juli 2011

Examengeklaag

Ik zit achter een tafel in de kleine hal tussen de twee gymzalen. Op een normale schooldag kruisen hier de geluiden van beide ruimten – de rollende fluit van de docent, het gebons van de ballen, het gedreun van boomlange pubers, het karakteristieke piepen van gympen op een linoleum gymzaalvloer. Maar nu is het doodstil. De examenperiode is begonnen.

Ik ben stand-by surveillant. Het examen Engels is al twee uur bezig. Druppelsgewijs verlaten leerlingen de twee zalen – ze treden het weekend tegemoet via de trap tegenover mij. Hun lichaamstaal verraadt hun gevoel over het geleverde werk: sommige leerlingen beklimmen de trap gemankeerd, andere bestijgen die haast in galop.

Het eindexamen hoort een bijna heilige afsluiting van de middelbare school te zijn, maar dat is het in almaar mindere mate. Leerlingen weten de weg naar klaaginstituut LAKS (Landelijk Aktie Komitee Scholieren) steeds gemakkelijker te vinden via de mobiele telefoon en de social media. Ze tonen hiermee nog maar eens hun toegenomen mondigheid.

Overigens, is de naam van het comité, het pubervolk dat het vertegenwoordigt niet op het lijf geschreven?

In 1988, toen het LAKS de eindexamenklachtenlijn voor het eerst opende, ontving het maar liefst 31 klachten. In 2004 waren het er al meer dan 80.000 en vorig jaar kwam er een recordaantal van 145.000 klachten binnen. Dit jaar werd al op de eerste maandag een record verbroken: nooit werd er op de openingsdag zoveel geklaagd. De meeste leerlingen jammerden dat het examen Nederlands te moeilijk zou zijn geweest. Ik hoorde van mijn collega Nederlands dat het examen eindelijk weer eens van goed niveau was.

Kijk, als de kermis is neergestreken in de stad en lichtgevende wagentjes met gillende mensen langs de ramen van de gymzaal schieten, dan heb je inderdaad iets te klagen. Of als het dorpsblaasorkest in een aanpandig gebouw een repetitie heeft gepland en voluit gaat toeteren en blazen als het examen van start gaat, of wanneer je een examen filosofie onder ogen krijgt, terwijl je toch zeker weet dat je bij het examen biologie zit, of als je per abuis een havo-bijlage bij je vwo-examen krijgt –  ja, dan heb je een zaak.

Maar het LAKS bellen, mailen of tweeten dat het examen moeilijk was, zonder die grief inhoudelijk te ondersteunen, alleen maar om de normering voordelig te beïnvloeden, nee, daar moeten leerlingen mee uitscheien. Op Twitter, Hyves en Facebook groeit klein geklaag uit tot reusachtige protesten. Iedereen jut elkaar op. Op Hyves schrijft iemand: ‘Zeg dat examen te moeilijk was, genoeg klachten = compensatie’.

In de statistieken van het LAKS is terug te zien dat er zelfs al geklaagd is over examens die nog niet eens zijn afgenomen. Hoe is dat in hemelsnaam mogelijk? Wat valt er te klagen over een toekomstig examen? Dat het op een ongelukkig tijdstip gepland is? Dat het onderwerp saai is? Dat je er geen zin in hebt?

Uiteindelijk baseren de verantwoordelijke instanties de normering van de examens op de gemiddelde cijfers. Alleen de behaalde resultaten (docenten geven de eerste vijf cijfers van hun leerlingenlijst door) zeggen iets wezenlijks over de moeilijkheidsgraad van een toets. Als je vindt dat een examen zwaar was, dan had je beter moeten leren. En was het écht boven niveau, dan wordt dat uiteindelijk toch wel gecorrigeerd. Beklag bepaalt niet de normering; het kan hoogstens een laag gemiddelde bevestigen. 

Het is doodstil. Dan gaat de deur van de gymzaal open. Mij passeert een meisje. ‘Hoe ging het?’, fluister ik. Ze straalt. Haar eerste examenweek is voortreffelijk verlopen. Engels ging vandaag goed, Nederlands ging ook al geweldig. Niets te klagen. Ik wens haar een goed weekend terwijl ik haar nakijk – ze neemt de trap met twee treden tegelijk.

maandag 20 juni 2011

Tulpvakantie

Je kunt je er moeilijk tegen verweren, deze meivakantie brengt genadeloos de zomer in de bol. Bam! Daar lig je voor Pampus in de warmte van de lentezon die het land in zomerhitte onderdompelt. Het is nog acht, negen weken tot de échte zomervakantie, maar het voelt alsof die nu al is begonnen. Ik zit in Knokke, aan de Vlaamse kust, net ten zuiden van Zeeland.

Knokke, de naam alleen al! Dat is vragen om relatieproblemen, zeiden vrienden. Het tegendeel is waar, mijn vrouw en ik voelen ons juist tiptop zo tussen de bejaarde rijkaards die je hier vooral aantreft. Niet dat ik niet vreemd opkeek toen mijn vrouw vanachter de computer mij toeriep: 'Het wordt Knokke!'

Het is misschien ook wel een beetje deprimerend, inderdaad. Langs de facade van Knokke, de boulevard, zie je ze rijendik, de dure sportwagens; je passeert de door zonnebanken voorgebruinde blubberlijven op de fiets; je ziet de gepensioneerden exclusieve bubbels drinken en zich asgrijs rokend op het terras en oh nee, de mannen dragen hun dure merktrui over de schouders, de mouwen voor de borst geknoopt. Dat hoort schijnbaar zo. Ik kan er niet tegen. Waarom knopen deze mensen hun trui niet om de middel?

In mijn turqoise Corsa, met mijn tengere, bleke lijf en mijn voorliefde voor andere bubbels, die van het gele vocht uit de tap, steek ik vast vreemd af. Daarom ook voel ik me volgens mij zo goed. Ik hou er van de vreemde eend in de bijt te zijn.

Waar hebben die mensen hun geld verdiend? Niet in het onderwijs, zoveel is duidelijk. Daar word je niet dik, decadent en vooral niet rijk van. Hoewel, ik ken zowel dikke, als decadente, als rijke docenten, maar de combinatie is zeldzaam en gemiddeld genomen is de docent slank, eerder bohémien dan decadent en juist wat armoedig.

Het is dus meivakantie. Ook wel tulpvakantie genoemd. Dat heb ik liever: tulpvakantie. Ik vind aardappelvakantie ook mooier dan herfstvakantie. En ik krijg kinderlijke kriebels als ik 'grote vakantie' hoor zeggen waneer het over de zomervakantie gaat. Vroeger scheen de grote vakantie mij reusachtig toe. Een schier eindeloze periode waarin ik mocht voetballen tot het donker werd. Toen leken zeven weken wel zeven maanden. Nu lijken zeven weken vooral zeven weken.

Omdat docenten enkele jaarlonen opzij moeten zetten voor de gemiddelde auto hier in Knokke, hebben we in het onderwijs ter compensatie - althans, zo zie ik het altijd maar - veel vakantie. Persoonlijk hecht ik veel waarde aan een weloverwogen omgang met vakantienamen. Vakanties houden ons op de been. Daarom, vanaf nu: het is tulpvakantie, niet meivakantie!

Maar de tulpvakantie valt dit jaar rauw op mijn dak. Het is alsof de stop uit de badkuip is getrokken en het schuimende water in een draaikolk wegloopt - zo voel ik me: ik heb er geen zin meer in. Koninginnedag en het bevrijdingsfestival zetten de wereld altijd in de vakantiemodus - ik kan er niet aan ontsnappen, het vakantiegevoel grijpt me bij de keel en laat me niet meer los.

Na de tulpvakantie hebben de examenklassen geen les meer. Het is stiller op school, buiten wenkt een ontwakende zomer en lonkt de vrijheid aan de geopende vensters.

En omdat het kriebelt, omdat het bruist, suist en broeit zit ik in Knokke. Bejaard, inderdaad. Te rijk, klopt. Decadent, whatever. Want kijk: ik lig te bakken in de zon. Ik zie met mijn verrekijker hoe bergeenden zich poetsen. Mijn vrouw bruint razendsnel. Het is 25 graden. En bovendien: als we verder zuidwaarts rijden zitten we zo in Frankrijk, of Spanje. En wie weet, misschien rijden we wel door naar Italië, naar Venetië of naar Rome, en komen we niet meer terug tot het september is.

zaterdag 11 juni 2011

Onder Invloed - Dim Junius

Goede vriend en collega Dim Junius maakt tekeningen. Soms naar aanleiding van één van mijn columns, soms op basis van zijn eigen kijk op onderwijszaken.